Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2019-04-25
ECLI:NL:RBGEL:2019:1781
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,865 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: 18/2757 en 18/2760
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaken tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. J.H. van Keeken),
en
de Burgemeester van de gemeente Ermelo te Ermelo, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2017 (het dwangsombesluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 2 januari 2018 (het invorderingsbesluit) heeft verweerder een verbeurde dwangsom van € 5.000 ingevorderd.
Bij besluit van 12 april 2018 (beslissing op bezwaar 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard (zaaknummer 18/2757).
Bij besluit van 19 april 2018 (beslissing op bezwaar 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard (zaaknummer 18/2760).
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Eisers gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Oosterveer en J.E. van Duuren.
Overwegingen
1. Verweerder heeft stukken overgelegd en de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 14 december 2018 heeft een bestuursrechter van deze rechtbank geoordeeld dat beperkte kennisname gerechtvaardigd is. Eiser heeft geen toestemming gegeven deze stukken bij de beoordeling te betrekken. De rechtbank zal deze stukken daarom, gelet op artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, niet bij de beoordeling betrekken.
2. De rechtbank stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar tegen de last onder dwangsom mede betrekking op het invorderingsbesluit. Dat impliceert dat verweerder in dat geval tegelijkertijd moet beslissen op het bezwaar tegen de last onder dwangsom en op het bezwaar tegen het invorderingsbesluit. Verweerder heeft dit, in strijd met de wet, bij beslissing op bezwaar 1 niet gedaan. Daaruit volgt ook dat beslissing op bezwaar 2 eveneens in strijd met de wet genomen is. De beroepen zijn in zoverre gegrond.
De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser bespreken. Met het oog op finale geschilbeslechting zal zij bezien of de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissingen op bezwaar in stand kunnen blijven.
3.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 1 september 2017 heeft de politie, eenheid Oost Nederland, een bestuurlijke rapportage opgemaakt over eiser. Daarin is beschreven wat over eiser is waargenomen op 1 augustus 2017 en 15 augustus 2017. Ook is vermeld dat eiser op 15 augustus 2017 is aangehouden en dat hij toen substanties, vermoedelijk harddrugs, in bezit had. Uit onderzoek blijkt dat het gaat om:
- 23 wikkels met cocaïne, met een totaal gewicht van 15,31 gram;
- 3 plastic ampullen met GHB, met een totale inhoud van 1,2 milliliter.
3.2.
Op 19 november 2017 heeft de politie een voertuig gecontroleerd. Eiser is in dat voertuig als bijrijder aangetroffen. Op de achterbank zat een onbekende vrouw, die heeft verklaard dat zij drugs wilde kopen van eiser. Eiser en de onbekende vrouw zijn aangehouden. Bij de insluiting op het politiebureau zijn bij eiser drie wikkels aangetroffen met vermoedelijk harddrugs. Uit onderzoek blijkt dat het gaat om cocaïne met een gewicht van 2,46 gram.
Het dwangsombesluit
4. De last die verweerder heeft opgelegd houdt het volgende in:
“Om niet binnen de gemeente Ermelo op of aan de weg post te vatten of u daar heen en weer te bewegen en u op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijk doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.”
en
“De hoogte van de dwangsom bedraagt € 5.000,00 (vijfduizend euro) per elke geconstateerde overtreding van artikel 2:74, eerste lid, van de APV, met een maximum van € 20.000,00 (twintigduizend euro).”.
Deze last is opgelegd, omdat eiser op 1 en 15 augustus 2017 in het centrum van Ermelo artikel 2:74, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Ermelo 2016 (hierna: APV) heeft overtreden.
5. Artikel 2:74 van de APV luidt als volgt:
“Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.”.
6.1.
Eiser voert allereerst aan dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 2:74 van de APV. Volgens eiser blijkt uit het politierapport alleen maar dat hij op 1 en 15 augustus 2017 de braderie in Ermelo heeft bezocht. Uit het rapport blijkt niet dat eiser op 1 augustus 2017 harddrugs heeft aangeboden en afgeleverd. Op 15 augustus 2017 is alleen maar gezien dat eiser iets aan een bezoeker overhandigt. Het ging hier om een gevallen muntje. Dat de bij eiser tijdens de aanhouding aangetroffen substanties indicatief positief zijn getest op cocaïne, leidt ook niet zonder meer tot de conclusie dat eiser deze middelen heeft afgeleverd, aangeboden of verworven dan wel daarbij behulpzaam is geweest of heeft bemiddeld, aldus eiser.
6.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de door politieambtenaren beschreven waarnemingen op 1 en 15 augustus 2017 kan worden afgeleid dat eiser betrokken is bij drugshandel. Op 15 augustus 2017 is waargenomen dat eiser iets aan een horecabezoeker heeft overhandigd, dat die bezoeker weg liep naar de achterzijde van het VVV kantoor en daar iets naar zijn neus bracht en opsnoof. Dat het hier alleen maar ging om een gevallen muntje, zoals eiser stelt, is niet aannemelijk. Daar komt bij dat eiser kort daarna is aangehouden en dat bij hem middelen zijn aangetroffen, waarvan na forensisch onderzoek is vastgesteld dat het ging om 23 wikkels cocaïne met een totaal gewicht van 15,31 gram en GHB. Uit de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie kan worden afgeleid dat dit in ieder geval wat betreft de cocaïne wordt beschouwd als een handelshoeveelheid verdovende middelen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is bij de aanwezigheid van een hoeveelheid harddrugs die de gebruikershoeveelheid overschrijdt in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
Op basis van deze feiten kan worden vastgesteld dat eiser in ieder geval behulpzaam is geweest bij de handel in drugs op openbare plaatsen in de gemeente Ermelo. Eiser heeft daarmee artikel 2:74 van de APV overtreden. Verweerder is dan ook bevoegd om handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.
7.1.
Eiser stelt dat het dwangsombesluit onbevoegd is genomen. Bij de beslissing op bezwaar is het dwangsombesluit ook niet expliciet bekrachtigd door verweerder.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat van een bevoegdheidsgebrek geen sprake is, reeds omdat beslissing op bezwaar 1 door verweerder is genomen en ondertekend. De beroepsgrond slaagt niet.
8.1.
Eiser stelt ten slotte dat de beslissing op bezwaar is genomen in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Verweerder had in de eerste plaats kunnen volstaan met het geven van een waarschuwing. Mocht een last onder dwangsom toch noodzakelijk zijn dan had verweerder kunnen volstaan met een lagere dwangsom. Het bedrag staat nu niet in redelijke verhouding tot de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang. Verweerder mag in deze afweging niet voorbij gaan aan de individuele belangen van eiser door te stellen dat de handel in drugs een inbreuk maakt op de woon- en leefsituatie van de samenleving.
8.2.
Verweerder heeft toegelicht dat een last onder dwangsom wordt opgelegd om drugshandel binnen de gemeente terug te dringen. Volgens verweerder veroorzaakt drugshandel groot maatschappelijk leed. Het belang van handhavend optreden bij overtreding van artikel 2:74 van de APV, bestaande uit het terugdringen van drugshandel, rechtvaardigt volgens verweerder het opleggen van een dwangsom.
De rechtbank acht dit standpunt niet onredelijk. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden in dit concrete geval dusdanig onevenredig is dat van handhaving had moeten worden afgezien of dat verweerder had moeten overgaan tot het geven van een waarschuwing.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de beslissingen op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
- gelast dat verweerder de door eiser betaalde griffierechten van € 340 aan hem vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.024.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, mr. drs. J.H. van Breda en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier.
Dictum
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2787.
ECLI:NL:RBZWB:2017:418. Overigens heeft de Afdeling het hoger beroep van verweerder op dat punt gegrond verklaard (zie de uitspraak genoemd in noot 1).