Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:8922
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,759 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.17080 en NL25.17081
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 april 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1982 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser verzoekt om alle voorgaande stukken als herhaald en ingelast te beschouwen. In het bestreden besluit is de huidige situatie in Kroatië niet meegenomen. Verweerder dient nader onderzoek te doen naar de situatie in Kroatië voor overdracht en dient individuele garantie te vragen. De wijze waarop eiser is behandeld door de Kroatische politie maakt dat hij onder dwang zijn vingerafdrukken heeft moeten afgeven. Dit maakt de handeling van de Kroatische autoriteiten onrechtmatig en kan niet leiden tot een verzoek tot internationale bescherming in Kroatië. Verweerder gaat geheel aan dit punt voorbij en heeft dit niet gemotiveerd in het bestreden besluit. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van rechtbank Den Haag van 2 januari 2025 waaruit bleek dat eerdere slechte behandelingen in de verantwoordelijke lidstaat betrokken kunnen worden bij de vraag of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Er is in Kroatië nog steeds sprake van illegale pushbacks en ontoereikende opvangcapaciteit en leefomstandigheden, Dublinterugkeerders hebben er geen toegang tot alle opvangvoorzieningen. Dit blijkt uit het document ‘Veelgestelde vragen-Dublinterugkeerders Kroatie’ en het rapport van Danisch Refugee Council. Er bestaan geen garanties dat eiser beschermd zal worden tegen illegale uitzetting, massadeportaties, diverse mishandelingen of andere mensonterende handelingen. Eiser vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Er zijn gevallen bekend waarin de asielaanvraag is afgewezen voordat Kroatië is verlaten, waarna heropenen van de zaak daar niet mogelijk is. Er is volgens eiser sprake van concrete aanwijzingen tot verdragsschending, ten aanzien van Kroatië kan niet van het interstatelijke vertrouwensbeginsel uit worden gegaan vanwege het gebrek aan actuele informatie. Eiser verzoekt om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in Nederland in behandeling te nemen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Verwijzing naar voorgaande stukken
5. De rechtbank overweegt, dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de eerder aangehaalde gronden als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen gelden als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. Verweerder is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6 De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
6.1
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat deze drempel in zijn geval is bereikt. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Dit oordeel heeft de Afdeling in de uitspraak van 9 oktober 2024 en recentelijk in de uitspraak van 26 februari 2025, nog eens herhaald. In deze uitspraken van de Afdeling is aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van Dublinterugkeerders, dat er geen obstakels zijn voor Dublinterugkeerders om toegang te krijgen tot de asielprocedure en dat zij ook feitelijke toegang krijgen tot opvang. Dit is daarna in een aantal uitspraken door de Afdeling bevestigd. Uit de stukken blijkt niet dat eisers verzoek in Kroatië is afgewezen (voordat hij Kroatië heeft verlaten). Ook is niet gebleken dat heropening van een zaak die eerder is afgewezen in Kroatië helemaal niet mogelijk is. Dit volgt niet uit het AIDA-rapport, update 2023. De verklaringen van eiser over de onmenselijke en onwaardige behandeling die hij stelt zelf te hebben meegemaakt gaan over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië. Dat eiser zou zijn gedwongen om zijn vingerafdrukken af te geven, maakt ook niet dat verweerder niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Lidstaten zijn immers op grond van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 603/2013, de Eurodacverordening, verplicht om vreemdelingen die asiel aanvragen te registreren door hun vingerafdrukken af te nemen. Uit de landeninformatie waar eiser op heeft gewezen volgt geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Kroatië dan de informatie die de hoogste bestuursrechter in eerder genoemde uitspraken heeft betrokken.
6.2
Verder heeft Kroatië met het claimakkoord van 3 maart 2025 gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen.
7 De rechtbank ziet, gelet op het bovenstaande, ook geen aanleiding om verweerder op te dragen nader onderzoek te doen naar de omstandigheden in Kroatië voor Dublinclaimanten of om individuele garanties te vragen bij overdracht van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van diens discretionaire bevoegdheid overeenkomstig artikel 17 van de Dublinverordening. Dat eerdere slechte omstandigheden maken dat sprake van bijzondere individuele omstandigheden kan zijn maakt in het geval van eiser niet dat verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden betreffen dat deze maken dat zijn overdracht aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt waardoor verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken. Eisers persoonlijke ervaringen in Kroatië zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
9. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd.
Conclusie
10. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2025:76.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
ECLI:NL:RVS:2024:4037.
ECLI:NL:RVS:2025:729
AIDA-rapport, update 2023, pagina 57 e.v. onder § 2.7 ‘The situation of Dublin returnees’.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.