Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:7629
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,090 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7629 text/xml public 2026-04-14T09:45:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 NL26.119 en NL26.120 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7629 text/html public 2026-04-14T09:44:42 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7629 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / NL26.119 en NL26.120 Asielaanvraag; Ghana; Beroep gegrond; Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen; Verweerder mocht eisers problemen met de Galamsey-personen ongeloofwaardig vinden; Verweerder mocht vinden dat eiser geen politieke overtuiging heeft; Verweerder mocht de asielaanvraag niet afwijzen als kennelijk ongegrond; De rechtbank wijst de asielaanvraag af als ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.119 (beroep) en NL26.120 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M. Timmer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L.F. Ludwig). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 16 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, K. Mensah als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Asielrelaas 2. Eiser heeft de Ghanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met de Galamsey-personen, omdat zijn oom in 2023 als burgemeester onbevoegd toestemming heeft gegeven voor illegale goudmijnbouw op het land van de gemeenschap. Op 7 juni 2024 heeft er een gevecht plaatsgevonden waarbij familieleden van eiser zijn vermoord. Eiser moest daarna vluchten. Eiser is in mei 2025 telefonisch bedreigd en aangevallen. Toen hij doodsbedreigingen bleef ontvangen, heeft hij besloten om Ghana te verlaten. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; Eisers problemen met de Galamsey-personen. 3.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt eisers problemen met de Galamsey-personen niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen geen samenhangend aannemelijk geheel vormen. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Ghana geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Verweerder heeft een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat eiser onmiddellijk moet terugkeren naar Ghana. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat hij niet is gehoord in overeenstemming met het beleid van verweerder. Dit heeft hem in de mogelijkheid beperkt om gedetailleerd te verklaren over zijn asielmotieven. In de geloofwaardigheidsbeoordeling is hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. Eiser is verder van mening dat ten onrechte is overwogen dat zijn verklaringen over zijn problemen met de Galamsey-personen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hij voert hiertoe een aantal argumenten aan. Daarnaast stelt eiser dat ten onrechte zijn politieke overtuiging niet is beoordeeld, nu uit zijn verklaringen kan worden opgemaakt dat hij een politieke overtuiging heeft. Tot slot voert eiser aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard , omdat in de overgelegde aangifte niet staat dat hij op 22 juli 2025 is aangevallen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Is eiser zorgvuldig gehoord? 6. Uit C1/2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat verweerder tijdens het nader gehoor de vreemdeling in de gelegenheid stelt om de gronden van zijn asielaanvraag aan te dragen. Uit Werkinstructie 2021/13 volgt dat de vreemdeling tijdens het asielrelaas in de gelegenheid wordt gesteld om in eigen woorden over de directe redenen van zijn asielaanvraag te spreken. Ter inleiding van het asielrelaas wordt eerst aangehaald wat de vreemdeling tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard over zijn asielmotieven en wordt gevraagd of dit klopt of dat hier wijzigingen en/of aanvullingen in zijn. Daarna gaat het erom dat de vreemdeling in eigen woorden vertelt over de directe reden(en) van zijn vertrek uit het land van herkomst of de reden(en) dat hij niet kan terugkeren naar het land van herkomst of gebruikelijke verblijfsplaats. Het is niet de bedoeling dat de vreemdeling al uitweidt over de aanleiding(en). Hierop kan tijdens de vraagstelling verder worden ingegaan. 6.1. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor niet in de gelegenheid is gesteld om eerst in zijn eigen woorden te vertellen wat de directe redenen zijn waarom hij zijn land van herkomst heeft verlaten. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat hij derhalve niet in overeenstemming met het hiervoor genoemde beleid van verweerder is gehoord. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en kent op dit punt een gebrek. 6.2. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Niet is gebleken dat eiser door deze schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is benadeeld. Eiser is tijdens het gehoor gevraagd of hij naast de problemen met de Galamsey-personen nog andere redenen heeft waarom hij om internationale bescherming vraagt. Eiser heeft daarop verklaard dat de bedreigingen de enige reden zijn. Ook is tweemaal aan eiser gevraagd wat de directe aanleiding vormde voor zijn vertrek uit Ghana. Vervolgens is eiser uitvoerig bevraagd over zijn oom, de problemen vanwege de mijnactiviteiten, de gebeurtenissen op 7 juni 2024, de schriftelijke verklaring over het incident, de bedreigingen in mei 2025 en de aangifte(s) die eiser wel en niet heeft gedaan. Tot slot heeft eiser antwoord gegeven op de vraag: “Is er nog iets waar ik nog niet naar heb gevraagd over dit onderwerp of wat u zelf nog zou willen toevoegen?” zonder dat is gebleken dat hij daarin is beperkt. De rechtbank is van oordeel dat eiser, ondanks dat zijn vrije relaas niet is opgetekend, voldoende in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de directe reden(en) van vertrek uit zijn land van herkomst. Eisers betoog dat hij is beperkt in de mogelijkheid om gedetailleerd te verklaren over zijn asielmotieven, volgt de rechtbank niet. Mocht verweerder eisers problemen met de Galamsey-personen ongeloofwaardig vinden? 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers problemen met de Galamsey-personen ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en overweegt daartoe als volgt. 7.1. Verweerder heeft allereerst kunnen tegenwerpen dat eiser vaag en onduidelijk heeft verklaard over hoe hij betrokken is geraakt bij het conflict met de Galamsey-personen. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser niet betrokken was bij de werkzaamheden van zijn oom en dat hij niets weet over de illegale deal die zijn oom met de Galamsey-personen heeft gesloten.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7629 text/xml public 2026-04-14T09:45:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 NL26.119 en NL26.120 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7629 text/html public 2026-04-14T09:44:42 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7629 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / NL26.119 en NL26.120 Asielaanvraag; Ghana; Beroep gegrond; Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen; Verweerder mocht eisers problemen met de Galamsey-personen ongeloofwaardig vinden; Verweerder mocht vinden dat eiser geen politieke overtuiging heeft; Verweerder mocht de asielaanvraag niet afwijzen als kennelijk ongegrond; De rechtbank wijst de asielaanvraag af als ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.119 (beroep) en NL26.120 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M. Timmer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L.F. Ludwig). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 16 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, K. Mensah als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Asielrelaas 2. Eiser heeft de Ghanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met de Galamsey-personen, omdat zijn oom in 2023 als burgemeester onbevoegd toestemming heeft gegeven voor illegale goudmijnbouw op het land van de gemeenschap. Op 7 juni 2024 heeft er een gevecht plaatsgevonden waarbij familieleden van eiser zijn vermoord. Eiser moest daarna vluchten. Eiser is in mei 2025 telefonisch bedreigd en aangevallen. Toen hij doodsbedreigingen bleef ontvangen, heeft hij besloten om Ghana te verlaten. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; Eisers problemen met de Galamsey-personen. 3.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt eisers problemen met de Galamsey-personen niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen geen samenhangend aannemelijk geheel vormen. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Ghana geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Verweerder heeft een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat eiser onmiddellijk moet terugkeren naar Ghana. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat hij niet is gehoord in overeenstemming met het beleid van verweerder. Dit heeft hem in de mogelijkheid beperkt om gedetailleerd te verklaren over zijn asielmotieven. In de geloofwaardigheidsbeoordeling is hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. Eiser is verder van mening dat ten onrechte is overwogen dat zijn verklaringen over zijn problemen met de Galamsey-personen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hij voert hiertoe een aantal argumenten aan. Daarnaast stelt eiser dat ten onrechte zijn politieke overtuiging niet is beoordeeld, nu uit zijn verklaringen kan worden opgemaakt dat hij een politieke overtuiging heeft. Tot slot voert eiser aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard , omdat in de overgelegde aangifte niet staat dat hij op 22 juli 2025 is aangevallen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Is eiser zorgvuldig gehoord? 6. Uit C1/2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat verweerder tijdens het nader gehoor de vreemdeling in de gelegenheid stelt om de gronden van zijn asielaanvraag aan te dragen. Uit Werkinstructie 2021/13 volgt dat de vreemdeling tijdens het asielrelaas in de gelegenheid wordt gesteld om in eigen woorden over de directe redenen van zijn asielaanvraag te spreken. Ter inleiding van het asielrelaas wordt eerst aangehaald wat de vreemdeling tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard over zijn asielmotieven en wordt gevraagd of dit klopt of dat hier wijzigingen en/of aanvullingen in zijn. Daarna gaat het erom dat de vreemdeling in eigen woorden vertelt over de directe reden(en) van zijn vertrek uit het land van herkomst of de reden(en) dat hij niet kan terugkeren naar het land van herkomst of gebruikelijke verblijfsplaats. Het is niet de bedoeling dat de vreemdeling al uitweidt over de aanleiding(en). Hierop kan tijdens de vraagstelling verder worden ingegaan. 6.1. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor niet in de gelegenheid is gesteld om eerst in zijn eigen woorden te vertellen wat de directe redenen zijn waarom hij zijn land van herkomst heeft verlaten. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat hij derhalve niet in overeenstemming met het hiervoor genoemde beleid van verweerder is gehoord. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en kent op dit punt een gebrek. 6.2. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Niet is gebleken dat eiser door deze schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is benadeeld. Eiser is tijdens het gehoor gevraagd of hij naast de problemen met de Galamsey-personen nog andere redenen heeft waarom hij om internationale bescherming vraagt. Eiser heeft daarop verklaard dat de bedreigingen de enige reden zijn. Ook is tweemaal aan eiser gevraagd wat de directe aanleiding vormde voor zijn vertrek uit Ghana. Vervolgens is eiser uitvoerig bevraagd over zijn oom, de problemen vanwege de mijnactiviteiten, de gebeurtenissen op 7 juni 2024, de schriftelijke verklaring over het incident, de bedreigingen in mei 2025 en de aangifte(s) die eiser wel en niet heeft gedaan. Tot slot heeft eiser antwoord gegeven op de vraag: “Is er nog iets waar ik nog niet naar heb gevraagd over dit onderwerp of wat u zelf nog zou willen toevoegen?” zonder dat is gebleken dat hij daarin is beperkt. De rechtbank is van oordeel dat eiser, ondanks dat zijn vrije relaas niet is opgetekend, voldoende in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de directe reden(en) van vertrek uit zijn land van herkomst. Eisers betoog dat hij is beperkt in de mogelijkheid om gedetailleerd te verklaren over zijn asielmotieven, volgt de rechtbank niet. Mocht verweerder eisers problemen met de Galamsey-personen ongeloofwaardig vinden? 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers problemen met de Galamsey-personen ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en overweegt daartoe als volgt. 7.1. Verweerder heeft allereerst kunnen tegenwerpen dat eiser vaag en onduidelijk heeft verklaard over hoe hij betrokken is geraakt bij het conflict met de Galamsey-personen. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser niet betrokken was bij de werkzaamheden van zijn oom en dat hij niets weet over de illegale deal die zijn oom met de Galamsey-personen heeft gesloten.
Volledig
Verweerder heeft ook kunnen tegenwerpen dat het onduidelijk is waarom zowel de mensen van de gemeenschap die de grond aan de illegale goudmijnbouw hebben verloren als de Galamsey-personen naar eisers huis kwamen en waarom eiser vervolgens de kant van de gemeenschap koos en zich actief ging mengen in het conflict. Verweerder heeft in dit kader relevant kunnen vinden dat uit eisers verklaringen namelijk niet blijkt dat hij in het dorp en de gemeenschap een rol van betekenis speelde. Eisers betoog dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd wat er vaag en onduidelijk is aan zijn verklaringen en wat er van hem wordt verwacht, slaagt gelet op het voorgaande niet. Dat in het bestreden besluit wordt gesuggereerd dat de persoonlijke opvattingen van de hoormedewerker en de beslisser een rol hebben gespeeld bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, volgt de rechtbank evenmin nu daar geen aanwijzingen voor zijn. 7.2. Verweerder heeft verder kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over het incident op 7 juni 2024 en de gevolgen daarvan niet te volgen zijn. Verweerder heeft mogen betrekken dat eiser geen overlijdensakte van de overleden familieleden heeft overgelegd en ook geen formele documentatie van de gebeurtenis waarbij doden zijn gevallen. In het bestreden besluit, en ook ter zitting, heeft verweerder afdoende toegelicht dat deze tegenwerping onderdeel is van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 31, zesde lid, en wel onder b van de Vw. Eiser heeft wel een verklaring, opgesteld door Galamsey-personen zelf, overgelegd maar verweerder heeft beperkte waarde aan dit document mogen hechten omdat het niet kan worden onderzocht op echtheid en er geen datum op de verklaring staat vermeld. Bovendien heeft verweerder opmerkelijk kunnen vinden dat eiser geen aangifte heeft gedaan van het incident op 7 juni 2024, terwijl hij zou zijn mishandeld, en dat hij daarna nog lange tijd in het land heeft verbleven en in die periode door dezelfde personen meermalen zou zijn bedreigd. Eisers betoog dat de overige verklaringen over het incident op 7 juni 2024 niet zijn beoordeeld en dat daarom van hun geloofwaardigheid moet worden uitgegaan, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk niet geconcretiseerd welke verklaringen niet zijn meegenomen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder heeft daarnaast kunnen betrekken dat eiser niet heeft kunnen verklaren waarom hij in mei 2025 weer problemen kreeg met de Galamsey-personen, nu hij tussen 7 juni 2024 en mei 2025 geen problemen heeft ondervonden. Daarbij heeft verweerder kunnen stellen dat niet valt in te zien hoe deze personen eisers telefoonnummer en locatie hebben achterhaald. Eisers betoog dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de term ‘onnavolgbaar’, leidt ook niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft ter zitting voldoende toegelicht dat hiermee wordt bedoeld dat eisers verklaringen niet te volgen zijn. 7.3. Verweerder heeft tot slot kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over de aangifte van 23 juli 2025 onsamenhangend zijn. Zo heeft eiser eerst verklaard dat hij na het incident in mei 2025 deze aangifte deed. Ook heeft hij verklaard dat hij doorlopend dreigementen op zijn telefoon ontving, en daarom naar de politie ging. Als de hoormedewerker vervolgens aan eiser voorlegt dat in de aangifte niet terug te lezen is dat hij in mei 2025 is aangevallen, geeft eiser aan dat hij hiervoor niet naar de politie is gegaan. Voorgaande verklaringen rijmen niet met elkaar. Verweerder wijst er terecht op dat in de aangifte niets staat vermeld over de telefonische bedreigingen die hij van Galamsey-personen heeft ontvangen. Ook staat niet vermeld dat eiser is aangevallen door Galamsey-personen. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de gebeurtenissen waarvan eiser stelt dat hij aangifte heeft gedaan, niet zijn opgenomen in de aangifte en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielmotief. 7.4. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn tegenwerping dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer hij op de hoogte is geraakt van de dood van zijn familieleden. Eiser heeft inderdaad, zoals verweerder stelt, in de correcties en aanvullingen van het nader gehoor zijn verbetering van ‘twee dagen geleden’ naar ‘twee dagen na het incident’ niet toegelicht. Hij heeft ter zitting echter uitgelegd waarom hij dacht dat dat niet hoefde, namelijk omdat hij aannam dat het ging om een misverstand. Deze uitleg kan de rechtbank volgen omdat ook ter zitting onduidelijkheid ontstond over het verschil tussen de woorden ‘ago / geleden’ en ‘after / na’. Nu de overige tegenwerpingen van verweerder overeind blijven, heeft verweerder dit asielmotief toch ongeloofwaardig mogen vinden. Mocht verweerder vinden dat eiser geen politieke overtuiging heeft? 8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder ten onrechte zijn politieke overtuiging niet heeft beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat uit eisers verklaringen niet kan worden afgeleid dat hij een politieke overtuiging heeft en daarom bij terugkeer gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. In de beroepsgronden en ter zitting is dit ook niet nader onderbouwd. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat eiser tijdens het gehoor op de vraag of hij ooit persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging of door hem ontplooide politieke activiteiten, ontkennend heeft geantwoord. Mocht verweerder de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond? 9. Verweerder heeft de verklaringen van eiser beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig, omdat in de aangifte die eiser heeft overgelegd zou staan dat hij op 22 juli 2025 is aangevallen, hetgeen strijdig is met de datum van mei 2025 die eiser zelf heeft genoemd. Eiser heeft hier terecht tegen aangevoerd dat in de overgelegde aangifte, anders dan verweerder aanneemt, niet staat dat eiser op 22 juli 2025 is aangevallen. Ook is de door verweerder gelegde link tussen de aangifte en het incident van mei 2025 niet te volgen. Deze beroepsgrond slaagt daarom. Dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zoals hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om te kunnen concluderen dat die verklaringen kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Dat betekent dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. 10. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslecht de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Daartoe is redengevend dat verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Daarom legt de rechtbank deze motivering van verweerder ten grondslag aan haar oordeel. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 30b van de Vw en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. 12. Gelet op overweging 10 zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de asielaanvraag van eiser af te wijzen als ongegrond. Deze uitspraak geldt ook als terugkeerbesluit. Omdat verweerder, buiten de kennelijk ongegrondheid, geen andere gronden heeft gegeven waarom eiser een vertrektermijn kon worden onthouden, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de vertrektermijn vier weken bedraagt en dat deze aanvangt met ingang van de dag na verzending van deze uitspraak. Omdat Ghana het herkomstland van eiser is, moet hij daarheen vertrekken. 13.
Volledig
Verweerder heeft ook kunnen tegenwerpen dat het onduidelijk is waarom zowel de mensen van de gemeenschap die de grond aan de illegale goudmijnbouw hebben verloren als de Galamsey-personen naar eisers huis kwamen en waarom eiser vervolgens de kant van de gemeenschap koos en zich actief ging mengen in het conflict. Verweerder heeft in dit kader relevant kunnen vinden dat uit eisers verklaringen namelijk niet blijkt dat hij in het dorp en de gemeenschap een rol van betekenis speelde. Eisers betoog dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd wat er vaag en onduidelijk is aan zijn verklaringen en wat er van hem wordt verwacht, slaagt gelet op het voorgaande niet. Dat in het bestreden besluit wordt gesuggereerd dat de persoonlijke opvattingen van de hoormedewerker en de beslisser een rol hebben gespeeld bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, volgt de rechtbank evenmin nu daar geen aanwijzingen voor zijn. 7.2. Verweerder heeft verder kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over het incident op 7 juni 2024 en de gevolgen daarvan niet te volgen zijn. Verweerder heeft mogen betrekken dat eiser geen overlijdensakte van de overleden familieleden heeft overgelegd en ook geen formele documentatie van de gebeurtenis waarbij doden zijn gevallen. In het bestreden besluit, en ook ter zitting, heeft verweerder afdoende toegelicht dat deze tegenwerping onderdeel is van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 31, zesde lid, en wel onder b van de Vw. Eiser heeft wel een verklaring, opgesteld door Galamsey-personen zelf, overgelegd maar verweerder heeft beperkte waarde aan dit document mogen hechten omdat het niet kan worden onderzocht op echtheid en er geen datum op de verklaring staat vermeld. Bovendien heeft verweerder opmerkelijk kunnen vinden dat eiser geen aangifte heeft gedaan van het incident op 7 juni 2024, terwijl hij zou zijn mishandeld, en dat hij daarna nog lange tijd in het land heeft verbleven en in die periode door dezelfde personen meermalen zou zijn bedreigd. Eisers betoog dat de overige verklaringen over het incident op 7 juni 2024 niet zijn beoordeeld en dat daarom van hun geloofwaardigheid moet worden uitgegaan, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk niet geconcretiseerd welke verklaringen niet zijn meegenomen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder heeft daarnaast kunnen betrekken dat eiser niet heeft kunnen verklaren waarom hij in mei 2025 weer problemen kreeg met de Galamsey-personen, nu hij tussen 7 juni 2024 en mei 2025 geen problemen heeft ondervonden. Daarbij heeft verweerder kunnen stellen dat niet valt in te zien hoe deze personen eisers telefoonnummer en locatie hebben achterhaald. Eisers betoog dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de term ‘onnavolgbaar’, leidt ook niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft ter zitting voldoende toegelicht dat hiermee wordt bedoeld dat eisers verklaringen niet te volgen zijn. 7.3. Verweerder heeft tot slot kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over de aangifte van 23 juli 2025 onsamenhangend zijn. Zo heeft eiser eerst verklaard dat hij na het incident in mei 2025 deze aangifte deed. Ook heeft hij verklaard dat hij doorlopend dreigementen op zijn telefoon ontving, en daarom naar de politie ging. Als de hoormedewerker vervolgens aan eiser voorlegt dat in de aangifte niet terug te lezen is dat hij in mei 2025 is aangevallen, geeft eiser aan dat hij hiervoor niet naar de politie is gegaan. Voorgaande verklaringen rijmen niet met elkaar. Verweerder wijst er terecht op dat in de aangifte niets staat vermeld over de telefonische bedreigingen die hij van Galamsey-personen heeft ontvangen. Ook staat niet vermeld dat eiser is aangevallen door Galamsey-personen. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de gebeurtenissen waarvan eiser stelt dat hij aangifte heeft gedaan, niet zijn opgenomen in de aangifte en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielmotief. 7.4. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn tegenwerping dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer hij op de hoogte is geraakt van de dood van zijn familieleden. Eiser heeft inderdaad, zoals verweerder stelt, in de correcties en aanvullingen van het nader gehoor zijn verbetering van ‘twee dagen geleden’ naar ‘twee dagen na het incident’ niet toegelicht. Hij heeft ter zitting echter uitgelegd waarom hij dacht dat dat niet hoefde, namelijk omdat hij aannam dat het ging om een misverstand. Deze uitleg kan de rechtbank volgen omdat ook ter zitting onduidelijkheid ontstond over het verschil tussen de woorden ‘ago / geleden’ en ‘after / na’. Nu de overige tegenwerpingen van verweerder overeind blijven, heeft verweerder dit asielmotief toch ongeloofwaardig mogen vinden. Mocht verweerder vinden dat eiser geen politieke overtuiging heeft? 8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder ten onrechte zijn politieke overtuiging niet heeft beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat uit eisers verklaringen niet kan worden afgeleid dat hij een politieke overtuiging heeft en daarom bij terugkeer gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. In de beroepsgronden en ter zitting is dit ook niet nader onderbouwd. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat eiser tijdens het gehoor op de vraag of hij ooit persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging of door hem ontplooide politieke activiteiten, ontkennend heeft geantwoord. Mocht verweerder de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond? 9. Verweerder heeft de verklaringen van eiser beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig, omdat in de aangifte die eiser heeft overgelegd zou staan dat hij op 22 juli 2025 is aangevallen, hetgeen strijdig is met de datum van mei 2025 die eiser zelf heeft genoemd. Eiser heeft hier terecht tegen aangevoerd dat in de overgelegde aangifte, anders dan verweerder aanneemt, niet staat dat eiser op 22 juli 2025 is aangevallen. Ook is de door verweerder gelegde link tussen de aangifte en het incident van mei 2025 niet te volgen. Deze beroepsgrond slaagt daarom. Dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zoals hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om te kunnen concluderen dat die verklaringen kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Dat betekent dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. 10. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslecht de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Daartoe is redengevend dat verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Daarom legt de rechtbank deze motivering van verweerder ten grondslag aan haar oordeel. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 30b van de Vw en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. 12. Gelet op overweging 10 zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de asielaanvraag van eiser af te wijzen als ongegrond. Deze uitspraak geldt ook als terugkeerbesluit. Omdat verweerder, buiten de kennelijk ongegrondheid, geen andere gronden heeft gegeven waarom eiser een vertrektermijn kon worden onthouden, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de vertrektermijn vier weken bedraagt en dat deze aanvangt met ingang van de dag na verzending van deze uitspraak. Omdat Ghana het herkomstland van eiser is, moet hij daarheen vertrekken. 13.