Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:10138
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,763 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10138 text/xml public 2026-05-04T12:00:25 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL26.21137 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10138 text/html public 2026-04-29T15:01:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10138 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL26.21137 Opvolgend beroep. Maatregel van bewaring op grond van artikel 59.1.a. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21137 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. S. Akkas, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite. Procesverloop De minister heeft op 10 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 maart 2026 in de zaak NL26.14488 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek 23 maart 2026. 4. Eiser is van mening dat de maatregel van bewaring ten onrechte voortduurt. Eiser zit thans al geruime tijd gedetineerd in PI [locatie 1]. Aldaar komt hij tijdens het luchten dagelijks visueel en verbaal in aanraking met strafrechtelijk gedetineerden die zich tegelijkertijd in een andere luchtplaats bevinden. Met andere woorden: eiser kan met hun praten en hun zien. Dit is al het geval sinds aankomst in PI [locatie 1]. De gemachtigde van eiser heeft dit geverifieerd bij de casemanager van eiser in [locatie 1] en deze heeft dat mondeling bevestigd aan de gemachtigde. Dit is in tegenspraak met de stelling van de minister in de vorige bewaringsprocedure van eiser dat er geen contact zou plaatsvinden. 5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser is op 20 februari 2026, wegens agressie tegen personeelsleden in het speciaal voor vreemdelingenbewaring ingerichte [locatie 2] ([locatie 2]), overgeplaatst naar de afdeling Beheers Problematische Gedetineerden (BPG) in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [locatie 1]. Zoals reeds in de vorige uitspraak is overwogen is niet in geschil dat eiser verblijft op de afdeling BPG in de PI [locatie 1] en dat op hem een individueel regime van toepassing is. In een zodanig geval kan de afdeling BPG in het huis van bewaring van de PI [locatie 1] in beginsel dienstdoen als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In het midden kan blijven of eiser tijdens het luchten op afstand visueel en verbaal contact kan hebben met strafrechtelijk gedetineerden in een ander gedeelte van de PI [locatie 1], omdat enkel die omstandigheid niet in de weg staat aan de kwalificatie van de afdeling BPG in het huis van bewaring van de PI [locatie 1] als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond van eiser dat zijn verblijf in de P.I. [locatie 1] niet rechtmatig is volgt de rechtbank dan ook niet. De PBG-afdeling in het huis van bewaring van de P.I. [locatie 1] kan naar het oordeel van de rechtbank als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn worden aangemerkt. Dat maakt dat er voor de rechtbank onvoldoende aanleiding is voor de conclusie dat de tenuitvoerlegging van de bewaring strijd oplevert met artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring is. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10138 text/xml public 2026-05-04T12:00:25 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL26.21137 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10138 text/html public 2026-04-29T15:01:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10138 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL26.21137 Opvolgend beroep. Maatregel van bewaring op grond van artikel 59.1.a. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21137 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. S. Akkas, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite. Procesverloop De minister heeft op 10 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 maart 2026 in de zaak NL26.14488 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek 23 maart 2026. 4. Eiser is van mening dat de maatregel van bewaring ten onrechte voortduurt. Eiser zit thans al geruime tijd gedetineerd in PI [locatie 1]. Aldaar komt hij tijdens het luchten dagelijks visueel en verbaal in aanraking met strafrechtelijk gedetineerden die zich tegelijkertijd in een andere luchtplaats bevinden. Met andere woorden: eiser kan met hun praten en hun zien. Dit is al het geval sinds aankomst in PI [locatie 1]. De gemachtigde van eiser heeft dit geverifieerd bij de casemanager van eiser in [locatie 1] en deze heeft dat mondeling bevestigd aan de gemachtigde. Dit is in tegenspraak met de stelling van de minister in de vorige bewaringsprocedure van eiser dat er geen contact zou plaatsvinden. 5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser is op 20 februari 2026, wegens agressie tegen personeelsleden in het speciaal voor vreemdelingenbewaring ingerichte [locatie 2] ([locatie 2]), overgeplaatst naar de afdeling Beheers Problematische Gedetineerden (BPG) in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [locatie 1]. Zoals reeds in de vorige uitspraak is overwogen is niet in geschil dat eiser verblijft op de afdeling BPG in de PI [locatie 1] en dat op hem een individueel regime van toepassing is. In een zodanig geval kan de afdeling BPG in het huis van bewaring van de PI [locatie 1] in beginsel dienstdoen als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In het midden kan blijven of eiser tijdens het luchten op afstand visueel en verbaal contact kan hebben met strafrechtelijk gedetineerden in een ander gedeelte van de PI [locatie 1], omdat enkel die omstandigheid niet in de weg staat aan de kwalificatie van de afdeling BPG in het huis van bewaring van de PI [locatie 1] als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond van eiser dat zijn verblijf in de P.I. [locatie 1] niet rechtmatig is volgt de rechtbank dan ook niet. De PBG-afdeling in het huis van bewaring van de P.I. [locatie 1] kan naar het oordeel van de rechtbank als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn worden aangemerkt. Dat maakt dat er voor de rechtbank onvoldoende aanleiding is voor de conclusie dat de tenuitvoerlegging van de bewaring strijd oplevert met artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring is. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.