Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:23746
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,795 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.34439 (beroep) en NL24.34440 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: drs. M.F. Aly).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 20 april 2022 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen mevrouw D. Mehrian.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990. Hij legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Er zijn nieuwe relevante elementen ten opzichte van zijn eerdere asielaanvraag, te weten dat er sprake is van geloofsgroei met betrekking tot het christendom en zijn politieke overtuiging en activiteiten in Nederland. Eiser kan om deze redenen niet terugkeren naar Iran.
3.1.
Ter onderbouwing van dit relaas heeft eiser verschillende documenten overlegd, te weten een getuigenis van de Jeruzalemkerk, een aanvulling op de getuigenis van de Jeruzalemkerk en een nieuwsbrief van de Jeruzalemkerk met een persoonlijk verhaal. Ook heeft eiser schermopnames van zijn Youtube-kanaal ‘Gods right hand’, (activiteiten op zijn) Facebook- en X-account en verschillende documenten met betrekking tot Amnesty International [plaats] overlegd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende nieuwe relevante elementen:
eisers geloofsgroei met betrekking tot het christendom (ook wel het eerste nieuwe relevante element) en;
eisers politieke overtuiging en activiteiten in Nederland (ook wel het tweede nieuwe relevante element).
4.1.
In rechte staat vast dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Verweerder vindt de geloofsgroei met betrekking tot het christendom niet geloofwaardig. Verweerder vindt dat wel voor eisers politieke overtuiging en activiteiten in Nederland. De omstandigheid dat eiser uit Iran komt en zijn politieke overtuiging en activiteiten in Nederland zijn volgens verweerder echter onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Irak een risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het eerder opgelegde terugkeerbesluit blijft in stand. Eiser krijgt ook een inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte de omstandigheid dat eiser een relatie heeft met iemand die een gegronde vrees heeft voor vervolging in Iran niet als nieuw asielmotief aangemerkt. Verweerder had verder – gelet op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter en omdat hij nieuwe stukken en verklaringen heeft overlegd in de huidige procedure – de eisers afvalligheid van de islam moeten herbeoordelen. Hierbij had verweerder ook eisers evangeliserende activiteiten moeten betrekken. De geloofwaardigheidsbeoordeling van de geloofsgroei had verweerder moeten doen aan de hand van de werkinstructie 2024/6 in plaats van de werkinstructie 2014/10. Bovendien heeft eiser het eerste nieuwe relevante element wel voldoende aannemelijk gemaakt. Met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers politieke overtuiging en activiteiten stelt eiser dat hij wel heeft te vrezen voor zijn familie en de Iraanse autoriteiten en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer niet zal worden ondervraagd door de Iraanse autoriteiten. Verweerder heeft bij zijn beoordeling onvoldoende rekening gehouden met het Algemeen Ambtsbericht Iran van 2023 (AAB Iran). Ook heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat hij – los van zijn politieke overtuiging en activiteiten in Nederland – ook vanwege zijn bekering voldoende vrees heeft voor zijn familie en de Iraanse autoriteiten. Met betrekking tot eisers politieke overtuiging en activiteiten heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of deze een reëel risico vormen op een schending van artikel 3 van het EVRM. Tot slot heeft verweerder de oplegging van het terugkeerbesluit en inreisverbod ten onrechte niet getoetst aan artikelen 3 en 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Heeft verweerder het besluit zorgvuldig voorbereid?
Betrekken van het in beroep ingebrachte asielmotief?
8. De rechtbank overweegt allereerst dat alleen de omstandigheden die als redenen worden genoemd om asielrechtelijke bescherming aan te vragen, kunnen worden aangemerkt als asielmotieven. Partijen waren ermee bekend dat eiser heeft verklaard een relatie met [naam] te hebben, maar niet is gebleken dat eiser deze relatie en de omstandigheid dat voor haar gegronde vrees is aangenomen eerder al ten grondslag heeft gelegd aan zijn asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor het eerst bij de gronden van het beroep van 10 september 2024 kennis heeft kunnen nemen van dit motief. Nu de relatie en de omstandigheid dat voor [naam] gegronde vrees voor vervolging is aangenomen bij terugkeer naar Iran volgens eiser al bestonden vóór het nemen van het bestreden besluit, maar hij dit verwijtbaar niet in de bestuurlijke fase kenbaar heeft gemaakt als redenen om asielrechtelijke bescherming aan te vragen, is sprake van een achtergehouden asielmotief.
8.1.
Op grond van artikel 83, eerste lid en derde lid, van de Vw dient de rechtbank rekening te houden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, voor zover dat geen strijd oplevert met de goede procesorde en voor zover de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Uit een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt daarbij dat enkel een verplichting bestaat om een in beroep ingebracht asielmotief te betrekken, indien het naar nationale procedureregels tijdig is ingediend en voldoende concreet is. De Afdeling heeft in navolging van dit arrest benadrukt dat een asielmotief enkel betrokken hoeft te worden als dat naar behoren in beroep onderzocht kan worden. Relevante factoren voor die beoordeling zijn of er voldoende feitelijke gegevens beschikbaar zijn over het asielmotief, wat de reden is dat het asielmotief pas in beroep naar voren wordt gebracht, of de zaak in de algemene of verlengde procedure is afgedaan, welke onderzoekslasten ermee gemoeid zijn voor verweerder en of het asielmotief voldoende onderscheidend is van het reeds beoordeelde asielmotief.
8.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in deze procedure beoordelen van het door eiser in beroep ingebrachte asielmotief niet mogelijk is zonder ontoelaatbare vertraging voor de afdoening van deze zaak. De rechtbank overweegt dat er over de relatie met [naam] maar beperkt feitelijke gegevens beschikbaar zij nu eiser – zoals verweerder ook ter zitting heeft tegengeworpen – zijn relatie in zowel de bestuurlijke als de beroepsprocedure niet concreet heeft onderbouwd. Het achtergehouden motief kan zodoende zonder nader onderzoek niet goed beoordeeld worden. Gelet op de tijd en zorgvuldigheid die gemoeid is met een nader onderzoek van verweerder, kan niet worden gevergd van verweerder dit binnen de huidige asielprocedure te beoordelen. Daarbij acht de rechtbank van belang eiser niet heeft kunnen toelichten waarom hij het motief niet eerder naar voren heeft gebracht. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank daarom niet onevenredig bezwarend voor eiser om een nieuwe aanvraag in te dienen.
Conclusie
16. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
17. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
18. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Voorheen ‘Twitter’.
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94.
Zie ook WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:801, zaaknummer C-652/16.
Uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073.
Uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94.
WI 2014/10, p. 5.
Om de geloofwaardigheid van een bekering in het kader van een asielaanvraag te kunnen toetsen zijn volgens de werkinstructie 2022/3 drie elementen van belang, te weten de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten die zijn ondernomen.
Uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2713.
Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 20.
Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 23.
Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 17.
Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 28.
Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 35.
Verslag nader gehoor van 14 november 2019, p. 16.
Verslag nader gehoor van 14 november 2019, p. 16.
Voornemen, p. 6 en 7 en het bestreden besluit, p. 3 en 4.
Uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93.
Beoordeling
De rechtbank zal dit asielmotief dan ook niet in de beoordeling van het onderhavige beroep betrekken. Eisers beroepsgrond op dit punt slaagt dus niet.
Herbeoordeling van de afvalligheid van de islam?
9. Eiser betoogt dat verweerder ook zijn gestelde afvalligheid had moeten (her)beoordelen, omdat deze voor het laatst in 2020 is beoordeeld. De rechtbank overweegt dat deze beoordeling heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, waarin is geoordeeld dat geen sprake is van een toereikend toetsingskader voor de beoordeling van afvalligheid. De Afdeling heeft in deze uitspraak verder geoordeeld dat een duidelijke werkwijze omtrent de beoordeling van afvalligheid als asielmotief ontbrak en heeft verweerder meegegeven dat zij in dit kader kan aansluiten bij de vaste uitgangspunten voor het onderzoek en de beoordeling van bekeringszaken zoals neergelegd in de werkinstructie 2019/18. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de werkinstructie gewijzigd. In de werkinstructie 2022/3 is ten aanzien van afvalligheid een nieuw toetsingskader uiteengezet.
9.1.
In de werkinstructie 2022/3 is onder 5.1 ‘Afvalligheid als zelfstandig asielmotief’ toegelicht dat afvalligheid in verschillende vormen kan voorkomen. Volgens deze werkinstructie moet afvalligheid slechts in sommige gevallen als zelfstandig asielmotief worden beoordeeld. Dat is in drie situaties aan de orde, namelijk:
als de afvalligheid niet gevolgd wordt door een bekering en er dus geen nieuwe (geloofs)overtuiging volgt;
als de afvalligheid vooraf is gegaan aan een bekering, maar de motieven voor en het moment van afvalligheid duidelijk te onderscheiden zijn van een eventuele latere bekering tot een andere geloofsovertuiging en er dus sprake is van twee duidelijk te onderscheiden fasen: enerzijds van de afvalligheid en vervolgens van de bekering;
en als sprake is van toegedichte afvalligheid.
In deze werkinstructie staat ook dat indien er bij een bekering geen losse fase van afvalligheid is, de afvalligheid onlosmakelijk deel uit van het proces maakt dat heeft geleid tot de gestelde bekering en worden de verklaringen over de afvalligheid wel betrokken bij de beoordeling van de bekering. Echter dient de afvalligheid in dit geval niet als los element te worden beoordeeld. Indien er geen losse fase van afvalligheid is bij een bekering en de bekering niet geloofwaardig wordt geacht, betekent dit dat de afvalligheid ook niet geloofwaardig wordt geacht.
9.2.
Nu in het geval van eiser niet is gesteld of gebleken dat sprake is (geweest) van een losse fase van afvalligheid – er zijn geen aanwijzingen dat de motieven voor en het moment van afvalligheid duidelijk te onderscheiden zijn van een eventuele latere bekering – behoefde verweerder de afvalligheid volgens de werkinstructie dus niet (opnieuw) als los element te beoordelen. De enkele omstandigheid dat verweerder in de huidige procedure enkele kerkelijke activiteiten geloofwaardig heeft geacht, maakt dit niet anders. Nu niet is gebleken dat er sprake is (geweest) van een losse fase van afvalligheid, dienen de kerkelijke activiteiten te worden beoordeeld onder het motief bekering. De rechtbank zal deze activiteiten daarom betrekken bij de overwegingen van verweerder in het kader van de door eiser gestelde geloofsgroei. Gelet op het voorgaande, slaagt de beroepsgrond van eiser op dit punt dus niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling aan de hand van de nieuwe werkinstructie?
10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de nieuwe werkinstructie 2024/6 van toepassing was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, maar dat voor het bestreden besluit gebruik is gemaakt van de oude werkinstructie. Voor zover dit als een gebrek is aan te merken, is de rechtbank van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft namelijk niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat voor het voornemen nog de oude werkinstructie gold. Om te voorkomen dat verweerder aan eiser in het bestreden besluit nieuwe punten zou tegenwerpen, heeft verweerder ook voor het bestreden besluit toepassing gegeven aan de oude werkinstructie. Daarbij heeft verweerder voldoende toegelicht dat eiser zich door toepassing van de nieuwe werkinstructie niet in een betere positie had bevonden. De nieuwe werkinstructie kent – indien een asielmotief niet (volledig) met objectieve documenten is te onderbouwen – cumulatieve vereisten waaraan voldaan moet worden om de vreemdeling het voordeel van twijfel te geven en het asielmotief geloofwaardig te vinden. Van deze cumulatieve voorwaarden was in de oude werkinstructie geen sprake. Het enkele standpunt van eiser ter zitting dat hij veel documenten heeft ingebracht, maakt het voorgaande niet anders. Voor zover eiser met dit punt stelt dat onder de nieuwe werkinstructie meer waarde wordt gegeven aan documenten dan onder de oude werkinstructie, overweegt de rechtbank dat ook in de oude werkinstructie waarde werd gehecht aan documenten en dat de oude werkinstructie in dat opzicht niet verschilt van de nieuwe werkinstructie. Uit de oude werkinstructie volgt immers:
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van relevante elementen die voldoende zijn onderbouwd en daarmee zonder meer als geloofwaardig zijn aan te merken. Het gaat hierbij om elementen die met objectieve bewijsstukken zijn onderbouwd, zoals documenten die authentiek zijn en bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard en/of objectieve, openbare bronnen die de verklaringen van de vreemdeling bevestigen.(…)
Indien de vreemdeling een relevant element niet of onvoldoende kan onderbouwen met documenten of ander objectief bewijsmateriaal, zal aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren (zie paragraaf 3.2.1) moeten worden getracht tot het oordeel geloofwaardig of ongeloofwaardig te komen.
10.1.
Gelet op voorgaande, slaagt het betoog van eiser op dit punt niet.
Mocht verweerder de geloofsgroei in redelijkheid ongeloofwaardig achten?
11. Uit de werkinstructie 2022/3 over de beoordeling van geloofsgroei volgt – kort samengevat – het volgende. Als sprake is van nieuwe elementen en bevindingen, moet een procedure-overstijgende integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvinden. Dit geldt ook als bij de vorige aanvraag in het geheel niet geloofwaardig is gevonden dat de vreemdeling was bekeerd. Immers vormen de nieuwe gegevens, in combinatie met de gegevens uit de voorgaande procedure, een nieuw samenstel van gegevens waarover nog niet eerder een oordeel is gevormd. Nieuwe elementen en bevindingen kunnen dus een ander licht werpen op de gegevens uit de voorgaande procedure. Dit kan ertoe leiden dat elementen en bevindingen uit de vorige procedure worden versterkt, maar ook dat hieraan juist (verder) afbreuk wordt gedaan. Nieuwe verklaringen over de motieven voor en het proces van bekering dienen te worden gewogen in samenhang met de verklaringen die de vreemdeling tijdens de voorgaande procedure(s) over deze onderwerpen heeft afgelegd. Aan de vreemdeling moet de mogelijkheid worden geboden om ontoereikende verklaringen over een van de drie elementen van bekering te compenseren met overtuigende verklaringen over de andere twee elementen. Hoeveel gewicht toekomt aan de verschillende elementen, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Indien de vreemdeling de nadruk legt op toegenomen of gewijzigde kennis en/of activiteiten, mag worden verwacht dat hij overtuigend verklaart over zijn ervaringen met en persoonlijke beleving van de nadien voortgezette of ontplooide activiteiten en opgedane kennis.
Beoordeling
Enkel de verklaringen over voortzetting, intensivering of wijziging van activiteiten en/of vergroten van kennis, zonder dat daarbij overtuigende verklaringen worden afgelegd over de persoonlijke beleving hiervan, zullen dus in de regel onvoldoende zijn om niet overtuigende verklaringen over het proces en de motieven van de bekering te compenseren.
11.1.
Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter en uit de betreffende werkinstructie volgt verder dat indien de vreemdeling voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering, er op hem een zwaardere bewijslast rust om zijn beklering geloofwaardig te maken. Indien hij – ondanks de ongeloofwaardigheid van zijn eerdere verklaringen – nu zo overtuigend kan vertellen over zijn motieven voor het proces van bekering dat zich heeft voorgedaan na de vorige afwijzing, kan dit – in combinatie met zijn huidige kennis en de activiteiten die hij verricht – tot de conclusie leiden dat zijn bekering nu wel geloofwaardig is.
11.2.
Het betoog van eiser dat verweerder de geloofsgroei ten onrechte koppelt aan de afwijzing van zijn eerdere aanvraag slaagt niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat eiser zelf heeft verklaard dat hij geloofsgroei heeft doorgemaakt nadat anderen ervoor hebben gezorgd dat hij in aanraking kwam met de kerk en dat dit was nadat hij uit het AZC werd gezet en hij door broeders uit de kerk werd opgehaald. Vervolgens is hierop doorgevraagd door de gehoormedewerker. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan de hand van eisers verklaringen mogen concluderen dat het proces van geloofsgroei is gestart na zijn eerdere afwijzing. Daarbij heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende toegelicht dat de IND niet heeft tegengeworpen dat eiser zich pas na zijn afwijzing heeft verdiept in het geloof.
11.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder vervolgens aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet inzichtelijk maakt hoe het geloof in het christendom voor hem persoonlijk is gegroeid en dat, zo begrijpt de rechtbank, zijn verklaringen in dit opzicht vaag en summier blijven. Zo verklaart eiser dat hij dit keer God echt heeft gevoeld en dat hij gehoor gaf als een vader die zijn kind ondersteund. Als aan eiser gevraagd wordt of hij dit gevoel dan niet eerder heeft ervaren terwijl hij ook eerder al in God geloofde, verklaart hij dat dit een vreemd gevoel is en hij het niet echt weet. Verder verklaart eiser over omstandigheden die hij al in de eerdere procedure heeft verklaard, waaronder dat hij rust heeft gekregen in het christendom en dat hij in het dagelijks leven mensen niet langer veroordeeld.
11.4.
Verweerder heeft verder mogen betrekken dat eiser summier verklaart over de reden dat hij zich niet eerder in het christendom is gaan verdiepen. Eiser verklaart dat hij pas de Bijbelstudie is gaan doen nadat [naam] hem een link had gestuurd. Op de vraag waarom hij dit niet zelf heeft bedacht, stelt hij eerst dat er in Luttelgeest geen Bijbelstudies in het Farsi waren. Later verklaart eiser desgevraagd dat hij hier niet aan heeft gedacht. Ook vindt verweerder eisers verklaringen over het belangrijkste moment in zijn geloofsgroei summier. Eiser stelt dat dat moment de lichtbundel was waarmee hij God gezien zou hebben. Als aan eiser wordt gevraagd dit gevoel te beschrijven, stelt hij dat hij dit niet kan verwoorden. Omdat dit het belangrijkste moment is in zijn geloofsgroei, heeft verweerder mogen verlangen dat eiser uitgebreider kon verklaren.
11.5.
Tot slot betrekt verweerder dat eiser niet inzichtelijk maakt hoe zijn kennis en activiteiten met betrekking tot het christendom hebben bijgedragen aan de gestelde geloofsgroei. Op de vraag wat eiser bij de Bijbellessen heeft geleerd, stelt hij dat iemand een stuk uit de Bijbel voorlas en dat de dominee iets vertelde over de hedendaagse dingen die daarmee te maken hadden. De gehoormedewerker vraagt aan eiser wat voor hem het verschil maakte in wat hij door de Bijbelcursus te weten is gekomen. Eiser verklaart daarop dat hem is bijgebleven dat de verlossing alleen door Jezus kan komen en iedereen die bij Jezus aanwezig is gered kan worden en verlossing kan krijgen. Dit heeft eiser echter al tijdens uw vorige procedure verklaard toen hij stelde dat het christendom voor hem verlossing betekent, hetgeen daarom niet ten onrechte niet duidt op geloofsgroei. Verder stelt eiser in het laatste gehoor dat hij heeft geleerd andere mensen te helpen, maar ook dit heeft eiser tijdens zijn vorige procedure verklaard.
11.6.
Hoewel verweerder volgt dat eiser heeft deelgenomen aan Bijbellessen, de Alpha-cursus heeft gedaan en dat hij met [naam] christelijke video’s op YouTube heeft geplaatst, geldt dat – nu eiser zelf de nadruk legt op toegenomen of gewijzigde kennis en/of activiteiten – van hem mag worden verwacht dat hij overtuigend verklaart over zijn ervaringen met en persoonlijke beleving van de nadien voortgezette of ontplooide activiteiten en opgedane kennis. Daarvan is, gelet op het voorgaande en gelet op de zwaardere bewijslast die op eiser rust, geen sprake.
11.7.
Dat verweerder de overige stukken, te weten een getuigenis van de Jeruzalemkerk, een aanvulling op die getuigenis en een nieuwbrief van de Jeruzalemkerk met een persoonlijk verhaal niet in haar besluitvorming heeft betrokken, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft dit expliciet wel gedaan. Dat deze stukken eiser gestelde geloofsgroei wel voldoende aannemelijk kunnen maken, volgt de rechtbank ook niet. Eisers verklaringen blijven leidend en hiervoor is reeds overwogen dat deze niet voldoende overtuigend zijn.
11.8.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn geloofsgroei niet geloofwaardig kunnen achten.
Mocht verweerder vinden dat eiser de vrees voor vervolging vanwege politieke en/of religieuze activiteiten niet aannemelijk heeft gemaakt?
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser geschetste problemen bij terugkeer terecht niet aannemelijk heeft gevonden.
Politieke activiteiten
12.1.
Verweerder heeft in haar beoordeling mogen betrekken dat uit de overlegde stukken en verklaringen niet valt op te maken dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de activiteiten van eiser voor een lokale afdeling van Amnesty International in [plaats] . Het bereik van deze afdeling is niet groot en de activiteiten van eiser voor deze afdeling richten zich voor een zeer beperkt deel op politieke onderwerpen gericht tegen de Iraanse autoriteiten. De activiteiten van eiser op X en Facebook maken het voorgaande niet anders. Zo heeft verweerder erop gewezen dat het X-account van eiser niet aan hem persoonlijk is te linken en is het bereik van het Facebook-profiel van eiser – met 43 volgers en/of vrienden – klein. Tegen deze achtergrond heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij wel in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat en daarmee ook dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging door de Iraanse autoriteiten.
12.2.
Eisers enkele verwijzing naar het AAB Iran van september 2023 – waaruit volgt dat Iraanse autoriteiten politieke activisten monitoren in het buiteland – maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft, zoals hierboven volgt, voldoende gemotiveerd waarom niet blijkt dat eiser in de belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Alhoewel verweerder niet betwist dat een terugkerende vreemdeling op de luchthaven in Iran ondervraagd kan worden door de autoriteiten over de reden van zijn afwezigheid, heeft zij gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser bij aankomst in Iran daardoor problemen zal ondervinden.
Beoordeling
Uit voornoemde landinformatie volgt dat terugkerende asielzoeker weliswaar kunnen worden ondervraagd bij aankomst, maar er blijkt niet uit dat mishandeling en vervolging daarbij gebruikelijk zijn. Nu niet aannemelijk is geworden dat eiser een profiel heeft waar de Iraanse autoriteiten in het bijzonder belangstelling voor zullen hebben, is niet aannemelijk dat eiser bij aankomst in Iran problemen staan te wachten. Eisers verwijzing naar jurisprudentie die verweerder verplicht te onderzoeken of er risico bestaat dat de autoriteiten eiser zullen ondervragen bij terugkeer, baat hem niet. In die uitspraak is geconcludeerd dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling van wie de afvalligheid of het atheïsme geloofwaardig is geacht, bij terugkeer geen risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling gelet op de ondervragingen bij terugkeer. In het geval van eiser is zijn bekering (en eerder ook zijn afvalligheid) juist ongeloofwaardig geacht. Van een soortgelijk geval zoals centraal stond in de Afdelingsuitspraak is daarom geen sprake van. De eerder gestelde afvalligheid en de bekering zijn tot slot ongeloofwaardig geacht en staan in rechte vast. Dat eiser – los van zijn politieke overtuiging en activiteiten in Nederland – ook vanwege zijn bekering heeft te vrezen voor zijn familie en de Iraanse autoriteiten, houdt dus ook geen stand.
Religieuze activiteiten
12.3.
Hoewel dit niet als zelfstandig element is aangemerkt, heeft verweerder wel aangenomen dat eiser religieuze activiteiten heeft verricht. Anders dan eiser heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit tot slot voldoende is gemotiveerd waarom deze activiteiten op zichzelf onvoldoende zijn om vrees voor vervolging aan te nemen. Verweerder heeft toegelicht waarom het niet aannemelijk is dat eiser naar aanleiding van deze activiteiten wordt bedreigd of hierdoor bij terugkeer naar Iran problemen zal ondervinden en daarbij mogen betrekken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat. Met betrekking tot de religieuze activiteiten op het X- en Facebook-profiel van eiser heeft verweerder kunnen volstaan met hetgeen zij hierover heeft overwogen in het kader van de politieke activiteiten. Wat betreft eisers YouTube-profiel ‘Gods right hand’ heeft verweerder betrokken dat uit overlegde screenshots blijkt dat de video’s ten hoogste 58 kijkers trekken, het profiel slechts 12 volgers kent en het daarom niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de video’s.
Mocht verweerder vinden dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn politieke en/of religieuze activiteiten?
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht gevonden dat de politieke en/of religieuze activiteiten van eiser niet maken dat hij daarom als vluchteling moet worden aangemerkt, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor in de negatieve aandacht is komen te staan. Met verwijzing naar de beoordeling van het vluchtelingschap heeft verweerder in het bestreden besluit en ter zitting toegelicht dat voor eiser ook geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eisers standpunt dat verweerder niet kan verwijzen naar wat is overwogen onder vluchtelingschap voor de beoordeling van het risico op ernstige schade, volgt de rechtbank ik dit geval niet. Verweerder heeft voldoende toegelicht waarom het niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Die beoordeling is in dit geval niet anders als het gaat om het risico op ernstige schade. Verder heeft eiser heeft geen andere argumenten aangedragen die maken dat verweerder een onjuiste toets heeft gemaakt bij de beoordeling van een reëel risico op ernstige schade. Eisers beroepsgrond op dit punt slaagt daarom niet.
Heeft verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod in strijd gehandeld met artikel 3 van het EVRM?
14. In de voorgaande procedure heeft verweerder al een terugkeerbesluit genomen. Deze is in rechte vast komen te staan. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat er alleen aanknopingspunten zijn om het inreisverbod en het terugkeerbesluit (opnieuw) aan artikel 3 EVRM te toetsen als de rechtbank tot het oordeel komt dat de inhoudelijke beoordeling door verweerder een gebrek bevat. Nu de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat verweerder zich in deze procedure in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser gestelde problemen bij terugkeer naar Iran niet aannemelijk zijn, is daarvan geen sprake.
Heeft verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod in strijd gehandeld met artikel 8 van het EVRM?
15. Eiser heeft in de bestuurlijke fase gewezen op zijn relatie met [naam] . De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepsgronden heeft verduidelijkt dat hij geen beroep heeft willen doen op beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Eiser heeft aan verweerder verder geen andere omstandigheden genoemd die maken dat verweerder desondanks aan artikel 8 van het EVRM had moeten toetsen. Verweerder kon alleen al om die reden afzien van de beoordeling aan artikel 8 van het EVRM. Daar komt bij dat als eiser dit wel had gesteld, verweerder in het bestreden besluit al heeft gemotiveerd niet gehouden was te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft dit niet tegengeworpen. Verweerder heeft daarom bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet in strijd gehandeld met artikel 8 van het EVRM.