Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:8831
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,489 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8831 text/xml public 2026-04-30T09:30:16 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 12069982 \ RP VERZ 26-50094 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8831 text/html public 2026-04-21T15:05:06 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8831 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / 12069982 \ RP VERZ 26-50094 nietig ontslag op staande voet bij BBL-overeenkomst, billijke vergoeding gelijk aan de verzochte vergoeding. RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag esm/c Zaaknummer / rekestnummer: 12069982 \ RP VERZ 26-50094 Beschikking van 16 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats 1], verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker], gemachtigde: mr. C.M. van der Burg, tegen 1 [verweerders sub 1] V.O.F., te [vestigingsplaats], 2. [verweerders sub 2], vennoot van verweerder sub 1 , te [woonplaats 2], 3. [verweerders sub 3], vennoot van verweerder sub 1 , te [woonplaats 2], verwerende partijen, hierna samen te noemen: [verweerders], gemachtigde: mr. W. van Leuveren. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, - het verweerschrift, - de e-mail van de griffier van 17 maart 2026 aan [verzoeker], - de nadere stukken van [verzoeker], - de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verweerders] is een onderneming die zich bezighoudt met werkzaamheden op het gebied van engineering/elektrotechniek. 2.2. [verzoeker], geboren [geboortedatum] 2007, is sinds 1 september 2025 in dienst bij [verweerders] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 augustus 2026. De functie van [verzoeker] is beroepsbegeleidende leerweg(BBL)-leerling monteur met een loon van € 1.545,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Op deze overeenkomst is CAO metaal & Techniek (Klein Metaal) van toepassing en de Wet educatie en beroepsonderwijs. 2.3. In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst staat: “Artikel 2. Contractduur/Proeftijd/Opzegging (…) 2. (…) Voorts zal deze arbeidsovereenkomst automatisch eindigen op de dag dat de beroepspraktijkovereenkomst in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg, (…), voortijdig door de werknemer, of door de opleider wordt beëindigd, ongeacht de reden van beëindiging. 3. De arbeidsovereenkomst kan door beide partijen gedurende de arbeidsovereenkomst worden opgezegd.” 2.4. Naast de arbeidsovereenkomst is een beroepspraktijkovereenkomst gesloten tussen [verzoeker], [de school] en [verweerders]. In deze praktijkovereenkomst staat - voor zover van belang - het volgende: “12. Duur en beëindiging overeenkomst (…) 12.4. De praktijk overeenkomst kan (buitengerechtelijk) worden ontbonden: a. Door het leerbedrijf als de student zich ondanks nadrukkelijke (herhaalde) waarschuwing, niet houdt aan gedragsregels zoals genoemd in artikel 9.2 van deze algemene voorwaarden. b. Door een van de partijen als op grond van zwaarwegende omstandigheden in redelijkheid niet langer van deze partij kan worden verlangd de praktijkovereenkomst te laten voortduren. c. Door een van de partijen als mboRijnland, de student of het leerbedrijf de hem bij wet of in de praktijkovereenkomst opgelegde verplichtingen niet nakomt. Door de student of het leerbedrijf, als de arbeidsovereenkomst (indien aanwezig) tussen de student en het leerbedrijf wordt beëindigd. 12.5. Een ontbinding door een van de partijen op grond van artikel 12.4 vindt schriftelijk plaats aan de andere partijen wel vermelding van de reden van ontbinding. 12.6. Voorafgaand aan een ontbinding op grond van artikel 12.4 onder c dient de partij die zijn verplichtingen niet nakomt door de andere partijen in de gelegenheid te worden gesteld om binnen een termijn ven twee weken alsnog zijn verplichtingen na te komen. Een schriftelijke ingebrekestelling is niet nodig indien nakoming blijvend onmogelijk is of als de partij reeds te kennen heeft gegeven zijn verplichtingen niet meer na te zullen komen en het stellen van een termijn overbodig is.” 2.5. [verzoeker] heeft zich op 24 november 2025 ziek gemeld bij [verweerders]. 2.6. Per e-mail van 28 november 2025 heeft [verweerders] aan [verzoeker] bericht dat de arbeidsovereenkomst niet verder wordt voortgezet. Bij brief van gelijke datum is dat aan hem bevestigd. In deze brief staat het volgende: (…) “Wij hebben geconstateerd dat jij structureel werkzaamheden bij derden hebt verricht in de avond- en nachturen. Hierdoor kon je je werkzaamheden bij werkgever niet naar behoren uitvoeren, hetgeen in strijd is met jouw verplichting om je functie naar beste vermogen te vervullen. Ook heeft dit jouw ontwikkeling binnen ons bedrijf in de weg gestaan. Daarnaast hebben wij vanuit jouw onderwijsinstelling vernomen dat je vrijwel niet aanwezig bent geweest op jouw opleiding, terwijl je verplicht bent de onderwijsdag te volgen als onderdeel van jouw arbeidsovereenkomst, conform artikel 1 lid 5. Het doel van deze arbeidsovereenkomst is het volgen en afronden van de BBL-opleiding Electrotechniek. Wij constateren dat dit doel niet langer haalbaar is en dat voortzetting van het dienstverband niet zinvol is. Gelet op het bovenstaande concluderen we dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Daarom beëindigen wij de arbeidsovereenkomst per direct. De arbeidsovereenkomst eindigt op 28-11-2025. Wij hebben de onderwijsinstelling inmiddels geïnformeerd en een verzoek ingediend tot beëindiging van de BPV/POK.” 2.7. Bij brief van 8 januari 2026 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen het ontslag en verzocht om wedertewerkstelling, zodra [verzoeker] arbeidsgeschikt is. 2.8. Bij brief van 14 januari 2026 heeft de gemachtigde van [verweerders] gereageerd en geschreven: “(…) Wel wijs ik u er op dat de inzet van uw client zowel bij cliënte als op de opleiding ernstig te wensen over heeft gelaten en dat uw client zijn gedrag en houding – ondanks gesprekken met cliënte en de opleiding – niet ten goede heeft aangepast. Een en ander is voor de opleiding uiteindelijk aanleiding geweest de praktijkovereenkomst met uw client per 28 november 2025 te beëindigen. Daarmee is ook van rechtswege de arbeidsovereenkomst tussen uw client en cliënte beëindigd (artikel 2 lid 2 arbeidsovereenkomst).” 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] heeft ter zitting zijn verzoek gewijzigd. [verzoeker] berust in het ontslag en verzoekt de kantonrechter om hem een billijke vergoeding van € 1.545,00 bruto toe te kennen en verzoekt om [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan hem van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 3.090,00 bruto, subsidiair een gefixeerde schadevergoeding van 9 maanden, en de transitievergoeding van € 516,41 bruto. Daarnaast verzoekt [verzoeker] [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan hem van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.500,00 en de proceskosten. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [verzoeker] voert het volgende aan. 3.2. Geen van de twee redenen genoemd in de ontslagbrief van 28 november 2025 van [verweerders] is juist. [verzoeker] heeft niet structureel werkzaamheden bij derden verricht. Daarnaast heeft [verzoeker] zijn opleiding op correcte wijze gevolgd. Beide redenen kunnen dan ook geen reden zijn voor ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker]. Daarmee is er geen dringende reden en een onterecht ontslag op staande voet. [verweerders] heeft de overeenkomst opgezegd en contact opgenomen met de school. Vervolgens heeft de school de praktijkopleiding beëindigd, niet andersom. De overeenkomst was dus niet al van rechtswege geëindigd, toen [verweerders] de ontslagbrief stuurde. Bovendien geldt het opzegverbod van ziekte. [verzoeker] was al vanaf 24 november 2025 ziek. Ook om die reden is het ontslag niet rechtsgeldig. Dat hij heeft verzuimd op school is niet juist. Door ziekte was hij al vanaf 3 november 2025 niet in staat om alle lessen te volgen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8831 text/xml public 2026-04-30T09:30:16 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 12069982 \ RP VERZ 26-50094 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8831 text/html public 2026-04-21T15:05:06 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8831 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / 12069982 \ RP VERZ 26-50094 nietig ontslag op staande voet bij BBL-overeenkomst, billijke vergoeding gelijk aan de verzochte vergoeding. RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag esm/c Zaaknummer / rekestnummer: 12069982 \ RP VERZ 26-50094 Beschikking van 16 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats 1], verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker], gemachtigde: mr. C.M. van der Burg, tegen 1 [verweerders sub 1] V.O.F., te [vestigingsplaats], 2. [verweerders sub 2], vennoot van verweerder sub 1 , te [woonplaats 2], 3. [verweerders sub 3], vennoot van verweerder sub 1 , te [woonplaats 2], verwerende partijen, hierna samen te noemen: [verweerders], gemachtigde: mr. W. van Leuveren. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, - het verweerschrift, - de e-mail van de griffier van 17 maart 2026 aan [verzoeker], - de nadere stukken van [verzoeker], - de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verweerders] is een onderneming die zich bezighoudt met werkzaamheden op het gebied van engineering/elektrotechniek. 2.2. [verzoeker], geboren [geboortedatum] 2007, is sinds 1 september 2025 in dienst bij [verweerders] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 augustus 2026. De functie van [verzoeker] is beroepsbegeleidende leerweg(BBL)-leerling monteur met een loon van € 1.545,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Op deze overeenkomst is CAO metaal & Techniek (Klein Metaal) van toepassing en de Wet educatie en beroepsonderwijs. 2.3. In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst staat: “Artikel 2. Contractduur/Proeftijd/Opzegging (…) 2. (…) Voorts zal deze arbeidsovereenkomst automatisch eindigen op de dag dat de beroepspraktijkovereenkomst in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg, (…), voortijdig door de werknemer, of door de opleider wordt beëindigd, ongeacht de reden van beëindiging. 3. De arbeidsovereenkomst kan door beide partijen gedurende de arbeidsovereenkomst worden opgezegd.” 2.4. Naast de arbeidsovereenkomst is een beroepspraktijkovereenkomst gesloten tussen [verzoeker], [de school] en [verweerders]. In deze praktijkovereenkomst staat - voor zover van belang - het volgende: “12. Duur en beëindiging overeenkomst (…) 12.4. De praktijk overeenkomst kan (buitengerechtelijk) worden ontbonden: a. Door het leerbedrijf als de student zich ondanks nadrukkelijke (herhaalde) waarschuwing, niet houdt aan gedragsregels zoals genoemd in artikel 9.2 van deze algemene voorwaarden. b. Door een van de partijen als op grond van zwaarwegende omstandigheden in redelijkheid niet langer van deze partij kan worden verlangd de praktijkovereenkomst te laten voortduren. c. Door een van de partijen als mboRijnland, de student of het leerbedrijf de hem bij wet of in de praktijkovereenkomst opgelegde verplichtingen niet nakomt. Door de student of het leerbedrijf, als de arbeidsovereenkomst (indien aanwezig) tussen de student en het leerbedrijf wordt beëindigd. 12.5. Een ontbinding door een van de partijen op grond van artikel 12.4 vindt schriftelijk plaats aan de andere partijen wel vermelding van de reden van ontbinding. 12.6. Voorafgaand aan een ontbinding op grond van artikel 12.4 onder c dient de partij die zijn verplichtingen niet nakomt door de andere partijen in de gelegenheid te worden gesteld om binnen een termijn ven twee weken alsnog zijn verplichtingen na te komen. Een schriftelijke ingebrekestelling is niet nodig indien nakoming blijvend onmogelijk is of als de partij reeds te kennen heeft gegeven zijn verplichtingen niet meer na te zullen komen en het stellen van een termijn overbodig is.” 2.5. [verzoeker] heeft zich op 24 november 2025 ziek gemeld bij [verweerders]. 2.6. Per e-mail van 28 november 2025 heeft [verweerders] aan [verzoeker] bericht dat de arbeidsovereenkomst niet verder wordt voortgezet. Bij brief van gelijke datum is dat aan hem bevestigd. In deze brief staat het volgende: (…) “Wij hebben geconstateerd dat jij structureel werkzaamheden bij derden hebt verricht in de avond- en nachturen. Hierdoor kon je je werkzaamheden bij werkgever niet naar behoren uitvoeren, hetgeen in strijd is met jouw verplichting om je functie naar beste vermogen te vervullen. Ook heeft dit jouw ontwikkeling binnen ons bedrijf in de weg gestaan. Daarnaast hebben wij vanuit jouw onderwijsinstelling vernomen dat je vrijwel niet aanwezig bent geweest op jouw opleiding, terwijl je verplicht bent de onderwijsdag te volgen als onderdeel van jouw arbeidsovereenkomst, conform artikel 1 lid 5. Het doel van deze arbeidsovereenkomst is het volgen en afronden van de BBL-opleiding Electrotechniek. Wij constateren dat dit doel niet langer haalbaar is en dat voortzetting van het dienstverband niet zinvol is. Gelet op het bovenstaande concluderen we dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Daarom beëindigen wij de arbeidsovereenkomst per direct. De arbeidsovereenkomst eindigt op 28-11-2025. Wij hebben de onderwijsinstelling inmiddels geïnformeerd en een verzoek ingediend tot beëindiging van de BPV/POK.” 2.7. Bij brief van 8 januari 2026 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen het ontslag en verzocht om wedertewerkstelling, zodra [verzoeker] arbeidsgeschikt is. 2.8. Bij brief van 14 januari 2026 heeft de gemachtigde van [verweerders] gereageerd en geschreven: “(…) Wel wijs ik u er op dat de inzet van uw client zowel bij cliënte als op de opleiding ernstig te wensen over heeft gelaten en dat uw client zijn gedrag en houding – ondanks gesprekken met cliënte en de opleiding – niet ten goede heeft aangepast. Een en ander is voor de opleiding uiteindelijk aanleiding geweest de praktijkovereenkomst met uw client per 28 november 2025 te beëindigen. Daarmee is ook van rechtswege de arbeidsovereenkomst tussen uw client en cliënte beëindigd (artikel 2 lid 2 arbeidsovereenkomst).” 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] heeft ter zitting zijn verzoek gewijzigd. [verzoeker] berust in het ontslag en verzoekt de kantonrechter om hem een billijke vergoeding van € 1.545,00 bruto toe te kennen en verzoekt om [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan hem van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 3.090,00 bruto, subsidiair een gefixeerde schadevergoeding van 9 maanden, en de transitievergoeding van € 516,41 bruto. Daarnaast verzoekt [verzoeker] [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan hem van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.500,00 en de proceskosten. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [verzoeker] voert het volgende aan. 3.2. Geen van de twee redenen genoemd in de ontslagbrief van 28 november 2025 van [verweerders] is juist. [verzoeker] heeft niet structureel werkzaamheden bij derden verricht. Daarnaast heeft [verzoeker] zijn opleiding op correcte wijze gevolgd. Beide redenen kunnen dan ook geen reden zijn voor ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker]. Daarmee is er geen dringende reden en een onterecht ontslag op staande voet. [verweerders] heeft de overeenkomst opgezegd en contact opgenomen met de school. Vervolgens heeft de school de praktijkopleiding beëindigd, niet andersom. De overeenkomst was dus niet al van rechtswege geëindigd, toen [verweerders] de ontslagbrief stuurde. Bovendien geldt het opzegverbod van ziekte. [verzoeker] was al vanaf 24 november 2025 ziek. Ook om die reden is het ontslag niet rechtsgeldig. Dat hij heeft verzuimd op school is niet juist. Door ziekte was hij al vanaf 3 november 2025 niet in staat om alle lessen te volgen.
Volledig
Dit heeft zijn huisarts ook bevestigd. Ook de school heeft verklaard dat zijn afwezigheid verband hield met de medische situatie van [verzoeker]. 3.3. [verweerders] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerders] voert ‑ samengevat ‑ aan dat de school op 28 november 2025 de studieovereenkomst met [verzoeker] heeft beëindigd. Daardoor is de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege geëindigd op grond van artikel 2 lid 2 van de arbeidsovereenkomst. [verweerders] heeft dit in haar opzegging op 28 november 2025 proberen te zeggen. [verzoeker] viel vaak in slaap op het werk, ook in ruimten waar dit in strijd is met de veiligheidsvoorschriften. [verzoeker] gaf aan in de avond vaak werk voor zijn neef te doen. Dit blijkt uit verklaringen van meerdere werknemers van [verweerders]. [verzoeker] heeft daarnaast niet voldaan aan de opleidingsvoorwaarden. Hij heeft geen enkel studiepunt gehaald en geen van de 7 opdrachten heeft hij ingeleverd. Ook heeft hij ruim de helft van de schooluren verzuimd. [verweerders] heeft geen ontslag op staande voet willen geven. Voor zover de opzegging wordt gezien als een ontslag op staande voet, heeft dit ontslag geen effect omdat dit ontslag op grond van 3:49 en 3:53 lid 1 BW is vernietigd door de brief van [verzoeker] van 8 januari 2026 waarin hij het ontslag heeft vernietigd. Er is geen reden voor het toekennen van een billijke vergoeding vanwege de ernstige verwijten die aan [verzoeker] worden gemaakt. Als er een billijke vergoeding wordt toegekend, verzoekt [verweerders] deze te matigen. De transitievergoeding is door [verzoeker] over een verkeerde periode berekend. Deze vergoeding wordt berekend over de feitelijke looptijd van de arbeidsovereenkomst, niet over de tijd dat deze nog had geduurd. De juiste transitievergoeding bedraagt € 135,79. [verweerders] betwist dat er meer is gedaan dan ter voorbereiding en instructie van de zaak. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is bovendien niet conform de daarvoor geldende staffel. [verzoeker] heeft zelf geen materiële schade, want hij procedeert op basis van een toevoeging. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [verweerders] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Van belang om te vermelden is dat het hier gaat om een arbeidsovereenkomst in het kader van de Beroeps Begeleidende Leerweg(BBL), waarnaast ook een beroepspraktijkopleiding is gesloten tussen [verzoeker], de school en [verweerders]. 4.2. [verweerders] voert als meest verstrekkende verweer aan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege is geëindigd, omdat de school de beroepspraktijk-overeenkomst met [verzoeker] op 28 november 2025 heeft beëindigd. De opzegging en het ontslag op staande voet door [verweerders] op dezelfde dag heeft hiermee geen rechtsgevolg, aldus [verweerders]. Dit verweer wordt verworpen. Uit de door [verzoeker] overgelegde correspondentie tussen [verzoeker] en de school volgt dat de school op 28 november 2025 gebeld is door [verweerders]. De school heeft, nadat zij van [verweerders] had gehoord dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] zou worden beëindigd, de praktijkopleiding met [verzoeker] beëindigd. Het initiatief voor deze beëindiging lag bij [verweerders] en niet bij de school. Dit is ter zitting ook door [verweerders] bevestigd. Met deze vaststelling (dat [verweerders] de overeenkomst met [verzoeker] heeft beëindigd), moet worden beoordeeld of de opzegging op 28 november 2025 door [verweerders] rechtsgeldig is geweest. 4.3. Naar het oordeel van de kantonrechter is deze opzegging te kwalificeren als een ontslag op staande voet, omdat de arbeidsovereenkomst per direct door [verweerders] is beëindigd. De stelling van [verweerders] dat het ontslag is vernietigd door de brief van 8 januari 2026 van [verzoeker], gaat niet op. Een gegeven ontslag op staande voet kan enkel door de kantonrechter vernietigd worden, niet door een partij zelf. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De stelling van [verzoeker] dat er sprake is van het opzegverbod wegens ziekte hoeft daarom niet meer besproken te worden. 4.4. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen. 4.5. De door [verweerders] in de brief van 28 november 2025 aangevoerde redenen voor het ontslag op staande voet, te weten het structureel verrichten van werk bij derden in de avond- en nachtelijke uren en het niet aanwezig zijn op zijn opleiding leveren naar het oordeel van de kantonrechter op zichzelf geen dringende reden op. Voor wat betreft het verrichten van nevenwerkzaamheden en het in slaap vallen op het werk geldt dat dit kennelijk vaker is voorgekomen. Als [verweerders] vond dat dit niet langer getolereerd kon worden en een volgende keer de druppel zou zijn, had [verweerders] [verzoeker] dit duidelijk moeten maken in een schriftelijke waarschuwing, alvorens over te gaan tot de meest verstrekkende arbeidsrechtelijke maatregel. Voor wat betreft het niet aanwezig zijn op school geldt hetzelfde. [verzoeker] heeft gesteld dat die afwezigheid te maken had met ziekte. Wat daar ook van zij, het had op de weg van [verweerders] gelegen om eerst helderheid te krijgen over de vraag of afwezigheid van [verzoeker] op school inderdaad ongeoorloofd was en hem te waarschuwen dat als dit nog een keer zou gebeuren, ontslag zou volgen. Bovendien is niet voldaan aan het vereiste van onverwijldheid. [verweerders] heeft niet gesteld dat zij, nadat zij van de in de brief genoemde gedragingen kennis heeft gekregen, direct is overgegaan tot het verlenen van ontslag. 4.6. Uit het voorgaande volgt dat de brief van 28 november 2025 ook niet kan gelden als een ontbinding als bedoeld in artikel 12.4 sub b van de beroepspraktijkovereenkomst omdat de door [verweerders] genoemde redenen niet als zwaarwegende omstandigheden kwalificeren. Als [verweerders] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] had willen ontbinden op grond van artikel 12.4 sub c van de beroepspraktijkovereenkomst wegens het niet nakomen van zijn verplichtingen, had zij daarvoor de route moeten volgen die in artikel 12.5 en 12.6 zijn genoemd, te weten een schriftelijke ingebrekestelling aan het adres van [verzoeker] en bij geen verbetering een schriftelijke ontbinding gericht aan zowel [verzoeker] als de school. Die route heeft [verweerders] echter niet gevolgd. 4.7. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. 4.8. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Volledig
Dit heeft zijn huisarts ook bevestigd. Ook de school heeft verklaard dat zijn afwezigheid verband hield met de medische situatie van [verzoeker]. 3.3. [verweerders] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerders] voert ‑ samengevat ‑ aan dat de school op 28 november 2025 de studieovereenkomst met [verzoeker] heeft beëindigd. Daardoor is de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege geëindigd op grond van artikel 2 lid 2 van de arbeidsovereenkomst. [verweerders] heeft dit in haar opzegging op 28 november 2025 proberen te zeggen. [verzoeker] viel vaak in slaap op het werk, ook in ruimten waar dit in strijd is met de veiligheidsvoorschriften. [verzoeker] gaf aan in de avond vaak werk voor zijn neef te doen. Dit blijkt uit verklaringen van meerdere werknemers van [verweerders]. [verzoeker] heeft daarnaast niet voldaan aan de opleidingsvoorwaarden. Hij heeft geen enkel studiepunt gehaald en geen van de 7 opdrachten heeft hij ingeleverd. Ook heeft hij ruim de helft van de schooluren verzuimd. [verweerders] heeft geen ontslag op staande voet willen geven. Voor zover de opzegging wordt gezien als een ontslag op staande voet, heeft dit ontslag geen effect omdat dit ontslag op grond van 3:49 en 3:53 lid 1 BW is vernietigd door de brief van [verzoeker] van 8 januari 2026 waarin hij het ontslag heeft vernietigd. Er is geen reden voor het toekennen van een billijke vergoeding vanwege de ernstige verwijten die aan [verzoeker] worden gemaakt. Als er een billijke vergoeding wordt toegekend, verzoekt [verweerders] deze te matigen. De transitievergoeding is door [verzoeker] over een verkeerde periode berekend. Deze vergoeding wordt berekend over de feitelijke looptijd van de arbeidsovereenkomst, niet over de tijd dat deze nog had geduurd. De juiste transitievergoeding bedraagt € 135,79. [verweerders] betwist dat er meer is gedaan dan ter voorbereiding en instructie van de zaak. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is bovendien niet conform de daarvoor geldende staffel. [verzoeker] heeft zelf geen materiële schade, want hij procedeert op basis van een toevoeging. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [verweerders] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Van belang om te vermelden is dat het hier gaat om een arbeidsovereenkomst in het kader van de Beroeps Begeleidende Leerweg(BBL), waarnaast ook een beroepspraktijkopleiding is gesloten tussen [verzoeker], de school en [verweerders]. 4.2. [verweerders] voert als meest verstrekkende verweer aan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege is geëindigd, omdat de school de beroepspraktijk-overeenkomst met [verzoeker] op 28 november 2025 heeft beëindigd. De opzegging en het ontslag op staande voet door [verweerders] op dezelfde dag heeft hiermee geen rechtsgevolg, aldus [verweerders]. Dit verweer wordt verworpen. Uit de door [verzoeker] overgelegde correspondentie tussen [verzoeker] en de school volgt dat de school op 28 november 2025 gebeld is door [verweerders]. De school heeft, nadat zij van [verweerders] had gehoord dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] zou worden beëindigd, de praktijkopleiding met [verzoeker] beëindigd. Het initiatief voor deze beëindiging lag bij [verweerders] en niet bij de school. Dit is ter zitting ook door [verweerders] bevestigd. Met deze vaststelling (dat [verweerders] de overeenkomst met [verzoeker] heeft beëindigd), moet worden beoordeeld of de opzegging op 28 november 2025 door [verweerders] rechtsgeldig is geweest. 4.3. Naar het oordeel van de kantonrechter is deze opzegging te kwalificeren als een ontslag op staande voet, omdat de arbeidsovereenkomst per direct door [verweerders] is beëindigd. De stelling van [verweerders] dat het ontslag is vernietigd door de brief van 8 januari 2026 van [verzoeker], gaat niet op. Een gegeven ontslag op staande voet kan enkel door de kantonrechter vernietigd worden, niet door een partij zelf. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De stelling van [verzoeker] dat er sprake is van het opzegverbod wegens ziekte hoeft daarom niet meer besproken te worden. 4.4. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen. 4.5. De door [verweerders] in de brief van 28 november 2025 aangevoerde redenen voor het ontslag op staande voet, te weten het structureel verrichten van werk bij derden in de avond- en nachtelijke uren en het niet aanwezig zijn op zijn opleiding leveren naar het oordeel van de kantonrechter op zichzelf geen dringende reden op. Voor wat betreft het verrichten van nevenwerkzaamheden en het in slaap vallen op het werk geldt dat dit kennelijk vaker is voorgekomen. Als [verweerders] vond dat dit niet langer getolereerd kon worden en een volgende keer de druppel zou zijn, had [verweerders] [verzoeker] dit duidelijk moeten maken in een schriftelijke waarschuwing, alvorens over te gaan tot de meest verstrekkende arbeidsrechtelijke maatregel. Voor wat betreft het niet aanwezig zijn op school geldt hetzelfde. [verzoeker] heeft gesteld dat die afwezigheid te maken had met ziekte. Wat daar ook van zij, het had op de weg van [verweerders] gelegen om eerst helderheid te krijgen over de vraag of afwezigheid van [verzoeker] op school inderdaad ongeoorloofd was en hem te waarschuwen dat als dit nog een keer zou gebeuren, ontslag zou volgen. Bovendien is niet voldaan aan het vereiste van onverwijldheid. [verweerders] heeft niet gesteld dat zij, nadat zij van de in de brief genoemde gedragingen kennis heeft gekregen, direct is overgegaan tot het verlenen van ontslag. 4.6. Uit het voorgaande volgt dat de brief van 28 november 2025 ook niet kan gelden als een ontbinding als bedoeld in artikel 12.4 sub b van de beroepspraktijkovereenkomst omdat de door [verweerders] genoemde redenen niet als zwaarwegende omstandigheden kwalificeren. Als [verweerders] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] had willen ontbinden op grond van artikel 12.4 sub c van de beroepspraktijkovereenkomst wegens het niet nakomen van zijn verplichtingen, had zij daarvoor de route moeten volgen die in artikel 12.5 en 12.6 zijn genoemd, te weten een schriftelijke ingebrekestelling aan het adres van [verzoeker] en bij geen verbetering een schriftelijke ontbinding gericht aan zowel [verzoeker] als de school. Die route heeft [verweerders] echter niet gevolgd. 4.7. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. 4.8. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Volledig
Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 4.9. De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 1.545,00 bruto, zoals door [verzoeker] verzocht. Gezien de aard van de arbeidsovereenkomst (BBL), de omstandigheid dat het een overeenkomst voor de duur van twaalf maanden was, die na drie maanden is geëindigd en de leeftijd van [verzoeker], acht de kantonrechter deze vergoeding passend. 4.10. Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Omdat in de arbeidsovereenkomst staat – anders dan [verzoeker] aanvoert – dat tussentijds kan worden opgezegd met een opzegtermijn van één maand op grond van de cao, is de vergoeding gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 1.545,00 bruto. Omdat de primair gevorderde vergoeding niet geheel wordt toegewezen, wordt toegekomen aan de subsidiair gevorderde gefixeerde schadevergoeding. Deze vergoeding, ter hoogte van negen maanden bruto basissalaris, wordt afgewezen. Niet gesteld noch is gebleken op grond waarvan [verweerders] dit bedrag aan [verzoeker] verschuldigd zou zijn. Het uitgangspunt is dat deze schade wordt begroot op grond van de overeengekomen opzegtermijn. De opzegtermijn is een maand. Dat bedrag wordt toegewezen, zoals hiervoor overwogen. 4.11. Het verzoek om [verweerders] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen omdat de overeenkomst op initiatief van [verweerders] is geëindigd. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er ook geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [verweerders] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 135,79 bruto bedraagt. Er is geen recht op een hoger bedrag aan transitievergoeding. Deze vergoeding wordt immers berekend over de periode dat de werknemer in dienst is geweest. In dit geval was dat van 1 september 2025 tot en met 28 november 2025. 4.12. De door [verzoeker] gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn door [verweerders] gemotiveerd weersproken, in die zin dat er is weersproken dat deze werkzaamheden meer hebben omvat dat enkel werkzaamheden ter voorbereiding van de procedure. Tegenover die betwisting heeft [verzoeker] nagelaten een behoorlijke specificatie te verstrekken van de buiten rechte verrichte werkzaamheden, zodat deze vordering als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen. 4.13. De proceskosten komen voor rekening van [verweerders], omdat [verweerders] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [verweerders], hoofdelijk des dat de een betaalt de ander is bevrijd, om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 1.545,00 bruto, 5.2. veroordeelt [verweerders], hoofdelijk des dat de een betaalt de ander is bevrijd, om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 1.545,00 bruto, 5.3. veroordeelt [verweerders] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 516,41 bruto, 5.4. veroordeelt [verweerders] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 5.6. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr.drs. S.L.M. Staals en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026. Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW. Kamerstukken I , 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 ( New Hairstyle ). Artikel 7:672 lid 11 BW. Artikel 7:673 lid 1 BW. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Volledig
Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 4.9. De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 1.545,00 bruto, zoals door [verzoeker] verzocht. Gezien de aard van de arbeidsovereenkomst (BBL), de omstandigheid dat het een overeenkomst voor de duur van twaalf maanden was, die na drie maanden is geëindigd en de leeftijd van [verzoeker], acht de kantonrechter deze vergoeding passend. 4.10. Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Omdat in de arbeidsovereenkomst staat – anders dan [verzoeker] aanvoert – dat tussentijds kan worden opgezegd met een opzegtermijn van één maand op grond van de cao, is de vergoeding gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 1.545,00 bruto. Omdat de primair gevorderde vergoeding niet geheel wordt toegewezen, wordt toegekomen aan de subsidiair gevorderde gefixeerde schadevergoeding. Deze vergoeding, ter hoogte van negen maanden bruto basissalaris, wordt afgewezen. Niet gesteld noch is gebleken op grond waarvan [verweerders] dit bedrag aan [verzoeker] verschuldigd zou zijn. Het uitgangspunt is dat deze schade wordt begroot op grond van de overeengekomen opzegtermijn. De opzegtermijn is een maand. Dat bedrag wordt toegewezen, zoals hiervoor overwogen. 4.11. Het verzoek om [verweerders] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen omdat de overeenkomst op initiatief van [verweerders] is geëindigd. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er ook geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [verweerders] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 135,79 bruto bedraagt. Er is geen recht op een hoger bedrag aan transitievergoeding. Deze vergoeding wordt immers berekend over de periode dat de werknemer in dienst is geweest. In dit geval was dat van 1 september 2025 tot en met 28 november 2025. 4.12. De door [verzoeker] gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn door [verweerders] gemotiveerd weersproken, in die zin dat er is weersproken dat deze werkzaamheden meer hebben omvat dat enkel werkzaamheden ter voorbereiding van de procedure. Tegenover die betwisting heeft [verzoeker] nagelaten een behoorlijke specificatie te verstrekken van de buiten rechte verrichte werkzaamheden, zodat deze vordering als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen. 4.13. De proceskosten komen voor rekening van [verweerders], omdat [verweerders] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [verweerders], hoofdelijk des dat de een betaalt de ander is bevrijd, om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 1.545,00 bruto, 5.2. veroordeelt [verweerders], hoofdelijk des dat de een betaalt de ander is bevrijd, om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 1.545,00 bruto, 5.3. veroordeelt [verweerders] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 516,41 bruto, 5.4. veroordeelt [verweerders] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 5.6. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr.drs. S.L.M. Staals en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026. Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW. Kamerstukken I , 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 ( New Hairstyle ). Artikel 7:672 lid 11 BW. Artikel 7:673 lid 1 BW. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.