Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:10685
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,214 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10685 text/xml public 2026-05-08T17:00:32 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.16541 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10685 text/html public 2026-05-06T14:43:36 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10685 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.16541 Verlengen overdrachtstermijn; onderduiken; beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16541 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. D.G. Metselaar) en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. E. Özel). Procesverloop 1. Bij besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de termijn voor de overdracht van eiser aan Duitsland op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd tot 18 maanden vanwege onderduiken. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Overwegingen 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De minister is terecht overgegaan tot het verlengen van de termijn met 12 maanden (tot 18 maanden) om eiser in het kader van de Dublinverordening aan Duitsland over te dragen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen? 3. Eiser heeft op 25 september 2025 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 27 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland hier op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor zou zijn. Bij uitspraak van deze rechtbank van 19 maart 2026 is het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingesteld ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 3.1. De uiterste overdrachtsdatum is 17 mei 2026, namelijk zes maanden nadat Duitsland het claimverzoek van Nederland op 17 november 2025 heeft geaccepteerd. Op 18 maart 2026 heeft de minister de Duitse autoriteiten ervan op de hoogte gesteld dat eiser niet kan worden overgedragen binnen zes maanden na het claimakkoord, omdat eiser is verdwenen en dat daarom de overdrachtstermijn wordt verlengd tot 18 maanden. Met het bestreden besluit heeft de minister eiser op de hoogte gesteld dat de termijn waarbinnen hij kan worden overgedragen aan Duitsland wordt verlengd tot 18 maanden (tot en met 17 mei 2027), omdat eiser is vertrokken zonder dat bekend is waarheen. Hoe luidt het juridisch kader? 4. In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokken vreemdeling over of terug te nemen komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat, als de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden. Als de overdracht wegens onderduiken van de betrokken vreemdeling niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd. 4.1. In het arrest Jawo legt het Hof van Justitie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uit dat een vreemdeling onderduikt wanneer deze doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, om deze overdracht te voorkomen. Als de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten hiervan op de hoogte te brengen, mag de minister ervan uitgaan dat de vreemdeling de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is aan de minister om dit aannemelijk te maken. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen. 4.2. In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is opgenomen dat wanneer de vreemdeling in kennis is gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en is geïnformeerd over de gevolgen van het niet meewerken hieraan en hij vervolgens (tijdelijk) buiten bereik van de autoriteiten is, de minister in ieder geval aanneemt dat de vreemdeling zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken en daarmee onderduikt. De minister verlengt de uiterste overdrachtsdatum niet als sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten. Was in het geval van eiser sprake van onderduiken? Standpunt van eiser 5. Eiser betoogt dat de minister de overdrachtstermijn ten onrechte heeft verlengd, omdat geen sprake was van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser voert daartoe aan dat hij door de minister niet (voldoende) is geïnformeerd over zijn verplichtingen in het kader van zijn overdracht aan Duitsland en de consequenties voor de overdrachtstermijn als hij zich niet aan de inhuisregistraties en meldplicht zou houden. Eiser is geplaatst in een ‘Dublin Onderdak Locatie’, waar sprake is van een dagelijkse inhuisregistratie en waar hij iedere dinsdag een meldplicht heeft. Eiser overlegt hiervan een stuk. Verder wijst eiser erop dat hij een zwangere (Nederlandse) partner heeft, ter onderbouwing waarvan eiser een akte van erkenning overlegt. Hij ondersteunt zijn partner onder andere bij controles in het ziekenhuis. De meldplicht op 17 maart 2026 heeft eiser gemist vanwege een afspraak in het ziekenhuis. Ter onderbouwing hiervan overlegt eiser een bewijs van een ziekenhuisafspraak op dinsdag 17 maart 2026. Eiser voert aan dat hij tijdens een afspraak met de casemanager van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), omstreeks 25 februari 2026, heeft uitgelegd dat hij zich niet iedere dag kan melden omdat zijn partner zwanger is en hij haar helpt en begeleidt. Verder wijst eiser erop dat op 18 maart 2026 geen concrete overdrachtsdatum bekend was en ook geen vertrekgesprek met hem was gepland. Er waren voor hem dan ook geen verplichtingen met betrekking tot de overdracht. Op dit moment is eiser bereikbaar voor een te plannen overdracht. Eiser had nooit de bedoeling om zich te onttrekken aan het toezicht om een overdracht te voorkomen. Reactie van de minister op de beroepsgronden 5.1. In beroep licht de minister nader toe op welke feiten en omstandigheden het bestreden besluit is gebaseerd. Die zijn als volgt. In een gesprek tussen eiser en de casemanager van het COa op 23 februari 2026 is eiser verteld dat hij wordt uitgeschreven van de locatie als zijnde met onbekende bestemming vertrokken als hij eenmaal niet voldoet aan de meldplicht. Dit is eiser ook duidelijk gemaakt tijdens het vertrekgesprek met de regievoerder van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) op 4 maart 2026 en volgt bovendien uit de bijlage die eiser met zijn beroepsgronden heeft meegestuurd. Eiser is dus meerdere keren geïnformeerd over zijn verplichtingen en de gevolgen van het niet naleven daarvan. Uit het systeem volgt dat eiser sinds 17 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De reden die eiser aanvoert voor het missen van zijn meldplicht op 17 maart 2026, namelijk de afspraak in het ziekenhuis van zijn partner, merkt de minister niet aan als verschoonbaar omdat niet is gebleken dat eiser zich op die datum niet aan zijn meldplicht had kunnen houden. Bovendien, zo overweegt de minister, volgt uit de systeemuitdraai van het IJsselland ziekenhuis niet dat eiser daadwerkelijk bij die afspraak aanwezig was. Navraag van de minister bij de regievoerder van de DT&V en de casemanager van het COa leert dat eiser voorafgaand aan de meldplicht van 17 maart 2026 niet bij hen heeft gemeld dat hij zich die dag niet zou kunnen melden.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10685 text/xml public 2026-05-08T17:00:32 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.16541 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10685 text/html public 2026-05-06T14:43:36 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10685 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.16541 Verlengen overdrachtstermijn; onderduiken; beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16541 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. D.G. Metselaar) en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. E. Özel). Procesverloop 1. Bij besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de termijn voor de overdracht van eiser aan Duitsland op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd tot 18 maanden vanwege onderduiken. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Overwegingen 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De minister is terecht overgegaan tot het verlengen van de termijn met 12 maanden (tot 18 maanden) om eiser in het kader van de Dublinverordening aan Duitsland over te dragen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen? 3. Eiser heeft op 25 september 2025 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 27 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland hier op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor zou zijn. Bij uitspraak van deze rechtbank van 19 maart 2026 is het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingesteld ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 3.1. De uiterste overdrachtsdatum is 17 mei 2026, namelijk zes maanden nadat Duitsland het claimverzoek van Nederland op 17 november 2025 heeft geaccepteerd. Op 18 maart 2026 heeft de minister de Duitse autoriteiten ervan op de hoogte gesteld dat eiser niet kan worden overgedragen binnen zes maanden na het claimakkoord, omdat eiser is verdwenen en dat daarom de overdrachtstermijn wordt verlengd tot 18 maanden. Met het bestreden besluit heeft de minister eiser op de hoogte gesteld dat de termijn waarbinnen hij kan worden overgedragen aan Duitsland wordt verlengd tot 18 maanden (tot en met 17 mei 2027), omdat eiser is vertrokken zonder dat bekend is waarheen. Hoe luidt het juridisch kader? 4. In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokken vreemdeling over of terug te nemen komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat, als de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden. Als de overdracht wegens onderduiken van de betrokken vreemdeling niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd. 4.1. In het arrest Jawo legt het Hof van Justitie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uit dat een vreemdeling onderduikt wanneer deze doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, om deze overdracht te voorkomen. Als de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten hiervan op de hoogte te brengen, mag de minister ervan uitgaan dat de vreemdeling de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is aan de minister om dit aannemelijk te maken. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen. 4.2. In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is opgenomen dat wanneer de vreemdeling in kennis is gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en is geïnformeerd over de gevolgen van het niet meewerken hieraan en hij vervolgens (tijdelijk) buiten bereik van de autoriteiten is, de minister in ieder geval aanneemt dat de vreemdeling zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken en daarmee onderduikt. De minister verlengt de uiterste overdrachtsdatum niet als sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten. Was in het geval van eiser sprake van onderduiken? Standpunt van eiser 5. Eiser betoogt dat de minister de overdrachtstermijn ten onrechte heeft verlengd, omdat geen sprake was van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser voert daartoe aan dat hij door de minister niet (voldoende) is geïnformeerd over zijn verplichtingen in het kader van zijn overdracht aan Duitsland en de consequenties voor de overdrachtstermijn als hij zich niet aan de inhuisregistraties en meldplicht zou houden. Eiser is geplaatst in een ‘Dublin Onderdak Locatie’, waar sprake is van een dagelijkse inhuisregistratie en waar hij iedere dinsdag een meldplicht heeft. Eiser overlegt hiervan een stuk. Verder wijst eiser erop dat hij een zwangere (Nederlandse) partner heeft, ter onderbouwing waarvan eiser een akte van erkenning overlegt. Hij ondersteunt zijn partner onder andere bij controles in het ziekenhuis. De meldplicht op 17 maart 2026 heeft eiser gemist vanwege een afspraak in het ziekenhuis. Ter onderbouwing hiervan overlegt eiser een bewijs van een ziekenhuisafspraak op dinsdag 17 maart 2026. Eiser voert aan dat hij tijdens een afspraak met de casemanager van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), omstreeks 25 februari 2026, heeft uitgelegd dat hij zich niet iedere dag kan melden omdat zijn partner zwanger is en hij haar helpt en begeleidt. Verder wijst eiser erop dat op 18 maart 2026 geen concrete overdrachtsdatum bekend was en ook geen vertrekgesprek met hem was gepland. Er waren voor hem dan ook geen verplichtingen met betrekking tot de overdracht. Op dit moment is eiser bereikbaar voor een te plannen overdracht. Eiser had nooit de bedoeling om zich te onttrekken aan het toezicht om een overdracht te voorkomen. Reactie van de minister op de beroepsgronden 5.1. In beroep licht de minister nader toe op welke feiten en omstandigheden het bestreden besluit is gebaseerd. Die zijn als volgt. In een gesprek tussen eiser en de casemanager van het COa op 23 februari 2026 is eiser verteld dat hij wordt uitgeschreven van de locatie als zijnde met onbekende bestemming vertrokken als hij eenmaal niet voldoet aan de meldplicht. Dit is eiser ook duidelijk gemaakt tijdens het vertrekgesprek met de regievoerder van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) op 4 maart 2026 en volgt bovendien uit de bijlage die eiser met zijn beroepsgronden heeft meegestuurd. Eiser is dus meerdere keren geïnformeerd over zijn verplichtingen en de gevolgen van het niet naleven daarvan. Uit het systeem volgt dat eiser sinds 17 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De reden die eiser aanvoert voor het missen van zijn meldplicht op 17 maart 2026, namelijk de afspraak in het ziekenhuis van zijn partner, merkt de minister niet aan als verschoonbaar omdat niet is gebleken dat eiser zich op die datum niet aan zijn meldplicht had kunnen houden. Bovendien, zo overweegt de minister, volgt uit de systeemuitdraai van het IJsselland ziekenhuis niet dat eiser daadwerkelijk bij die afspraak aanwezig was. Navraag van de minister bij de regievoerder van de DT&V en de casemanager van het COa leert dat eiser voorafgaand aan de meldplicht van 17 maart 2026 niet bij hen heeft gemeld dat hij zich die dag niet zou kunnen melden.
Volledig
Op 17 maart 2026 was eiser niet bereikbaar. Bovendien heeft eiser zich de week voorafgaand aan 17 maart 2026 niet gehouden aan de inhuisregistratie. Uit het voorgaande leidt de minister af dat eiser bekend was met zijn verplichtingen en desondanks met onbekende bestemming is vertrokken. Dat leidt de minister tot de conclusie dat eiser feitelijk buiten het bereik van de autoriteiten is gebleven en dus is ondergedoken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De omstandigheid dat nog geen overdracht gepland stond maakt deze conclusie niet anders omdat eiser door zijn vertrek met onbekende bestemming zijn overdracht bemoeilijkt. Oordeel van de rechtbank 5.2. Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de overdrachtstermijn met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening rechtmatig heeft verlengd tot 18 maanden. De minister had voldoende redenen om ervan uit te gaan dat eiser was ondergedoken als bedoeld in het arrest Jawo. 5.2.1. De rechtbank volgt de minister erin dat eiser voldoende is geïnformeerd over zijn verplichtingen in dit verband. In een gesprek op 23 februari 2026 met de casemanager van het COa is eiser, nadat hij melding heeft gemaakt van zijn zwangere partner die van hem afhankelijk is vanwege ziekte, uitgelegd dat wanneer hij één keer zijn meldplicht mist, hij wordt uitgeschreven van de locatie als zijnde met onbekende bestemming vertrokken en dat wanneer hij inhuisregistraties mist, hij na een waarschuwing hiervoor boetes zal krijgen. Dit volgt ook uit het zogenoemde DOL-boekje dat eiser heeft overgelegd. De regievoerder van de DT&V heeft eiser tijdens het vertrekgesprek op 4 maart 2026 uitgelegd dat eiser eerder, via het formulier M35-H, is geïnformeerd over de verplichting om zich beschikbaar te houden voor de Nederlandse autoriteiten. Ook is eiser geïnformeerd over zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en dat het als niet-meewerken wordt beschouwd wanneer hij zich aan het toezicht onttrekt. Vervolgens is eiser uitgelegd dat het onttrekken aan de overdracht kan leiden tot een melding van ‘met onbekende bestemming vertrokken’ of een melding van ‘Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten’, wat kan leiden tot verlenging van de overdrachtstermijn. Dat eiser niet (voldoende) zou zijn geïnformeerd over zijn verplichtingen en de gevolgen van onttrekking aan het toezicht, volgt de rechtbank dan ook niet. 5.2.2. Eiser betwist niet dat hij zich op 17 maart 2026 niet aan zijn meldplicht heeft gehouden. Daarmee bevond eiser zich feitelijk buiten het bereik van de Nederlandse autoriteiten. Dat eiser daarvoor een verschoonbare reden had, heeft de minister niet hoeven aannemen. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat eiser aanwezig was bij de afspraak in het ziekenhuis op 17 maart 2026, maakt dat niet, zoals de minister terecht overweegt, dat daarmee is gebleken dat eiser op die datum niet had kunnen voldoen aan zijn meldplicht. Ook is niet gebleken dat eiser vooraf heeft gecommuniceerd dat hij zich op 17 maart 2026 niet kon melden. Daarom is eiser – zoals hem is uitgelegd – op die datum terecht geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’ geregistreerd. Dat de verplichtingen en consequenties bij het niet voldoen daaraan streng zijn, doet hier niet aan af. Bij het voorgaande komt nog dat uit de overgelegde inhuisregistraties volgt dat eiser op 4, 5, 6, 9, 11, 12 en 13 maart 2026 als zijnde afwezig is geregistreerd. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er geldige redenen waren voor zijn afwezigheid en hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan het toezicht van de autoriteiten. Dat eiser zich later alsnog op de opvanglocatie heeft gemeld, doet daar niet aan af. Op 18 maart 2026 hoefde de minister er niet van uit te gaan dat eiser zich alsnog op tijd voor een overdracht zou melden. 5.2.3. Dat op 18 maart 2026 nog geen sprake was van een concrete datum waarop eiser zou worden overgedragen aan Duitsland maakt niet dat de minister niet mocht overgaan tot verlenging van de overdrachtstermijn. Gelet op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan van onderduiken ook sprake kan zijn als er nog geen overdracht is gepland of als nog geen mogelijkheid bestaat om over te gaan tot overdracht. 5.2.4. Gelet op de omstandigheden moet aangenomen worden dat eiser er doelbewust voor heeft gezorgd dat hij (tijdelijk) buiten het bereik was van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oogmerk om deze overdracht te voorkomen. De minister heeft de overdrachtstermijn onder deze omstandigheden rechtmatig verlengd. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Rb. Den Haag 19 maart 2026, zaaknummers NL26.4926 en NL26.4927 (niet gepubliceerd). HvJEU 19 maart 2019, Abubacarr Jawo tegen Bundesrepublik Deutschland, ECLI:C:EU:2019:218. Zie bijvoorbeeld ook ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16 en 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:154. Zie ook Informatiebericht 2023/29 ‘Uitspraak Afdeling over verlenging UOD bij MOB’ (geldig tot en met 1 april 2026). Eiser verwijst naar het arrest Jawo. De minister verwijst naar Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11459. De minister verwijst naar ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4498. Uit de twee overgelegde meldsignaleringen (inhuisregistraties) volgt dat er op 3, 7, 8, 10, 14 en 15 maart geen registraties hebben plaatsgevonden. ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4498.
Volledig
Op 17 maart 2026 was eiser niet bereikbaar. Bovendien heeft eiser zich de week voorafgaand aan 17 maart 2026 niet gehouden aan de inhuisregistratie. Uit het voorgaande leidt de minister af dat eiser bekend was met zijn verplichtingen en desondanks met onbekende bestemming is vertrokken. Dat leidt de minister tot de conclusie dat eiser feitelijk buiten het bereik van de autoriteiten is gebleven en dus is ondergedoken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De omstandigheid dat nog geen overdracht gepland stond maakt deze conclusie niet anders omdat eiser door zijn vertrek met onbekende bestemming zijn overdracht bemoeilijkt. Oordeel van de rechtbank 5.2. Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de overdrachtstermijn met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening rechtmatig heeft verlengd tot 18 maanden. De minister had voldoende redenen om ervan uit te gaan dat eiser was ondergedoken als bedoeld in het arrest Jawo. 5.2.1. De rechtbank volgt de minister erin dat eiser voldoende is geïnformeerd over zijn verplichtingen in dit verband. In een gesprek op 23 februari 2026 met de casemanager van het COa is eiser, nadat hij melding heeft gemaakt van zijn zwangere partner die van hem afhankelijk is vanwege ziekte, uitgelegd dat wanneer hij één keer zijn meldplicht mist, hij wordt uitgeschreven van de locatie als zijnde met onbekende bestemming vertrokken en dat wanneer hij inhuisregistraties mist, hij na een waarschuwing hiervoor boetes zal krijgen. Dit volgt ook uit het zogenoemde DOL-boekje dat eiser heeft overgelegd. De regievoerder van de DT&V heeft eiser tijdens het vertrekgesprek op 4 maart 2026 uitgelegd dat eiser eerder, via het formulier M35-H, is geïnformeerd over de verplichting om zich beschikbaar te houden voor de Nederlandse autoriteiten. Ook is eiser geïnformeerd over zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en dat het als niet-meewerken wordt beschouwd wanneer hij zich aan het toezicht onttrekt. Vervolgens is eiser uitgelegd dat het onttrekken aan de overdracht kan leiden tot een melding van ‘met onbekende bestemming vertrokken’ of een melding van ‘Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten’, wat kan leiden tot verlenging van de overdrachtstermijn. Dat eiser niet (voldoende) zou zijn geïnformeerd over zijn verplichtingen en de gevolgen van onttrekking aan het toezicht, volgt de rechtbank dan ook niet. 5.2.2. Eiser betwist niet dat hij zich op 17 maart 2026 niet aan zijn meldplicht heeft gehouden. Daarmee bevond eiser zich feitelijk buiten het bereik van de Nederlandse autoriteiten. Dat eiser daarvoor een verschoonbare reden had, heeft de minister niet hoeven aannemen. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat eiser aanwezig was bij de afspraak in het ziekenhuis op 17 maart 2026, maakt dat niet, zoals de minister terecht overweegt, dat daarmee is gebleken dat eiser op die datum niet had kunnen voldoen aan zijn meldplicht. Ook is niet gebleken dat eiser vooraf heeft gecommuniceerd dat hij zich op 17 maart 2026 niet kon melden. Daarom is eiser – zoals hem is uitgelegd – op die datum terecht geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’ geregistreerd. Dat de verplichtingen en consequenties bij het niet voldoen daaraan streng zijn, doet hier niet aan af. Bij het voorgaande komt nog dat uit de overgelegde inhuisregistraties volgt dat eiser op 4, 5, 6, 9, 11, 12 en 13 maart 2026 als zijnde afwezig is geregistreerd. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er geldige redenen waren voor zijn afwezigheid en hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan het toezicht van de autoriteiten. Dat eiser zich later alsnog op de opvanglocatie heeft gemeld, doet daar niet aan af. Op 18 maart 2026 hoefde de minister er niet van uit te gaan dat eiser zich alsnog op tijd voor een overdracht zou melden. 5.2.3. Dat op 18 maart 2026 nog geen sprake was van een concrete datum waarop eiser zou worden overgedragen aan Duitsland maakt niet dat de minister niet mocht overgaan tot verlenging van de overdrachtstermijn. Gelet op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan van onderduiken ook sprake kan zijn als er nog geen overdracht is gepland of als nog geen mogelijkheid bestaat om over te gaan tot overdracht. 5.2.4. Gelet op de omstandigheden moet aangenomen worden dat eiser er doelbewust voor heeft gezorgd dat hij (tijdelijk) buiten het bereik was van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oogmerk om deze overdracht te voorkomen. De minister heeft de overdrachtstermijn onder deze omstandigheden rechtmatig verlengd. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Rb. Den Haag 19 maart 2026, zaaknummers NL26.4926 en NL26.4927 (niet gepubliceerd). HvJEU 19 maart 2019, Abubacarr Jawo tegen Bundesrepublik Deutschland, ECLI:C:EU:2019:218. Zie bijvoorbeeld ook ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16 en 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:154. Zie ook Informatiebericht 2023/29 ‘Uitspraak Afdeling over verlenging UOD bij MOB’ (geldig tot en met 1 april 2026). Eiser verwijst naar het arrest Jawo. De minister verwijst naar Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11459. De minister verwijst naar ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4498. Uit de twee overgelegde meldsignaleringen (inhuisregistraties) volgt dat er op 3, 7, 8, 10, 14 en 15 maart geen registraties hebben plaatsgevonden. ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4498.