Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:6057
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,903 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6057 text/xml public 2026-04-01T09:11:34 2026-03-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-18 C/09/696475 / FA RK 25-9662 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6057 text/html public 2026-04-01T09:05:33 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6057 Rechtbank Den Haag , 18-02-2026 / C/09/696475 / FA RK 25-9662 Voorlopige voorzieningen. toevertrouwing, zorgregeling, voorlopige kali en pali Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-9662 Zaaknummer: C/09/696475 Datum beschikking: 18 februari 2026 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 19 december 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw], de vrouw, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E. Cekic in Uitgeest. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man], de man, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S.X.J. Zuidema in Heerlen. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift met een zelfstandig verzoek; het F9-formulier van 29 januari 2026, houdende een vermeerdering van het verzoek, met bijlagen, van de vrouw.; het F9-formulier van 29 januari 2026, met bijlagen, van de vrouw. de F9-formulieren van 29 januari 2026, met bijlagen, van de man. Op 30 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Feiten Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2020 in [plaats], [land 1]. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats], [geboorteland]; [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats], [geboorteland]. - De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat: de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd; er een zorgregeling tussen de man en de kinderen zal gelden, inhoudende dat: de kinderen elke woensdagmiddag bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen tussen 11.00 uur en 12.00 uur naar de man brengt en hij de kinderen om 18.00 uur naar de vrouw terugbrengt, alsook te bepalen dat de kinderen alleen vervoerd mogen worden met een autostoel; [minderjarige 1] om de week van vrijdag na school tot en met zondag 16.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige 1] ophaalt van school en op zondag naar de vrouw terugbrengt; [minderjarige 2] om de week bij de man verblijft, van vrijdagmiddag tot en met zaterdag om 13.00 uur waarbij [minderjarige 2] door de man wordt opgehaald en op zaterdag weer naar de vrouw wordt gebracht; de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen € 406,- per kind per maand aan de vrouw betaalt, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen; de man zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met € 1.335,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans een oordeel door de rechtbank in goede justitie te bepalen, kosten rechtens. De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt hij zelfstandig: het verzoek om een voorlopige voorziening voor wat betreft kinder- en partneralimentatie niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen wegens schending artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)/het ontbreken van voldoende dringend belang, subsidiair gedeeltelijk af te wijzen en gedeeltelijk toe te wijzen, rekening houdende met de door de man gestelde omstandigheden en met ingang van de datum van de beschikking, meer subsidiair een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie voorkomt; de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de man, die kunnen worden begroot op het griffierecht en de kosten van juridische bijstand (nader te specificeren), althans de forfaitaire proceskosten, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; alsmede deze beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht De Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe en past daarbij Nederlands recht toe. Ontvankelijkheid De man heeft primair verzocht om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken wegens schending van artikel 21 Rv dan wel omdat zij onvoldoende dringend belang heeft bij haar verzoeken. Subsidiair verzoekt de man om de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van voorlopige kinder- en partneralimentatie, omdat dit verzoek gebaseerd is op artikel 821 jo. 822 Rv en de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv geen grondslag biedt voor het wijzigen van een afspraak ten behoeve van kinder- en partneralimentatie. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op artikel 21 Rv als volgt. De rechtbank stelt vast dat de vrouw heeft verzuimd om mee te delen dat partijen onderling de afspraak hebben gemaakt dat de man € 1.000,- per maand betaalt aan de vrouw voor het levensonderhoud van de kinderen en/of de vrouw. Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de feiten aan te dragen die kunnen leiden tot de oplossing van een geschil. Als dit niet wordt gedaan, kan de rechtbank daaraan de consequenties verbinden die zij geraden acht. De rechtbank is het met de man eens het op de weg van de vrouw had gelegen om te vermelden dat de man momenteel (minimaal) € 1.000,- per maand aan haar overmaakt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan deze schending van artikel 21 Rv verdere gevolgen te verbinden. Ten aanzien van het beroep op artikelen 821 en 223 Rv overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw veel hoger is dan € 1.000,- per maand. Beide partijen hebben op zitting bovendien aangegeven dat het voor hen niet duidelijk is waarvoor het betaalde bedrag precies bedoeld is, omdat zij zijn overeengekomen dat de man naast het vaste bedrag van € 1000,- per maand ook “kosten van de kinderen” betaalt. Welke kosten dat precies zijn en welke kosten de vrouw uit de maandelijkse bijdrage van dient te betalen, is voor beide partijen onduidelijk. Die onduidelijkheid leidt tot veel discussies en (verdere escalatie van de) conflicten tussen partijen. Ook de rechtbank kan uit de overgelegde stukken niet opmaken wat partijen exact voor ogen heeft gestaan. Omdat voor partijen onduidelijk is wat de gemaakte afspraak precies inhoudt, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een tussen hen bestaande afspraak omtrent kinder- en partneralimentatie die in een procedure op grond van artikel 821 of 223 Rv niet gewijzigd zou kunnen worden. De vraag of de door de man aangehaalde uitspraken – die zie op de situatie waarin wordt gevraagd om wijziging van een door de rechtbank vastgestelde alimentatieverplichting – naar analogie moeten worden toegepast, behoeft daarom geen bespreking. De rechtbank oordeelt voorts dat de vrouw voldoende spoedeisend belang heeft bij haar verzoeken. Niet alleen omdat de door de man betaalde maandelijkse bijdrage onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen en de vrouw te voorzien, maar ook omdat de gemaakte afspraken voor partijen onduidelijk zijn en leiden tot conflicten en hoog oplopende discussies. Partijen komen op deze wijze niet verder en de steeds weer oplaaiende conflicten over de kosten van de kinderen staan constructief overleg over de afwikkeling van het huwelijk en de verdeling van de zorg voor de kinderen in de weg. Dit alles leidt tot de conclusie dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoeken.
Volledig
Toevertrouwing kinderen De man heeft aangegeven geen inhoudelijk verweer te voeren tegen de toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw, zodat de rechtbank dit verzoek van de vrouw zal toewijzen, ook omdat niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet. Zorgregeling Momenteel geven de ouders uitvoering aan de volgende, in onderling overleg overeengekomen, zorgregeling. [minderjarige 1] verblijft bij de man van woensdagochtend na de peuterspeelzaal tot donderdagmiddag voor de peuterspeelzaal en van vrijdagochtend na de peuterspeelzaal tot zaterdagavond 18.00 uur. [minderjarige 2] verblijft bij de man van woensdagochtend na de peuterspeelzaal tot woensdagavond 18:00 uur, van vrijdagochtend na de peuterspeelzaal tot vrijdagavond 18:00 uur en van zaterdagochtend 10.00 uur tot zaterdagavond 18:00 uur. In haar inleidende verzoekschrift gaat de vrouw ervan uit dat de man twee dagen per week de zorg voor de kinderen zal hebben. De vrouw heeft haar verzoek nadien gewijzigd in een regeling waarin de kinderen – kort samengevat – wekelijks op woensdag bij de man verblijven en om de week in het weekend. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar gewijzigde verzoek aangevoerd dat de kinderen als zij bij de man zijn voornamelijk door zijn moeder worden verzorgd, en niet door de man. De vrouw acht dit niet in het belang van de kinderen. De man heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat hij wil komen tot een regeling waarin de kinderen wekelijks 3 dagen, te weten van vrijdag tot en met zondag, bij hem verblijven. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat hij het in het belang van de kinderen vindt als de zorg evenwichtig wordt gedeeld door de ouders en dat hij graag zou willen dat de kinderen wekelijks van donderdag tot en met zaterdag bij hem zijn, zodat de kinderen met beide ouders één dag in het weekend door kunnen brengen. De man heeft betwist dat zijn moeder het merendeel van de zorg voor de kinderen op zich neemt. De rechtbank stelt vast dat beide ouders een vorm van co-ouderschap voor ogen hebben gehad. De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat een vorm van co-ouderschap het beste is voor de kinderen, als ouders hen dat kunnen bieden. De ouders geven ook al enige tijd uitvoering aan een regeling waarbij de kinderen 3 dagen per week bij de man zijn. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat er een vorm van co-ouderschap blijft bestaan. De rechtbank acht daarom de (meest recent) door de vrouw verzochte regeling niet in het belang van de kinderen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het in beginsel aan de man is om te bepalen hoe hij zijn tijd met de kinderen invult en hoe hij de verzorging en de opvoeding van de kinderen vormgeeft. De rechtbank merkt in dit kader op dat de vrouw ook van plan is om haar netwerk in te schakelen om de kinderen op te vangen op het moment dat zij een baan vindt. De rechtbank ziet dan ook geen redenen waarom geen uitvoering gegeven zou kunnen worden aan een co-ouderschapsregeling. De rechtbank stelt vast dat de regeling waaraan partijen op dit moment uitvoering geven zeer veel wisselmomenten heeft. Dat acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen. De rechtbank acht het wel in het belang van de kinderen dat zij met allebei hun ouders een dag in het weekend kunnen doorbrengen. Dit alles betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de kinderen wekelijks van donderdag 16.00 uur tot zaterdag 18.00 uur bij de man zullen zijn. Ten aanzien van [minderjarige 2] neemt de rechtbank daarnaast het volgende in overweging. [minderjarige 2] is nog zeer jong, hij is volgens beide ouders sterk aan de vrouw gehecht en hij is nog niet eerder een nacht bij zijn moeder vandaan geweest. De rechtbank vindt onder deze omstandigheden de overgang naar twee nachten per week bij zijn vader slapen te groot en daarmee niet in [minderjarige 2]’s belang. Daarom zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige 2] tot en met april niet van donderdag tot zaterdag, maar van vrijdag 16.00 uur tot zaterdag 18.00 uur bij de man zal zijn. Op die manier kan [minderjarige 2] rustig wennen aan overnachtingen bij zijn vader. Op de zitting heeft de man toegezegd de kinderen in de auto altijd in een autostoeltje te zullen vervoeren. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum van de beschikking. Gelet op de verstoorde verstandhouding tussen partijen is met hen op de zitting gesproken over hulpverlening. Op de zitting hebben partijen afgesproken om een mediationtraject aan te gaan om te komen tot verbetering van de onderlinge communicatie en verstandhouding. De rechtbank stelt vast dat partijen zich inmiddels tot het mediationbureau hebben gewend, door het mediationbureau zijn doorverwezen naar een mediator en een eerste afspraak hebben gemaakt. Bij mediation kunnen de ouders dan werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie en verstandhouding en, zo mogelijk, komen tot het opstellen van een ouderschapsplan. De uitkomst van het mediationtraject kunnen partijen in de bodemprocedure inbrengen. Voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken. Behoefte De man en de vrouw zijn het eens geworden dat zij voor de behoefte van de kinderen de berekening zullen volgen die de man als productie 14 bij zijn verweerschrift heeft overgelegd. Hieruit volgt dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezamenlijk in 2025 € 1.431,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.497,- per maand. De behoefte van de vrouw bedraagt in 2025 € 2.882,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 3.015,- netto per maand. Draagkracht vrouw De rechtbank overweegt dat in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk wordt aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw bij het berekenen van een voorlopige kinderalimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. Naar de rechtbank begrijpt, kan de vrouw geen aanspraak maken op een bijstandsuitkering, omdat ze kan interen op haar vermogen. Het is de rechtbank in ieder geval duidelijk geworden dat de vrouw tot op heden geen bijstandsuitkering ontvangt. De rechtbank zal daarom in deze procedure geen rekening houden met een bijstandsuitkering. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank voor de draagkracht van de vrouw geen rekening met (fictieve) inkomsten. Wel houdt de rechtbank rekening met het kindgebonden budget van € 701,- per maand waarop de vrouw aanspraak maakt. Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank overweegt dat uit de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen volgt dat de minimale draagkracht bij een netto inkomen tot € 1.950,- per maand bij één kind € 25,- per maand is en bij twee of meer kinderen € 50,- per maand. De rechtbank sluit daar bij aan en houdt aan de zijde van de vrouw rekening met een draagkracht van € 50,- per maand. Draagkracht man Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.390,- per maand, te vermeerderen met het Individueel Keuzebudget (IKB) van € 889,- per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van november en december 2025. De rechtbank houdt geen rekening met een vakantie- of eindejaarstoeslag, nu dit is verdisconteerd in het IKB. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 381,- per maand en de premie AP van € 7,- per maand.
Volledig
Tussen partijen is in geschil of voor de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de schuldenlast van de man en de aflossingen op de schulden. De man stelt dat voor de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing van zijn schuld. Hij heeft een schuld bij zijn werkgever, waar hij € 940,- per maand op aflost. Dit bedrag wordt maandelijks ingehouden op zijn loon. Ter zitting heeft de man toegelicht dat deze schuld is ontstaan doordat het gezin bij de verhuizing naar [land 2] een voorschot heeft ontvangen ter dekking van de verhuis- en inrichtingskosten in verband met hun (huis)vesting aldaar. De man heeft uitgelegd dat zo’n voorschot normaliter gedurende de plaatsing in het buitenland wordt afgelost, in dit geval binnen 24 maanden. Tevens heeft de man verklaard dat hij de vergoeding slechts deels heeft uitgegeven en deels nog op zijn bankrekening heeft staan. De vrouw is van mening dat er voor de berekening van de draagkracht van de man geen rekening moet worden gehouden met voornoemde schuld. De huisvesting in [land 2] heeft nooit plaatsgevonden, waardoor het voorschot daar niet voor aangewend kan zijn. Het gezin heeft enkel tijdelijk in een hotel verbleven en de kosten daarvan werden vergoed door de werkgever. Gelet hierop stelt de vrouw dat de man er vrijwillig voor kiest om het ontvangen bedrag maandelijks af te lossen, terwijl hij dit ook in één keer terug zou kunnen betalen. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie rekening dient rekening gehouden te worden met de aflossing van schulden voor zover deze niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Naar de rechtbank begrijpt, lost de man al af op zijn schuld sinds april 2025. Dit betekent dat hij al ruim tien maanden op de schuld heeft afgelost. Daarnaast heeft de man op de zitting verklaard dat hij (in ieder geval) een gedeelte van het voorschot niet heeft aangewend en nog steeds op zijn bankrekening heeft staan. Met hetgeen de man in deze procedure heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de man in staat kan worden geacht om de rest van de schuld te voldoen met zijn liquide middelen. Gelet hierop zal de rechtbank in deze procedure geen rekening houden met de aflossing op de schuld, omdat deze vermijdbaar is. Volledigheidshalve merkt de rechtbank in dit kader op dat de vraag of deze schuld, de aflossingen daarop en/of de tegoeden op de bankrekening van de man kunnen worden betrokken in de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk en zo ja, op welke wijze, in onderhavige zaak niet aan de orde is. Dat is een vraag die partijen desgewenst in de bodemprocedure aan de rechtbank kunnen voorleggen. Tussen partijen is ook in geschil of er voor de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met een woonbudget. Volgens de vrouw woont de man momenteel bij zijn moeder en is hij voorlopig van plan om daar te blijven wonen. De man heeft daar woonlasten en er moet daarom geen rekening worden gehouden met een woonbudget, aldus de vrouw. De man betwist dit en stelt op zijn beurt dat hij momenteel bij zijn oom woont, aan wie hij een bijdrage van € 1.000,- per maand aan woonlasten betaalt. De man stelt voorts dat hij op zoek is naar een zelfstandige woonruimte, zodat er wel rekening moeten worden gehouden met een woonbudget. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat de rechter bij een tekort aan draagkracht (ambtshalve) zal moeten nagaan of er aanwijzingen zijn dat de woonlasten van een ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait ( 0,3 x NBI) , en of dat zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. De rechtbank ziet daartoe, gelet op de omstandigheden van dit geval, geen aanleiding. Niet is gebleken dat de woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, aangezien hij – hoewel hij momenteel bij familieleden verblijft – op zoek is naar eigen woonruimte waarvoor hij het berekende woonbudget nodig heeft. De enkele stelling van de vrouw dat zij verwacht dat de man voorlopig bij zijn moeder zal blijven wonen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij duurzaam geen (of aanmerkelijk lagere) woonlasten zal hebben. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 4.116,- per maand. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 4.116 – (0,3 x NBI - + € 1.365,-)] = € 1.061,- per maand. Zorgkorting Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Gelet op de voorlopige zorgregeling die wordt vastgesteld geldt naar het oordeel van de rechtbank een zorgkorting van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 374,- (25% van € 1.497,-). Aandeel man Omdat sprake is van een tekort van € 386,- per maand (€ 1.497 -/- € 1.111), wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 181,- per maand (€ 374 -/- € 193,-) Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan € 880,- per maand voor beide kinderen (€ 1.061 -/- € 181). Conclusie De man betaalt sinds november 2025 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van (ten minste) € 1.000,- per maand aan de vrouw. Daarnaast voorziet de man in de kosten van de kinderen als zij bij hem verblijven. De man heeft in het kader van onderhavige procedure ook expliciet verklaard deze bijdrage te blijven voldoen voor de duur van het geding. Gelet op het belang van partijen bij duidelijkheid, de toezegging van de man en zijn meer subsidiaire verzoek, zal de rechtbank - ondanks het feit dat de overeengekomen bijdrage hoger is dan de door de man te betalen bijdrage die uit de door de rechtbank gemaakte berekening volgt en hoger is dan de kinderalimentatie waar de vrouw om heeft gevraagd in onderhavige procedure - in goede justitie bepalen dat de man een voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal betalen van € 1.000,- per maand. Gezien het substantiële tekort aan draagkracht voor kinderalimentatie stelt de rechtbank vast dat de man geen draagkracht heeft om partneralimentatie te voldoen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie afwijzen. Proceskosten De man stelt dat de vrouw onderhavige procedure is gestart en heeft doorgezet terwijl daarvoor een (goede) juridische grondslag ontbrak. De man meent dat er sprake is van misbruik van procesrecht. Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2012:BV7828 stelt de man dat dit alles ertoe zou moete leiden dat de vrouw in de proceskosten wordt veroordeeld. In onderhavige zaak is van misbruik van procesrecht naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals hierboven reeds uiteengezet volgt de rechtbank het standpunt van de man dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het verzoek om alimentatie niet. Gelet op de aard van de procedure en het feit dat van misbruik van procesrecht geen sprake is, bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.