Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:22094
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/703735 / KG ZA 26-419 Vonnis in kort geding van 3 juni 2026 in de zaak van [eiser] gedetineerd in de PI [plaats] , eiser, advocaten mrs. M. Rafik en D.N. Ebinum te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M.I. Hazelhorst te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 mei 2026 met producties 1 tot en met 24; - de conclusie van antwoord van de Staat met producties 1 tot en met 32; - de op 15 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling (waar [eiser] zelf niet bij aanwezig is geweest), waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd; - de op 28 mei 2026 van de zijde van de Staat ingediende akte houdende overlegging producties met daarbij productie 33; en - de op 28 mei 2026 van de zijde van [eiser] overgelegde akte overlegging productie met daarbij productie 25. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. Aan het slot van de zitting is verder afgesproken dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het vonnis in de door de Staat aanhangig gemaakte verzetprocedure naar aanleiding van de faillietverklaring van [eiser] door de rechtbank Limburg. Het vonnis in de verzetzaak is op 26 mei 2026 gewezen. Partijen hebben elk bij akte van 28 mei 2026 het vonnis overgelegd, voorzien van een toelichting. 2 De feiten Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 juli 2020 veroordeeld tot een (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraf van twaalf maanden en een taakstraf van 200 uur vanwege, kort weergegeven, betrokkenheid bij de exploitatie van een hennepkwekerij. Ook is aan [eiser] de verplichting opgelegd tot betaling van € 145.720,88 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op drie jaren. 2.2. Het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), dat belast is met de invordering, heeft [eiser] verzocht de ontnemingsmaatregel uiterlijk op 15 oktober 2020 te voldoen. Daarop heeft [eiser] een betaling van € 100,- gedaan. De advocaat van [eiser] heeft het CJIB niet veel later een betalingsvoorstel gedaan inhoudende dat [eiser] een bedrag van € 100,- per maand zou betalen. Het CJIB heeft [eiser] verzocht om financiële stukken toe te sturen ter onderbouwing van zijn voorstel. Daarop heeft [eiser] alleen een uitkeringsspecificatie toegestuurd. Pas later, nadat [eiser] weer een bedrag van € 100,- had overgemaakt, heeft het CJIB aanvullende financiële informatie van [eiser] ontvangen. Het CJIB heeft [eiser] bij brief van 25 november 2020 laten weten dat hij minimaal een bedrag van € 780,- per maand moet betalen om de gehele vordering binnen de verjaringstermijn te voldoen. Omdat [eiser] had aangegeven dit bedrag niet te kunnen betalen, heeft het CJIB aangekondigd de incassoprocedure voort te zetten. Het CJIB heeft voor de incasso een deurwaarderskantoor ingeschakeld, maar het deurwaardersdossier is na ongeveer een jaar gesloten omdat de opbrengst zeer gering was. De deurwaarder heeft in totaal een bedrag van € 1.434,58 geïnd. 2.3. Op 3 januari 2022 heeft het CJIB [eiser] nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om het openstaande bedrag te voldoen (uiterlijk op 11 februari 2022). Daarbij is te kennen gegeven dat als tijdige en volledige betaling uitbleef, de officier van justitie (ovj) een machtiging tot het toepassen van gijzeling zou vorderen. [eiser] heeft daar niet op gereageerd. 2.4. Daarna is toch weer gesproken over een mogelijke betalingsregeling. Het CJIB heeft [eiser] bericht dat een substantieel deel van de ontnemingsmaatregel ineens moet worden voldaan, omdat het CJIB er op basis van informatie van de Daarbij heeft het CJIB vermeld dat hem het volgende is opgevallen: “Op de bankrekening waarvan afschriften zijn ontvangen wordt een uitkering ontvangen, maar er is vervolgens geen sprake van een normaal uitgavenpatroon (aan boodschappen en dergelijke). Er wordt ook geen zorgverzekering betaald. In plaats daarvan worden steeds kleine of grotere bedragen overgemaakt aan derden ( [naam 1] en [naam 2] ). Het is onduidelijk wie dat zijn. Ook worden die bedragen vaak kort na ontvangst van de uitkering overgeboekt (bijv. op 20 juni en 21 juli 2025). Dit alles duidt erop dat de uitgaven van uw cliënt via een andere weg lopen. Verder blijkt dat er geen andere rekening is op de naam van uw cliënt ( [eiser] ) waarnaar geregeld kleine en grotere bedragen worden overgeboekt, voor het laatst op 19 januari 2025. De rekening waarvan u afschriften heeft gestuurd is dus niet de enige rekening waarover uw cliënt beschikt.” 2.9. [eiser] heeft bij de rechtbank Limburg een aangifte tot faillietverklaring ingediend. De rechtbank heeft in zijn vonnis van 14 april 2026 vastgesteld dat uit hetgeen in de aangifte is gesteld, summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat [eiser] in de toestand verkeert van opgehouden hebben te betalen, om welke reden [eiser] in staat van faillissement is verklaard (het faillissementsvonnis). 2.10. Bij vonnis van 26 mei 2026 van de rechtbank Limburg is het verzet van de Staat tegen het faillissementsvonnis (het verzetvonnis) gegrond verklaard en is het vonnis van de rechtbank van 14 april 2026 vernietigd. 2.11. Van de vordering van het CJIB staat per heden een bedrag van € 144.086,30 open. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen tot onmiddellijke opheffing van zijn gijzeling, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De gijzeling is onrechtmatig omdat [eiser] betalingsonmachtig is in de zin van artikel 6:6:25 lid 6 Wetboek van Strafvordering (Sv). De gijzeling wordt nodeloos toegepast en is feitelijk punitief van aard. De Staat stelt daarbij te hoge eisen aan een betalingsregeling die tot opheffing van de gijzeling zou kunnen leiden. [eiser] heeft dit de Staat ook kenbaar gemaakt, maar de Staat laat de gijzeling desondanks voortduren. De Staat dient dan ook veroordeeld te worden de gijzeling onmiddellijk op te heffen. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit de aard van de zaak. Bij de beoordeling van de vordering tot het opheffen, dan wel staken van de toegepaste gijzeling stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Als een veroordeelde niet aan de hem opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en (volledig) verhaal op diens vermogen niet mogelijk is gebleken, kan de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) een machtiging verlenen tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling. Doel van de gijzeling is het afdwingen van betaling, waarbij geldt dat de betalingsverplichting door de gijzeling niet komt te vervallen. 4.2. De ovj heeft op enig moment een machtiging gijzeling jegens [eiser] gevorderd en verkregen. Tegen deze beslissing van de strafrechter staat geen hogere voorziening open. In dit kort geding moet daarom in beginsel van de rechtmatigheid van de machtiging en van de gijzeling die nu als gevolg daarvan plaatsvindt, worden uitgegaan. 4.3. Op grond van artikel 6:6:25 lid 7 Sv kan de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) de gijzeling te allen tijde beëindigen. Daartoe kan bijvoorbeeld aanleiding zijn als alsnog een toereikende betalingsregeling is getroffen of wanneer tijdens de gijzeling blijkt dat de veroordeelde echt niet in staat is om de ontnemingsmaatregel De Staat voert daarbij aan dat hij de door [eiser] voorgestelde betalingsregeling van € 50 - € 100 per maand dan ook kan op juiste gronden weigert. 4.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiser] overgelegde stukken en zijn gegeven toelichting op zijn vermogenspositie onvoldoende zijn om te concluderen dat hij betalingsonmachtig is. De daarvoor relevante omstandigheden worden hierna vermeld. Vonnis faillietverklaring van 14 april 2026 vernietigd 4.9. [eiser] stelt onder meer dat zijn betalingsonmacht blijkt uit het faillissementsvonnis. Dit vonnis is echter naar aanleiding van het door de Staat ingestelde derdenverzet bij vonnis van 26 mei 2026 vernietigd. Partijen hebben zich na de zitting van 15 mei 2026 uitgelaten over de relevantie van het verzetvonnis voor dit kort geding. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat de eerdere faillietverklaring van [eiser] vanwege de vernietiging hiervan niet kan dienen als onderbouwing van zijn gestelde betalingsonmacht. Dat de rechtbank in het vonnis van 14 april 2026 op basis van de eigen aangifte van [eiser] eerder heeft vastgesteld dat summierlijk is gebleken dat [eiser] in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen, is daarbij onvoldoende om de betalingsonmacht van [eiser] aan te nemen. Over de eventuele betalingsonmacht van [eiser] is in het verzetvonnis niet geoordeeld. Ook gaat [eiser] eraan voorbij dat het faillissementsvonnis is gewezen op basis van de door hem aangeleverde stukken en nadat de rechtbank een summiere toets heeft uitgevoerd. Hierna zal blijken dat de Staat terecht aanvoert dat [eiser] bij zijn aangifte tot faillietverklaring aan verschillende omstandigheden met betrekking tot zijn vermogenspositie geheel voorbij is gegaan. Deze omstandigheden zijn in het vernietigde vonnis dan ook niet getoetst en staan eraan in de weg om de betalingsonmacht van [eiser] aan te nemen. Vermoedelijke inkomstenbronnen van [eiser] of vermogen elders 4.10. Het ligt op de weg van [eiser] om voldoende aannemelijk te maken dat hij onmachtig is om de openstaande schuld uit de ontnemingsvordering af te lossen. Hiervoor heeft hij inkomensverklaringen en een overzicht van zijn hoge schulden heeft overgelegd. De Staat heeft terecht aangevoerd dat deze op zichzelf onvoldoende zijn om betalingsonmacht aan te nemen. Een op papier gering inkomen en het hebben van hoge schulden hoeft niet te betekenen dat een veroordeelde geen vermogen in Nederland of in het buitenland bezit. De stukken die [eiser] heeft overgelegd roept een aantal vragen op, welke vragen [eiser] in deze procedure niet heeft kunnen wegnemen, waarmee hij zijn betalingsonmacht onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. 4.11. Zo heeft [eiser] een groot aantal rekeningafschriften van zijn bankrekening bij ING Bank (hierna: ING) overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde betalingsonmacht. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit het gebruik van deze betaalrekening niet blijkt van een normaal uitgavenpatroon en ook verder roepen deze overzichten vragen op. In dat verband is het volgende van belang. 4.11.1. Uit het rekeningoverzicht volgt dat [eiser] na ontvangst van zijn uitkering dikwijls grotere en kleinere bedragen over heeft gemaakt aan derden. Zo zijn in de periode waarop de overgelegde bankafschriften zien 914 overboekingen gedaan aan [naam 1] (hierna: [naam 1] ), en daarnaast zijn er ook overboekingen gedaan aan [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Van de zijde van [eiser] is hierover toegelicht dat hij bedlegerig was en in slechte gezondheid verkeerde, en dat hij daarom geld overmaakte aan zijn vriend [naam 1] zodat deze boodschappen voor hem kon doen. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet te controleren valt of de betalingen inderdaad zijn gedaan om boodschappen mee te bekostigen, althans of deze betalingen zijn verricht ten behoeve van [eiser] . De stelling dat [eiser] bedlegerig is en dat zijn medische toestand eraan in de weg staat dat hij zelf buiten d