Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:9773
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,738 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9773 text/xml public 2026-05-06T10:00:21 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-22 NL26.18986 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9773 text/html public 2026-05-01T11:35:30 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9773 Rechtbank Den Haag , 22-04-2026 / NL26.18986 Vreemdelingenbewaring - artikel 6, derde lid, Vw - Schengengebied uitgereisd - geen zeer bijzonder geval - ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18986 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop 1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn broer zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 2. Eiser stelt [naam] te heten, te zijn geboren in [maand] 2010 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. 3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond. 4. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. 5. Eiser voert aan hij ten onrechte in grensdetentie zit. Eiser was het Schengengebied namelijk al binnen. Dat blijkt uit het feit dat hij onderweg naar de gate met een nationaal paspoort van India binnen Schiphol de grenscontrole is gepasseerd. Daarnaast voert eiser aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan het grensbewakingsbelang. Eiser wilde samen met zijn broer en zijn vader uitreizen. Zij hebben er, onder meer gelet op de leeftijd van zijn vader, belang bij om bij elkaar te blijven. Eisers vader werd echter uit vreemdelingenbewaring vrijgelaten vanwege een vermeende TBC-bestemming. Eisers vader bleek niet besmet te zijn, maar hij is nu wel gescheiden van zijn zoons en de asielaanvragen van eiser en zijn vader lopen niet meer synchroon. Dit, terwijl eisers vader afhankelijk is van zijn zoons. 6. De rechtbank overweegt als volgt. 7. Niet in geschil is dat eiser met een nationaal paspoort van India de paspoortcontrole op Schiphol is gepasseerd. Volgens vaste jurisprudentie is eiser daardoor het Schengengebied uitgereisd. Dat betekent dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend aan de buitengrens van het Schengengebied, terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Naar het oordeel van de rechtbank wordt onder deze omstandigheden in beginsel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. 8. Verder vereist het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in zeer bijzondere gevallen afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De wens van eiser om bij zijn vader te blijven is begrijpelijk en de rechtbank ziet dat het eiser zwaar valt om van zijn vader gescheiden te zijn. Daarmee is echter nog geen sprake van een zeer bijzonder geval. Het is namelijk niet gebleken dat eiser en zijn vader zo afhankelijk van elkaar zijn dat verweerder het grensbewakingsbelang moet opheffen om eiser bij zijn vader te kunnen laten verblijven. Eiser heeft dit standpunt onvoldoende concreet onderbouwd. 9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24417. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9773 text/xml public 2026-05-06T10:00:21 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-22 NL26.18986 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9773 text/html public 2026-05-01T11:35:30 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9773 Rechtbank Den Haag , 22-04-2026 / NL26.18986 Vreemdelingenbewaring - artikel 6, derde lid, Vw - Schengengebied uitgereisd - geen zeer bijzonder geval - ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18986 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop 1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn broer zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 2. Eiser stelt [naam] te heten, te zijn geboren in [maand] 2010 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. 3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond. 4. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. 5. Eiser voert aan hij ten onrechte in grensdetentie zit. Eiser was het Schengengebied namelijk al binnen. Dat blijkt uit het feit dat hij onderweg naar de gate met een nationaal paspoort van India binnen Schiphol de grenscontrole is gepasseerd. Daarnaast voert eiser aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan het grensbewakingsbelang. Eiser wilde samen met zijn broer en zijn vader uitreizen. Zij hebben er, onder meer gelet op de leeftijd van zijn vader, belang bij om bij elkaar te blijven. Eisers vader werd echter uit vreemdelingenbewaring vrijgelaten vanwege een vermeende TBC-bestemming. Eisers vader bleek niet besmet te zijn, maar hij is nu wel gescheiden van zijn zoons en de asielaanvragen van eiser en zijn vader lopen niet meer synchroon. Dit, terwijl eisers vader afhankelijk is van zijn zoons. 6. De rechtbank overweegt als volgt. 7. Niet in geschil is dat eiser met een nationaal paspoort van India de paspoortcontrole op Schiphol is gepasseerd. Volgens vaste jurisprudentie is eiser daardoor het Schengengebied uitgereisd. Dat betekent dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend aan de buitengrens van het Schengengebied, terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Naar het oordeel van de rechtbank wordt onder deze omstandigheden in beginsel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. 8. Verder vereist het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in zeer bijzondere gevallen afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De wens van eiser om bij zijn vader te blijven is begrijpelijk en de rechtbank ziet dat het eiser zwaar valt om van zijn vader gescheiden te zijn. Daarmee is echter nog geen sprake van een zeer bijzonder geval. Het is namelijk niet gebleken dat eiser en zijn vader zo afhankelijk van elkaar zijn dat verweerder het grensbewakingsbelang moet opheffen om eiser bij zijn vader te kunnen laten verblijven. Eiser heeft dit standpunt onvoldoende concreet onderbouwd. 9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24417. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.