Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-04-21
ECLI:NL:RBOVE:2026:2935
ECLI:NL:RBOVE:2026:2935 text/xml public 2026-06-01T13:27:31 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-21 ak_25_1584 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2935 text/html public 2026-06-01T13:27:03 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2935 Rechtbank Overijssel , 21-04-2026 / ak_25_1584 Omgevingswet. Verlening omgevingsvergunning voor het bouwen van vijf appartementen, verdeeld over twee gebouwen. Bestemmingsplan nog niet onherroepelijk. Het college moest bij het besluit op bezwaar uitgaan van de regels van het bestemmingsplan. Niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met deze regels. Ook is niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met andere regels van het omgevingsplan of met voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1584 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , [eiseres 1] en [eiseres 2] V.O.F. , uit [woonplaats] , eisers, hierna: [eiser] (in enkelvoud), gemachtigde: mr. E. Koekoek, en het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten, verweerder, hierna: het college. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] , uit [vestigingsplaats] , hierna: [derde belanghebbende] (in enkelvoud), gemachtigde: A. Berkhof, werkzaam bij VAB Architecten & Adviseurs (hierna: VAB). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college aan VAB heeft verleend voor het bouwen van vijf appartementen, verdeeld over twee los van elkaar staande gebouwen. [eiser] woont naast het perceel waarop de appartementen zijn voorzien en voert daar ook een bedrijf. [eiser] vindt het onzorgvuldig dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de appartementen is verleend, terwijl het bestemmingsplan dat daaraan ten grondslag ligt nog niet onherroepelijk is. Daarnaast vreest hij nadelige gevolgen van de appartementengebouwen voor zijn bedrijfsvoering, omdat hij tussen de te bouwen appartementen door zal moeten om te laden en te lossen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Hoewel het bestemmingsplan waaraan de vergunningaanvraag is getoetst nog niet onherroepelijk was op het moment van vergunningverlening, was het al wel van toepassing. Het college moest bij het besluit op bezwaar uitgaan van de regels van dit bestemmingsplan en de rechtbank moet bij de beoordeling van het beroep ook van die regels uitgaan. Verder is niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Ook is niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met andere regels van het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holen of met voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het beroep is ongegrond. Procesverloop 2.1 Bij besluit van 23 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan VAB een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van vijf appartementen aan de [adres 1] en [adres 2] . 2.2 Bij besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het hiertegen door [eiser] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, met aanpassing van de motivering van dat besluit. 2.3 [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4 Het college heeft een verweerschrift ingediend. [eiser] heeft nog aanvullende gronden ingediend. 2.5 De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. [eiser] en [eiseres 1] waren hierbij aanwezig, bijgestaan door mr. E. Koekoek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] waren ook aanwezig, bijgestaan door A. Berkhof. Beoordeling door de rechtbank Aanleiding 3.1 [derde belanghebbende] is eigenaar van het Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of enerzijds [eiser] na de realisering van de appartementen nog zal kunnen voldoen aan de geluidnormen en anderzijds of bij de te realiseren appartementen vanwege de bedrijfsactiviteiten van [eiser] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid is gegarandeerd. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om dit alsnog te laten onderzoeken en, indien blijkt dat bij de te realiseren appartementen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid is gegarandeerd, zo nodig het plan daarop aan te passen. [eiser] stelt dat het onzorgvuldig is dat het college de verlening van de omgevingsvergunning heeft gebaseerd op het bestemmingsplan, terwijl nog onzeker was of dat wel rechtmatig is en niet vernietigd zal worden. 6.2 Het college voert in het verweerschrift aan dat het bestemmingsplan in werking is getreden voordat de vergunningaanvraag werd ingediend en ook gold toen het bestreden besluit werd genomen. Volgens het college moest de vergunningaanvraag daarom worden getoetst aan het bestemmingsplan en is een eventuele vernietiging of wijziging van het bestemmingsplan niet relevant voor de beoordeling van het beroep van [eiser] . Daarnaast voert het college in het verweerschrift aan dat de raad een aanvullend onderzoek heeft laten uitvoeren en dat daarin is geconcludeerd dat bij de te realiseren appartementen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als een nieuw artikel aan de planregels wordt toegevoegd. In dat artikel wordt het woon- en leefklimaat bij de appartementen geborgd via een voorwaardelijke verplichting voor de maximale geluidniveaus in de appartementen. Het college heeft op 20 januari 2026 besloten om de raad voor te stellen dit artikel aan de planregels toe te voegen en dit voorstel is behandeld in de raadsvergadering van 5 maart 2026. Tijdens de zitting heeft het college verklaard dat de raad de voorgestelde wijziging heeft vastgesteld. Verder voert het college aan dat uit het aanvullend onderzoek blijkt dat voor het bedrijf van [eiser] een maatwerkvoorschrift moet worden vastgesteld waarin voor de avondperiode hogere grenswaarden worden toegestaan, om te borgen dat [eiser] door de komst van de appartementen niet wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Het college is bevoegd gezag voor het vaststellen van zo’n maatwerkvoorschrift. Het vaststellen daarvan valt volgens het college echter niet binnen het kader van het bestemmingsplan en moet afzonderlijk worden geregeld. Tijdens de zitting heeft het college verklaard dat het het voornemen heeft om zo’n maatwerkvoorschrift aan [eiser] op te leggen. 6.3 De rechtbank overweegt dat in artikel 8:72, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht staat dat de vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan meebrengt. In de rechtspraak is echter op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt voor wat betreft de gevolgen die de vernietiging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan heeft voor op basis van dat bestemmingsplan verleende bouwvergunningen. Deze uitzondering houdt in dat als het besluit op een bezwaar tegen een bouwvergunning op basis van het nieuwe bestemmingsplan is genomen, omdat dat plan ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in werking was, de bestuursrechter in beroep en hoger beroep bij de toetsing van het besluit op bezwaar moet uitgaan van het nieuwe plan, ook als dat plan na het nemen van het besluit op bezwaar is vernietigd. Een uitzondering hierop zou zijn als het bestemmingsplan bij wijze van voorlopige voorziening geschorst is. Dat is in deze zaak niet aan de orde. 6.4 De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het college de vergunningaanvraag van VAB en [derde belanghebbende] terecht heeft getoetst aan het bestemmingsplan, omdat dat gold toen de aanvraag werd ingediend. Toen het college Hij vindt dat het college beter naar deze onveiligheid had moeten kijken en op dat punt aanpassingen van het bouwplan van VAB en/of [derde belanghebbende] had moeten verlangen. Ook vreest [eiser] dat hij door de te realiseren appartementen in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt, gelet op de geluidnormen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) die gelden voor geluidsgevoelige functies zoals wonen. 8.2 Het college stelt in het verweerschrift dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op de omgevingsplanactiviteit, is vastgesteld dat het bouwplan past binnen de regels van het bestemmingsplan en het omgevingsplan. De omgevingsvergunning moest daarom worden verleend en er is geen ruimte om daarbij de veiligheid als gevolg van het gebruik van de uitweg door [eiser] te betrekken, aldus het college in het verweerschrift. 8.3 De rechtbank stelt vast dat [eiser] niet heeft bestreden dat het bouwplan past binnen de regels van het bestemmingsplan en het omgevingsplan (afgezien van de hiervoor besproken beroepsgrond over de bestemming ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’, waar een voorschrift voor is opgenomen). Gelet op het bepaalde in artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.29, eerste lid, van het omgevingsplan heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit moest worden verleend. De door [eiser] gestelde verkeersonveiligheid of de geluidnormen uit het Bal voor geluidgevoelige functies spelen daarbij geen rol. Datzelfde geldt voor de stelling van [eiser] dat door de bouw van de appartementengebouwen zeer veel zonlicht wordt onttrokken aan zijn achtertuin en terras en zijn privacy (in de achtertuin en op het terras) onaanvaardbaar wordt aangetast. Hier kan bij de vergunningverlening niet meer aan worden getoetst, omdat deze elementen bij de bestemming al meegenomen zijn of hadden kunnen worden. Verder staat ook het recht van erfdienstbaarheid van [eiser] niet aan de vergunningverlening in de weg. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de tussenuitspraak al heeft geoordeeld dat een invulling van het bestemmingsplan mogelijk is waarbij de erfdienstbaarheid wordt gerespecteerd. [eiser] heeft niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat de bouw van de appartementengebouwen ertoe leidt dat hij geen gebruik meer kan maken van zijn recht van erfdienstbaarheid. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de tekeningen bij de stukken blijkt, dat de uitweg, gezien vanaf het perceel van [eiser] , een breedte heeft van 4,21 meter, oplopend naar 5,5 meter. Ter hoogte van de toegangsdeuren van beide appartementengebouwen is dit 4,8 meter. Nu een vrachtwagen een breedte heeft van maximaal 2,55 meter, zoals ter zitting is besproken, is ook niet aannemelijk dat de uitweg onvoldoende breed zou zijn om de deuren veilig te kunnen openen wanneer er een vrachtwagen staat. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 4.192 van het Bbl 9.1 [eiser] stelt dat het bouwplan in strijd is met artikel 4.192, eerste lid, van het Bbl. Volgens [eiser] kan namelijk de daarin voorgeschreven breedte van 1,1 meter van het toegangspad naar de hoofdtoegang naar alle waarschijnlijkheid niet worden gerealiseerd als er een voertuig op het toegangspad staat. Als gevolg van de bedrijfsvoering van [eiser] staat er vaak een voertuig op het toegangspad, of rijdt daar overheen. Daarmee moet volgens [eiser] rekening worden gehouden bij de beoordeling van de effectief beschikbare breedte. 9.2 Het college stelt in het verweerschrift dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op de (technische) bouwactiviteit, is vastgesteld dat het bouwplan voldoet aan de eisen van het Bbl en dat de omgevingsvergunning voor die activiteit daarom moest worden verleend. 9.3 De rechtbank overweegt dat artikel 4.192, eerste lid, van het Bbl de minimale breedte voorschrijft van het pad tussen de hoofdtoegang van een gebouw en de openbare weg, voor gevallen waarin de hoofdtoegang van een gebouw niet di Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. (…) Artikel 8.3b (beoordelingsregels bouwactiviteit) 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het bouwen van een nieuw bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de maatwerkregels die op grond van artikel 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld. (…). Besluit bouwwerken leefomgeving Artikel 4.192 (bereikbaarheid van een gebouw) 1. De hoofdtoegang van een gebouw met een toegankelijkheidssector, een woonfunctie als bedoeld in artikel 4.182, tweede lid, of een gebouw zonder toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.182, vijfde lid, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een pad of steiger voert met: een breedte van ten minste 1,1 m; en ij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m: een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 4.2.4. Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. (…). Bestemmingsplan ‘Wonen [plaats] , [adres 3] ’ Artikel 4 Waarde – Archeologie hoge verwachting (…) 4.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.2.1 Omgevingsvergunningplicht In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 4.2.2, zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op en in de in lid 4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 100 m² of meer: het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil; het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil; het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en wat