Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:12121
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,370 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36420
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-NUMMER], eiser
(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en
de Minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
17 november 2023 niet in behandeling genomen omdat volgens de minister Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.36421). Dit verzoek is toegewezen op 28 november 2023. Daarbij is overwogen dat de op 15 juni 2022 gestelde prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, over (kort gezegd) de deelbaarheid, reikwijdte en strekking van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook relevant is voor de beroepsprocedure van eiser. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit is om deze reden aangehouden. De voorzieningenrechter heeft om diezelfde reden bepaald dat eiser niet mag worden overgedragen aan Bulgarije totdat is beslist op het beroep. Inmiddels heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen beantwoord.
1.2.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep hervat en op 20 januari 2025 aan partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig acht. Eiser heeft op 27 januari 2025 aangegeven van zijn recht om op zitting gehoord te worden gebruik te willen maken.
1.3.
Eiser heeft zijn beroepsgronden van 24 november 2023 op 6 maart 2025 aangevuld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mevr. Soleil als tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiser is geboren op 1 januari 1999 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser heeft op 19 juli 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 12 juni 2023 op illegale wijze het grondgebied van Kroatië is ingereisd en daar op dezelfde dag een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Om die reden heeft Nederland op 5 september 2023 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft dit verzoek op 19 september 2023aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Mag van eiser nog worden verlangd dat hij wordt overgedragen aan Kroatië?
6. Volgens eiser is er wel degelijk een discrepantie tussen de door de minister gekozen grondslag voor het claimverzoek en de grondslag die Kroatië heeft gehanteerd in het claimakkoord. Hierdoor miskent de minister volgens eiser dat nog niet gebleken is dat Kroatië of een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van zijn asielverzoek. Een en ander strookt niet met de ratio van de Dublinverordening dat snel duidelijk moet zijn welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming. Ook het tijdsverloop van bijna een jaar en acht maanden – tussen het indienen van de asielaanvraag in Nederland en het behandelen van het beroep op zitting – gaat in tegen de gedachte van de Dublinverordening als zodanig, waardoor in redelijkheid niet meer van eiser kan worden verlangd dat hij wordt overgedragen aan Kroatië.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat in het tijdsverloop in de zaak van eiser, door de toegewezen voorlopige voorziening in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen, geen bijzondere omstandigheid hoeft te worden gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Zij voelt zich hierin gesteund door een uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025. Ten aanzien van de grondslag van het claimakkoord wijst de minister op de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024, waarin is bepaald dat het feit dat de vaststelling van de verantwoordelijkheid door de eerste lidstaat nog niet is afgerond, niet in de weg hoeft te staan een terugnameverzoek. De enige uitzondering hierop is dat er duidelijke aanwijzingen zouden zijn dat Nederland op grond van artikelen 8 tot en met 10 van de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn voor de asielaanvraag van eiser, maar hier is in het geval van eiser volgens de minister niet van gebleken. In aanvulling hierop overweegt de minister dat Kroatië claimverzoeken vrijwel standaard accepteert op grond van artikel 20 van de Dublinverordening, waardoor dit niet (in alle situaties) een aanwijzing is dat er nog een andere lidstaat verantwoordelijk zou kunnen zijn.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank betekent de omstandigheid dat de Kroatische autoriteiten de ‘vaststellingsprocedure’ (zoals bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening) nog niet hebben afgerond niet dat de minister het bestreden besluit niet mocht nemen en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Kroatië. Uit dit artikel volgt namelijk uitdrukkelijk de verplichting om over te gaan tot terugname van de verzoeker met het oog op de afronden van deze ‘vaststellingsprocedure’. Daar komt bij dat er, behalve de verklaringen van eiser dat hij ook in Bulgarije is geweest, geen aanwijzingen zijn dat een andere lidstaat dan Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de asielaanvraag van eiser. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiser niet makkelijk is geweest omdat hij al geruime tijd in onzekerheid zit over wat er met hem gaat gebeuren, maakt dit het feit dat Kroatië op grond van de Dublinverordening gehouden is om eiser terug te nemen niet anders. Deze beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.
Kan ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?
7. Vervolgens blijft eiser van mening dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat de drempel van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Jawo wel degelijk is bereikt. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA rapport (update 2022) over Kroatië. Alleen al het feit dat eiser heeft verklaard dat hij meermaals is teruggezet naar Bosnië en dus met pushbacks te maken heeft gehad, maakt dat Kroatië haar internationale verplichtingen jegens eiser niet is nagekomen. Eiser maakt zich door een naderende overdracht aan Kroatië zorgen omdat volgens hem het risico blijft bestaan dat hij – net als eerdere keren – onrechtmatig wordt uitgezet. Dit wordt ondersteund door landeninformatie uit Denemarken (rapport van Danish Refugee Council, Landenrapport Kroatië, Asiel procedure en opvangvoorzieningen voor Dublinterugkeerders, juni 2024), waaruit blijkt dat deze praktijk nog steeds voorkomt.
7.1.
De minister stelt zich – onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling – op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze rechtspraak wordt bevestigd dat nieuwe landeninformatie, zo ook datgeen waar eiser naar verwijst, geen wezenlijk ander beeld schetst dan wat in eerdere uitspraken is meegenomen. Bovendien is hieruit volgens de minister niet gebleken van Dublinclaimanten die zijn onderworpen aan pushbacks. De minister vult hierbij aan dat de Afdeling ook heeft geoordeeld dat de eerdere negatieve ervaringen van eiser bij binnenkomst in Kroatië na illegale grensoversteek niet relevant zijn bij de vraag wat hem te wachten staat bij een overdracht als Dublinclaimant.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië in het algemeen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In de door de minister aangehaalde rechtspraak van de Afdeling zijn diverse openbare bronnen kenbaar betrokken, op basis waarvan zij niet tot de conclusie komt dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks en/of na overdracht niet worden toegelaten tot de Kroatische asielprocedure en bijbehorende opvangvoorzieningen. De door eiser aangedragen informatie uit Denemarken is volgens de rechtbank daarbij niet voldoende om van het tegendeel uit te gaan. Ook de persoonlijke ervaringen van eiser bieden naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. De rechtbank is het met de minister eens dat de verklaringen van eiser over dat hij eerder is teruggestuurd naar Bosnië gaan over de periode na zijn eerste aankomst in Kroatië en niet over de situatie dat hij als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Van eiser mag bovendien worden verwacht dat hij zich bij klachten over de handelswijze van de Kroatische autoriteiten en voorkomende problemen wendt tot de Kroatische (hogere) autoriteiten.
Conclusie
9. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen omdat Kroatië hiervoor verantwoordelijk is. Eiser krijgt dus geen gelijk.
10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Janssens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 04 april 2025.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
ECLI:NL:RBLIM:2023:6945, niet gepubliceerd.
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2025:729, r.o. 5.2.
ECLI:NL:RVS:2024:1812, r.o. 4.1 en 4.2.
Uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, welke lijn o.a. recentelijk is bevestigd in de uitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1118.
Uitspraak van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:729.
ECLI:NL:RVS:2025:717.
Beoordeling
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser, op basis van wat hij op zitting heeft verteld, zich zorgen maakt door wat hem eerder in Kroatië is overkomen, heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hem bij overdracht aan Kroatië als Dublinclaimant hetzelfde zal overkomen en hij daarmee een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest strijdige behandeling.
Zijn de individuele feiten en omstandigheden van eiser voldoende meegewogen?
8. Eiser voert verder aan de minister onzorgvuldig te werk is gegaan, door in het ‘standaard voornemen’ in het geheel niet in te gaan op de persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn verklaringen tijdens het aanmeldgehoor Dublin. Daarbij komt dat de minister in het bestreden besluit relevante feiten en omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten, omdat overwogen wordt dat de aangevoerde omstandigheden niet relevant zijn bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, maar zien op de vraag of Kroatië de internationale verplichtingen wel nakomt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025 is dit naar de mening van eiser een onjuist standpunt en maakt dit de motivering van de minister met betrekking tot artikel 17 van de Dublinverordening ontoereikend. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat zijn ervaringen in Kroatië en de wijze waarop hij is behandeld relevant blijven voor de vraag of de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt, nu dit een wezenlijk andere beoordeling is. De minister had hierin aanleiding moeten zien om toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid, maar heeft dit ten onrechte niet onderkend.
8.1.
De minister stelt zich (desgevraagd) op het standpunt dat het in theorie zou kunnen dat negatieve ervaringen, die niet maken dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, nog wel een bijzondere individuele omstandigheid kunnen opleveren dat het van een onevenredige hardheid zou getuigen de asielaanvraag niet te behandelen. Zij ziet in de zaak van eiser echter geen omstandigheden die daaronder zouden vallen.
8.2.
De rechtbank is in reactie op de door beide partijen aangedragen rechtspraak van oordeel dat (in het bestreden besluit) sprake moet zijn van een kenbare afweging van de individuele feiten en omstandigheden die door de vreemdeling naar voren zijn gebracht. Zij ziet echter geen aanleiding voor het oordeel dat in geval van eiser bijzondere individuele omstandigheden zijn gesteld die onvoldoende gemotiveerd zijn meegenomen door de minister in de overweging waarom zij de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening niet alsnog aan zich trekt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8.3.
Door de enkele verwijzing naar wat eiser is overkomen in Kroatië heeft eiser niet meer of andere individuele omstandigheden gesteld dan de omstandigheden die door de minister al kenbaar zijn meegewogen in het bestreden besluit als het gaat om het interstatelijk vertrouwensbeginsel en die door de minister in het bestreden besluit reeds als onvoldoende bijzonder of zwaarwegend zijn gekenmerkt om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens eiser uit te gaan. In een dergelijke situatie verlangt de rechtspraak van de Afdeling naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening nogmaals beoordeelt of zij vindt dat de ervaringen in Kroatië op zichzelf bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank anders als er door eiser meer of andere bijzondere individuele omstandigheden zouden zijn gesteld. Dan dienen de ervaringen van eiser in Kroatië in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening kenbaar te worden meegewogen door de minister in zijn afweging. Dat is in deze zaak echter niet het geval.
8.4.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt ook het uitbrengen van een ‘standaard voornemen’ in deze zaak niet dat daarmee het bestreden besluit onzorgvuldig is gemotiveerd als het gaat om artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen van eiser is voldoende uiteengezet waarom Kroatië door de minister verantwoordelijk wordt geacht voor de asielaanvraag van eiser en dat geen aanleiding wordt gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Eiser heeft in een zienswijze gereageerd op het voornemen. De minister is in het bestreden besluit op deze zienswijze ingegaan en heeft hierbij ook de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor Dublin betrokken. Eiser is hierdoor in staat gesteld om alle relevante informatie naar voren te brengen als het gaat om zijn situatie.