Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:8537
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,597 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8537 text/xml public 2026-04-13T17:00:30 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-09 NL26.17581 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8537 text/html public 2026-04-10T07:59:30 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8537 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / NL26.17581 Bewaring, geen gronden, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17581 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Luijendijk), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.J. de Vries). Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De maatregel van bewaring is op 7 april 2026 opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring? 2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de maatregel van bewaring. Ook op de zitting heeft de gemachtigde van eiser geen gronden naar voren gebracht en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank ziet echter in de door de minister verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie en gevolgen 2. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8537 text/xml public 2026-04-13T17:00:30 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-09 NL26.17581 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8537 text/html public 2026-04-10T07:59:30 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8537 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / NL26.17581 Bewaring, geen gronden, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17581 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Luijendijk), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.J. de Vries). Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De maatregel van bewaring is op 7 april 2026 opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring? 2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de maatregel van bewaring. Ook op de zitting heeft de gemachtigde van eiser geen gronden naar voren gebracht en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank ziet echter in de door de minister verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie en gevolgen 2. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).