Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:18456
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,661 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.48853 en NL24.48854
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A de Graaf).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 22 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 december 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.2.
Op 22 januari 2025 heeft een aanvullende zitting plaatsgevonden om eiser de gelegenheid te geven gehoord te worden. Verweerder heeft zich onthouden van verdere reactie.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Senegalese nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Rond zijn twaalfde is eiser bewust geworden van zijn biseksuele gerichtheid, hoewel eiser daarvoor al seksuele relaties met andere jongens onderhield. Eiser heeft dit in Senegal altijd verborgen moeten houden omdat (seksuele) relaties tussen mensen van gelijk geslacht daar niet worden geaccepteerd en zelfs bestraft worden. In 2017 of 2018 is eiser verhuisd naar Dakar en is hij een relatie aangegaan met [naam 1] , een jeugdvriend. Eiser en [naam 1] hebben een relatie gehad totdat [naam 1] in 2023 naar Amerika is gegaan. Ondertussen heeft eiser in 2022 [naam 2] leren kennen als vriend. Na het vertrek van [naam 1] en denkend dat [naam 2] homoseksueel was, heeft eiser [naam 2] tijdens een bezoek gekust. [naam 2] heeft eiser echter weggeduwd en gedreigd iedereen hierover te vertellen en eiser te vermoorden. Ongeveer een week later is eiser uit Senegal gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser gediscrimineerd en vermoord te worden.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De problemen vanwege eisers seksualiteit worden niet geloofd. Verweerder stelt zich hiervoor op het standpunt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo geeft eiser onvoldoende inzicht in zijn gevoelens en gedachten over zijn bewustwording van zijn seksualiteit en hoe het is om dit verborgen te moeten houden. Daarbij verklaart eiser ongerijmd en oppervlakkig over zijn relatie met [naam 1] . Verder zijn de door eiser gestelde problemen vaag. Zo volgt niet waarom eiser dacht dat [naam 2] homoseksueel zou zijn of waarom eiser het risico zou nemen hem te kussen. Ook is eiser vaag over de gevolgen aangezien eiser daarna geen contact meer met [naam 2] heeft gehad en niet duidelijk is of hij zijn dreigementen heeft opgevolgd. Eisers kennis over de Senegalese wetgeving is ook niet doorslaggevend. Daar komt bij dat Senegal is aangemerkt als veilig land van herkomst en niet wordt geloofd dat eiser behoort tot de uitzonderingsgroep van LHBTI. Verder neemt verweerder geen gegronde vrees voor vervolging aan of dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Daarnaast wordt eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Tot slot krijgt eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder in het gehoor te intieme vragen heeft gesteld en daarom niet in lijn met werkinstructie (WI) 2019/17 heeft gehandeld. Te meer zo omdat geen rekening is gehouden met eisers referentiekader ten aanzien van zijn cultuur, afkomst en persoonlijke omstandigheden, en eiser niet is voorbereid op het gehoor. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte eisers huidige relatie met een man in het detentiecentrum niet meegewogen waardoor er een zorgvuldigheidgebrek en motiveringsgebrek is ontstaan. Verder heeft verweerder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen onvoldoende persoonlijk, authentiek en inzichtelijk zijn bevonden. Eiser heeft volledige bereidheid te verklaren getoond in het gehoor en het is de verantwoordelijkheid van verweerder om door te vragen als nadere toelichting gewenst is. Hierdoor is ook het fair-play beginsel geschonden. Verweerder heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat de relatie met [naam 1] fases heeft gekend. De verklaring van eiser over het begin van de relatie en de verdere ontwikkeling is dan ook niet tegenstrijdig. Ook heeft verweerder ten onrechte eisers verklaringen over het incident met [naam 2] oppervlakkig bevonden. Rekening moet worden gehouden met eisers persoonlijke situatie en ervaring, en dat het achteraf een risicovolle keuze is gebleken doet niet af aan de geloofwaardigheid. Er is daarnaast geen blijk dat de beoordeling in overeenstemming met WI 2019/17 is afgestemd met een LHBTI-coördinator en dat de hoormedewerker voldoende expertise op dit gebied heeft gehad. Verder volgt uit WI 2024/8 dat, indien daar aanleiding toe is, de behandeling van de aanvraag moet worden overgezet naar spoor 4. Gelet op de aangevoerde aanwijzingen over eisers geaardheid, had verweerder hier aanleiding toe moeten zien. Ook is de aanvraag ten onrechte afgedaan als kennelijk ongegrond nu zijn seksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig wordt geacht en Senegal geen veilig land van herkomst is voor LHBTI-personen. Daar komt bij dat het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en het inreisverbod van twee jaar disproportioneel zijn. Senegal is voor eiser niet veilig om naar terug te keren en er is geen sprake van criminele antecedenten of verstoring van de openbare orde. Het inreisverbod vormt bovendien een onevenredige inbreuk op het recht op privéleven als in artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Veilig land van herkomst
5. In de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 januari 2025 is de vraag aan de orde geweest of de minister een land kan aanwijzen als veilig land van herkomst als zij een groep uitzondert van die aanwijzing. De rechtbank heeft geoordeeld dat het uitzonderen van groepen zich niet verdraagt met de aanwijzing van een land als veilig in de zin van de Procedurerichtlijn. De rechtbank heeft artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het Voorschrift vreemdelingen 2000 (Vv) daarom onverbindend verklaard.
5.1.
Ter zitting heeft de rechtbank partijen deze uitspraak voorgehouden en partijen gevraagd of die uitspraak consequenties heeft voor deze zaak, nu verweerder Senegal in deze zaak als veilig land van herkomst heeft aangemerkt terwijl er groepen zijn uitgezonderd van deze aanwijzing.
5.2.
Verweerder heeft voorop gesteld dat hij vindt dat de rechtbank hiermee buiten het geschil treedt omdat eiser geen beroep op deze uitspraak heeft gedaan. Ook is er hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld door verweerder. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat het asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig is bevonden en verzoekt de rechtbank, indien zij de uitspraak wel meeneemt, zelf in de zaak te voorzien.
5.3.
Eiser is van mening dat dit des te meer onderschrijft dat Senegal voor hem geen veilig land van herkomst is en dat verweerder zijn aanvraag via een andere procedure had moeten behandelen. In dat geval had eiser ook beter voorbereid kunnen worden op het (nader) gehoor. Nu is eisers relaas niet goed naar voren gekomen, wat inhoudt dat hij voordeel zou hebben bij een uitgebreidere behandeling.
5.4.
De rechtbank ziet aanleiding om de uitspraak van 8 januari 2025 wel bij deze uitspraak te betrekken. Daartoe is redengevend dat de rechtbank in de uitspraak van 8 januari 2025 de toepassing van artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vv algemeen onverbindend heeft verklaard, waardoor de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst – ook in deze zaak – niet op een draagkrachtige motivering berust en verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de asielaanvraag van eiser te behandelen in de versnelde procedure van Spoor 2 met grensdetentie. Daar komt bij dat verweerder, nu de afwijzing van kennelijk ongegrond alleen is gebaseerd op de aanmerking van Senegal als veilig land van herkomst, de asielaanvraag van eiser ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 30b van de Vw en het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel van artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.2.
Gelet op rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5 zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de asielaanvraag van eiser af te wijzen als ongegrond. Deze uitspraak geldt ook als terugkeerbesluit. Omdat verweerder – buiten de kennelijke ongegrondheid – geen andere gronden heeft gegeven waarom eiser een vertrektermijn van vier weken kon worden onthouden, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de vertrektermijn vier weken bedraagt en dat deze aanvangt met ingang van de dag na verzending van deze uitspraak. Omdat Senegal het land van herkomst van eiser is, moet hij daarheen vertrekken.
7.3.
Omdat het bestreden besluit – waar het terugkeerbesluit onderdeel van is – is vernietigd, komt daarmee ook de grondslag voor het bij dat besluit opgelegde inreisverbod te vervallen en wordt dit vernietigd. Nu eiser geen vertrektermijn kan worden onthouden, bestaat geen mogelijkheid meer een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw op te leggen.
7.4.
De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
7.5.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
7.6.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening wordt verweerder in de proceskosten veroordeeld. Deze vergoeding bedraagt € 907,- (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
wijst de asielaanvraag af als ongegrond;
bepaalt dat eiser binnen vier weken na verzending van deze uitspraak moet vertrekken naar Senegal;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:172, r.o. 7 e.v.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:341.
Zie WI 2019/17 paragraaf 2.2 Onderzoek onder ad 3, pag. 3.
Verslag gehoor veilig land van herkomst, pag. 18.
Verslag gehoor veilig land van herkomst, pag. 17.
Verslag gehoor veilig land van herkomst, pag. 20.
Verslag gehoor veilig land van herkomst, pag. 22.
Verslag gehoor veilig land van herkomst. pag. 23.
Verslag gehoor veilig land van herkomst, pag. 24 en 25.
Verslag gehoor veilig land van herkomst, pag. 28.
Verslag gehoor veilig land van herkomst, pag. 21.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Vw.
Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1331, ov. 7.1.
Beoordeling
Dit houdt daardoor ook in dat verweerder eiser geen vertrektermijn heeft kunnen onthouden en geen inreisverbod van twee jaar op heeft kunnen leggen.
Wat betekent dat voor deze zaak?
5.5.
In vergelijking met de uitspraak van 8 januari 2025 ziet de rechtbank desalniettemin wel voldoende aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, met het oog op finale geschilbeslechting.
5.6.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser heeft beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Dat licht de rechtbank hierna toe.
Gehoor
5.7.
Eiser heeft gesteld dat hij is benadeeld doordat zijn aanvraag ten onrechte in de versnelde procedure is behandeld en hij niet is voorbereid op het gehoor. De rechtbank begrijpt deze stelling zo, dat eiser hierdoor niet alles omtrent zijn asielrelaas naar voren heeft kunnen brengen. Dat dit zo is, is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar zou eiser zonder toepassing van de versnelde grensprocedure een apart nader gehoor met voorbereiding hebben gehad, dat eiser in dat geval anders zou hebben verklaard is echter niet toegelicht en de rechtbank heeft hiervoor ook geen concrete aanknopingspunten. De rechtbank weegt in dit verband mee dat ook uit de geringe correcties en aanvullingen geen tendens blijkt dat verdere omstandigheden die de kern van zijn asielrelaas raken niet aan bod zijn gekomen en dat eiser niet alles heeft kunnen verklaren.
5.8.
Het betoog dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende rekening te gehouden met het referentiekader van eiser en door het fair-play beginsel te schenden volgt de rechtbank niet. Eiser betoogt dat rekening gehouden moet worden met de cultuur, afkomst en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat met de gehanteerde werkwijze in beginsel al voldoende rekening wordt gehouden met de culturele achtergrond van de vreemdeling en aan eiser tegengeworpen dat niet concreet is toegelicht waar verweerder ten onrechte geen of onvoldoende rekening mee heeft gehouden. Hoewel dit inderdaad op zijn weg had gelegen, heeft eiser in bezwaar en beroep niet concreet gemaakt met welke individuele omstandigheden ten onrechte geen rekening is gehouden. Bovendien mag van eiser verwacht worden dat hij het zo snel mogelijk aanvoert indien verweerder zijn verklaringen verkeerd heeft geduid of dat verweerder te veel van eiser verwacht. In dit geval zou dat in de eerste plaats in de correcties en aanvullingen en de zienswijze naar voren moeten zijn gekomen. Dit blijkt echter niet uit de correcties en aanvullingen en in zijn zienswijze is slechts opgemerkt dat eiser in het voornemen ten onrechte is aangemerkt als homoseksueel in plaats van biseksueel. Dat is in het bestreden besluit echter gecorrigeerd. Verder is niet gebleken dat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd of eiser onvoldoende gelegenheid heeft geboden om zijn asielrelaas naar voren te brengen. Daarbij heeft verweerder eiser ook tijdens het gehoor gewezen op oneffenheden of onduidelijkheden in zijn verklaringen en eiser de gelegenheid geboden te reageren. Ook het betoog van eiser dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel en fair-play beginsel heeft geschonden door in het voornemen aan te geven dat de verklaringen onvoldoende zijn zonder hier in het gehoor op te wijzen, slaagt zodoende niet. Bovendien kan niet voorbij gegaan worden aan eisers eigen verantwoordelijkheid om een zo volledig mogelijke verklaring af te geven.
5.9.
Wat betreft de stelling van eiser dat verweerder te intieme vragen heeft gesteld tijdens het gehoor, het volgende. Volgens WI 2019/7 worden er door verweerder geen expliciete vragen gesteld over seksuele handelingen of activiteiten. In het gehoor heeft verweerder, zoals eiser naar verwijst, gevraagd hoe vaak eiser seksuele relaties heeft gehad met [naam 3] . Hoewel beargumenteerd kan worden dat deze vraag de grens opzoekt, acht de rechtbank het niet duidelijk grensoverschrijdend omdat er niet expliciet naar specifieke seksuele handelingen of activiteiten wordt gevraagd. Ook is het antwoord van eiser op deze vraag in zijn geheel niet betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming, laat staan dat dit in eisers nadeel heeft meegewogen. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat het eiser heeft belemmerd in het verder afleggen van zijn verklaring door eventueel ontstane ongemak. Daar komt bij dat eiser – zelfs als wordt aangenomen dat deze vraag grensoverschrijdend zou zijn geweest – niet heeft kunnen aangeven wat precies de gevolgen hiervan moeten zijn. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om eiser te volgen in zijn stelling dat dit een onzorgvuldig tot stand gekomen gehoor moet opleveren.
5.10.
Eiser wordt tot slot niet gevolgd in zijn betoog dat de hoormedewerker onvoldoende expertise had om een gehoor met een LHBTI-motief af te nemen. Verweerder heeft ter zitting tegen kunnen werpen dat eiser niet concreet heeft kunnen aangeven waaruit blijkt dat de hoormedewerker niet over de juiste expertise beschikte, of anderzijds niet gekwalificeerd was het gehoor af te nemen. Overigens geeft ook eiser in zijn gronden aan dat de werkinstructie dit niet expliciet voorschrijft. Daar komt bij dat verweerder ter zitting heeft kunnen toelichten dat, ondanks dat dit uit het dossier niet blijkt, de zaak op 1 december 2024 is voorgelegd aan een LHBTI-coördinator. Te weten de heer [naam 4] . De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze toelichting van verweerder te twijfelen en eiser heeft deze toelichting, anders dan dat dit niet uit het dossier blijkt, in zoverre ook niet betwist.
5.11.
Van een onzorgvuldig tot stand gekomen gehoor is naar oordeel van de rechtbank gelet op voorgaande overwegingen dan ook geen sprake. De rechtbank zal hierna toelichten waarom verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden.
Problemen vanwege eisers seksuele geaardheid
6. Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat eisers problemen vanwege zijn seksuele geaardheid niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn bevonden. Zo heeft verweerder tegen kunnen werpen dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachten en gevoelens toen eiser achter zijn gevoelens voor mannen kwam. Verweerder heeft de omschrijving van eiser van zijn eerste seksuele relatie als “normaal” en dat hij er plezier aan beleefde oppervlakkig kunnen vinden. Ook op vragen hoe het voor eiser was om zijn seksuele geaardheid verborgen te moeten houden, geeft eiser alleen aan dat het verplicht was om dit te verbergen. Eisers verdere antwoorden na doorvragen heeft verweerder omschreven als onpersoonlijk omdat eiser onder andere de genoemde boosheid niet verder koppelt aan hoe het is om verborgen te moeten leven. De rechtbank volgt eiser wel in zijn betoog dat hij heeft willen ophelderen dat zijn seksuele relatie met [naam 1] in 2018 begon maar hij tijdens de Covid-pandemie meer romantische gevoelens voor hem is gaan ontwikkelen en van hem is gaan houden. Eiser is immers eerst gevraagd vanaf wanneer hij gevoelens voor [naam 1] heeft gehad en later vanaf wanneer eiser besefte dat hij meer dan vriendschappelijke gevoelens had. Deze verklaringen zijn dan niet zonder meer tegenstrijdig. Dit neemt voorgenoemde overwegingen echter niet weg en ook niet dat eiser verder oppervlakkig heeft verklaard over zijn relatie met [naam 1] . Hierover heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser van 2018 tot 2023 een relatie met [naam 1] heeft gehad maar slechts verklaarde hem leuk te vinden omdat hij schoon was, mooie kleding droeg en sympathiek was.