Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:5082
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,752 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36802
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes-de Jonge).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zowel het niet tijdig beslissen op zijn opvolgende asielaanvraag, als tegen de uiteindelijke afwijzing van deze aanvraag. Met het bestreden besluit van 20 november 2024 heeft de minister alsnog op de aanvraag van eiser beslist en deze afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft de rechtbank bericht het niet eens te zijn met het bestreden besluit. Het beroep niet tijdig beslissen ziet daarom van rechtswege ook op het alsnog genomen besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer NL24.47024).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, een tolk, en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet tijdig nemen van een besluit op de opvolgende aanvraag, en de afwijzing van de aanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond, voor zover dit gericht is tegen de afwijzing, omdat de besluitvorming van de minister niet zorgvuldig is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is afkomstig uit Irak. Hij verblijft sinds 2008 in Nederland en heeft een achtste asielaanvraag ingediend op 25 mei 2023. Hieraan is ten grondslag gelegd dat hij een atheïstische overtuiging heeft, dat hij hierin is gegroeid en hierdoor bij terugkeer naar Irak te vrezen heeft. Ter onderbouwing is een verklaring van de Interkerkelijke Werkgroep asielzoekers Drachten (IKW) overgelegd.
3.1.
De eerdere zeven asielprocedures hebben niet geleid tot het door eiser gewenste resultaat. Aan eiser is bij besluit van 18 februari 2009 een terugkeerbesluit opgelegd en bij besluit van 12 december 2012 een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Deze staan in rechte vast.
3.2.
De minister heeft in het voornemen als asielmotieven aangemerkt:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en
de geloofsgroei in de overtuiging dat God niet zou bestaan.
3.3.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar niet zwaarwegend. Bij het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in het voornemen niet alleen de geloofsgroei, maar de algehele atheïstische overtuiging is beoordeeld en ongeloofwaardig is geacht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege afvalligheid, atheïsme of toedichting hiervan te vrezen heeft bij terugkeer, aldus de minister.
3.4.
Eiser kan zich hier niet mee verenigen. Op wat namens hem in beroep is aangevoerd gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat van belang is.
Belang bij oordeel over niet tijdig beslissen?
4. De rechtbank overweegt dat haar niet is gebleken dat eiser nog afzonderlijk belang heeft bij een oordeel over het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De minister is aan dit deel van het beroep tegemoet gekomen doordat zij alsnog op de opvolgende asielaanvraag van eiser heeft beslist. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
Inhoudelijk toetsingskader
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn zesde en zevende asielaanvraag in 2017/2018 eerder naar voren heeft gebracht dat hij een atheïstische overtuiging heeft. Deze aanvragen zijn door de minister niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van rechtens relevante nieuwe elementen of omstandigheden. Dit betekent dat de minister de atheïstische overtuiging niet eerder op geloofwaardigheid heeft beoordeeld.
5.1.
Gelet op het voorgaande is nu sprake van een eerste geloofwaardigheidsbeoordeling van de gestelde overtuiging. Uit de Werkinstructie (WI) 2022/3 volgt dat de minister de atheïstische overtuiging aan de hand van drie elementen toetst, namelijk (1) de motieven voor en het proces van bekering, (2) de kennis van de nieuwe overtuiging en (3) de verrichte activiteiten in dit verband. Alle verklaringen en eventuele bewijsstukken over deze elementen moeten in onderlinge samenhang worden gewogen. In het algemeen geldt dat het zwaartepunt ligt op de verklaringen van een vreemdeling over de motieven voor en het proces van de bekering tot het atheïsme. Tot slot geldt dat een vreemdeling zwakke verklaringen op een element kan compenseren met sterke verklaringen over de overige elementen.
Is het gehoor opvolgende aanvraag conform de WI 2022/3?
6. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet is gehoord conform de WI 2022/3, omdat de minister heeft miskend dat het gaat om een eerste geloofwaardigheidsbeoordeling. Ter onderbouwing heeft eiser gewezen op rechtspraak van de Afdeling en het LH-arrest. De atheïstische overtuiging als asielmotief is onvoldoende uitgevraagd en de drie elementen zijn in het gehoor niet op een inzichtelijke manier behandeld. Er zijn onvoldoende vragen over de elementen gesteld, en onjuiste vragen over de uiting die eiser aan zijn atheïsme wenst te geven bij terugkeer, en waarom dit belangrijk voor hem is. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de vraagstelling in het gehoor sturend en vooringenomen was.
6.1.
De WI 2022/3 vermeldt dat het van belang is dat de voornoemde drie elementen tijdens het gehoor inzichtelijk aan de orde worden gesteld, dat er tijdens het gehoor niet vooruit wordt gelopen op de inhoudelijke beoordeling, maar dat een vreemdeling eventueel wel wordt geconfronteerd met zwakke verklaringen (paragraaf 6.1 en 6.2). Daarbij is het van belang om vragen te stellen over waarom en hoe de vreemdeling afstand heeft genomen van de oude geloofsovertuiging of heersende opvattingen, hoe hij ervan overtuigd geraakt is dat er geen God of opperwezen bestaat, en om te vragen naar hoe iemand zich wil uiten bij terugkeer en waarom dit belangrijk is (paragraaf 4.2 en 4.4).
6.2.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister er in eerste instantie aan voorbij is gegaan dat het om een eerste geloofwaardigheidsbeoordeling van de atheïstische overtuiging gaat, terwijl eiser hierop heeft gewezen in de toelichting bij de opvolgende aanvraag. Daarvoor is van belang dat in het voornemen door de beslismedewerker, die ook het gehoor opvolgende aanvraag heeft afgenomen, is gesteld dat het niet de bedoeling was om het asielmotief atheïsme uit te vragen en dat het gehoor alleen zag op geloofsgroei. Hieruit volgt de veronderstelling dat de atheïstische overtuiging eerder ongeloofwaardig is geacht. Daarbij komt dat in het gehoor veel vragen zijn gesteld over waardoor en waarom eiser gesterkt is in zijn overtuiging. Eiser is weliswaar gevraagd naar zijn beweegredenen (motieven), hoe dit maakte dat hij een atheïstische overtuiging kreeg (proces), naar kennis en activiteiten, maar de vraagstelling is veelal in het verband van geloofsgroei gesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de drie elementen, in weerwil van de werkinstructie, niet inzichtelijk en voldoende aan de orde zijn gekomen. Dit geldt temeer nu eiser niet is gevraagd hoe hij aan het gestelde atheïsme uiting zou willen geven in geval van terugkeer, en waarom dit voor hem belangrijk is. Daartoe is de vraagstelling in het gehoor (pagina 16) onvoldoende toegespitst op toekomstige uitingswensen en daarom niet conform de werkinstructie (paragraaf 4.4). De verwijzing van de minister naar het gehoor van 18 december 2017 leidt de rechtbank niet tot een andere oordeel. De minister heeft zich namelijk onverkort op het standpunt gesteld dat eiser heeft verklaard dat hij in Irak geen uiting zou geven aan zijn overtuiging – terwijl eiser in 2017 heeft verklaard dat hij in Irak een discussie niet uit de weg zal gaan, ondanks dat dit hem zijn leven zou kunnen kosten.
6.3.
De beroepsgrond slaagt in zoverre. De rechtbank volgt eiser niet in het overige, omdat de vraagstelling in het gehoor niet zonder meer van oordeelsvorming, vooringenomenheid of sturing getuigt. Eiser heeft dit onvoldoende onderbouwd.
Is de besluitvorming zorgvuldig?
7. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister in het voornemen, wat integraal onderdeel uit maakt van het besluit, geen integrale beoordeling heeft gemaakt van de atheïstische overtuiging. De verschillende elementen en bewijsstukken zijn niet in samenhang gewogen.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit in strijd is genomen met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de afwijzing in stand te laten of mogelijkheid om zelf een beslissing te nemen, omdat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek en de minister eiser opnieuw dient te horen. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.
9. De rechtbank draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de opvolgende asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak. Wat betreft de beslistermijn overweegt de rechtbank dat de minister op grond van behoorlijk bestuur en het Unierecht binnen een redelijke termijn moet beslissen op een asielaanvraag. In de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden is het uitgangspunt dat de minister binnen acht weken op de asielaanvraag dient te beslissen. Gelet op het feit dat eiser nader aanvullend zal moeten worden gehoord, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de minister om op zorgvuldige wijze binnen acht weken een besluit te nemen. Dit betekent dat de minister binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
10. De rechtbank bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb, dat de minister een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee zij de genoemde beslistermijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op een bedrag van € 100,- per dag voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een wegingsfactor van 1 en een waarde per punt van € 907,-).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 20 november 2024;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de opvolgende asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 januari 2018 voor een overzicht van de eerste vijf asielprocedures, ECLI:NL:RBNNE:2018:912.
Vgl. artikel 6:20, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.
Zie de brief van 16 mei 2023.
Pagina 11 van het gehoor opvolgende aanvraag van 18 december 2017.
Het Vreemdelingenbesluit 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4116, r.o. 3.1.
De Algemene wet bestuursrecht.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:302, punten 49, 50 en 56.
Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
In uitspraken op beroepen niet tijdig beslissen: zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2024:20235.