Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:4897
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,745 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4897 text/xml public 2026-03-19T15:05:00 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-05 11895758 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4897 text/html public 2026-03-19T15:03:15 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4897 Rechtbank Den Haag , 05-03-2026 / 11895758 Dexia wordt toegestaan om de tussenpersoon in vrijwaring op te roepen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Den Haag AR/b Zaak-/rolnr.: 11895758 RL EXPL 25-17620 5 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [partij A], wonende te [woonplaats], eiseres in conventie in de hoofdzaak, verweerster in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, verweerster in het vrijwaringsincident, hierna te noemen: [partij A], gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces), tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, gedaagde in conventie in de hoofdzaak, eiseres in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, eiseres in het vrijwaringsincident, hierna te noemen: Dexia, gemachtigde: USG Legal Professionals B.V. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 17 september 2025; - de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met een incidenteel verzoek; - de incidentele conclusie van antwoord in vrijwaring tevens conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie. 1.2. Ten slotte is vonnis in incident bepaald. 2 Het geschil in het incident 2.1. Dexia heeft gevorderd [tussenpersoon] (hierna te noemen: [tussenpersoon]) in vrijwaring op te roepen. 2.2. Aan haar vordering heeft Dexia het volgende ten grondslag gelegd. In de hoofdzaak wordt (onder meer) door [partij A] gevorderd voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld en dat [partij A] als gevolg van dit handelen schade heeft geleden. De verwijten die [partij A] Dexia maakt zien grotendeels op de wijze waarop de tussen partijen gesloten effectenleaseovereenkomst (hierna te noemen: de overeenkomst) is gesloten. [tussenpersoon] was eigenaar van de eenmanszaak [bedrijfsnaam] en uit dien hoofde als tussenpersoon betrokken bij de totstandkoming van de overeenkomst. Als de stellingen van [partij A] in de hoofdzaak kloppen, dan zou dat betekenen dat [tussenpersoon] zonder vergunning vergunningsplichtig advies heeft gegeven. In dat geval lijdt Dexia schade door toedoen van [tussenpersoon], reden waarom Dexia laatstgenoemde in vrijwaring wenst op te roepen. 2.3. [partij A] heeft verweer gevoerd. Volgens [partij A] heeft Dexia niets gesteld over de rechtsverhouding tussen Dexia en [tussenpersoon] op grond waarvan [tussenpersoon] Dexia dient vrij te houden van de nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak. De rechtsverhouding tussen Dexia en [tussenpersoon] betreft een totaal andere rechtsverhouding dan tussen [partij A] en Dexia van toepassing is. Ook betwist [partij A] dat Dexia een schadevergoedingsvordering heeft op [tussenpersoon], want Dexia heeft er in het verleden zelf op aangestuurd dat tussenpersonen beleggingsadvies gaven. Dan kan Dexia de tussenpersoon niet verwijten dat deze beleggingsadvies heeft gegeven. Het vrijwaringsincident wordt vooral opgeworpen om de procedure in de hoofdzaak te vertragen, aldus [partij A]. 3 De beoordeling in het incident 3.1. Vooropgesteld wordt dat een vordering om een derde in vrijwaring op te roepen in beginsel toewijsbaar is als voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak (gedeeltelijk) op die derde te verhalen, dit in een zoveel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak. 3.2. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dexia voldoende onderbouwd gesteld dat er tussen haar en [tussenpersoon] een rechtsverhouding bestaat die voor [tussenpersoon] de verplichting met zich kan brengen Dexia al dan niet gedeeltelijk te vrijwaren voor aanspraken van [partij A]. Tussen partijen staat immers vast dat [tussenpersoon] als tussenpersoon heeft opgetreden bij de totstandkoming van de overeenkomst en dat [partij A] aan Dexia – onder meer – verwijt dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen nadat de tussenpersoon zonder vergunning vergunningsplichtig advies heeft gegeven. Of op dit punt in de relatie tussen Dexia en [tussenpersoon] aan Dexia een verwijt kan worden gemaakt, zal zo nodig in de vrijwaringszaak bekeken moeten worden. Dat er tussen Dexia en [tussenpersoon] mogelijk een andere rechtsverhouding geldt dan in de hoofdzaak is niet van belang. 3.3. Het verweer van [partij A] dat toewijzing van de vordering tot oproeping in vrijwaring voor onredelijke vertraging zorgt, wordt niet gevolgd. Het geschil in de hoofdzaak heeft betrekking op overeenkomsten die in 2000 zijn gesloten en in 2006 tot een einde zijn gekomen. Om hem moverende redenen heeft [partij A] ervoor gekozen om niet in een eerder stadium een gerechtelijke procedure tegen Dexia te starten. In dat licht bezien valt, zonder nadere toelichting door [partij A], niet in te zien waarom toewijzing van de vordering tot oproeping in vrijwaring tot een onredelijke vertraging van de hoofdzaak leidt. Bovendien kan op grond van artikel 215 Rv op verzoek van een van de partijen afzonderlijk in de hoofdzaak worden beslist, als de hoofdzaak en de vrijwaringszaak niet tegelijk in staat van wijzen zijn. De vrees voor een onredelijke vertraging van de hoofdzaak wordt daarmee ook ondervangen. 3.4. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de vordering tot oproeping in vrijwaring wordt toegewezen. 3.5. [partij A] wordt in het ongelijk gesteld. Daarom moet hij de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten vast op € 144,00 (1 punt x € 144,00) aan salaris voor de gemachtigde van Dexia. 4 De beslissing De kantonrechter: in het incident: 4.1. staat Dexia toe [tussenpersoon] tegen de terechtzitting van donderdag 30 april 2026 te 11:00 uur op te roepen, teneinde op de vordering tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen; 4.2. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 144,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; in de hoofdzaak: 4.3. verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 30 april 2026 te 11:00 uur voor het nemen van een conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; 4.4. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. N.B. Verkleij, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026. Hoge Raad 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0567, NJ 1992, 446