Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:5058
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,477 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11126
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Nuninga).
Procesverloop
De minister heeft op 16 oktober 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 5 november 2024. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 23 januari 2025.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 16 januari 2025) rechtmatig is.
Bestaat er zicht op uitzetting en handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Eisers vlucht, die gepland was op 14 maart 2025, is geannuleerd vanwege de gedragingen van eiser. De vlucht was eind februari al geboekt en eiser heeft hiervan op 26 februari 2025 een kennisgeving gekregen. De minister had al veel eerder moeten nagaan of eiser gelet op zijn medische toestand wel in staat was om te vliegen. Eiser zit al vijf maanden in bewaring en is vanaf het begin al warrig, hetgeen ook blijkt uit verschillende vertrekgesprekken. Dit is ook de reden dat hij verblijft op de Extra Zorg Afdeling van het detentiecentrum in [plaatsnaam]. De minister had kunnen en moeten weten dat een medische check noodzakelijk was om te kunnen beoordelen of eiser wel in staat is om te vliegen. Gelet op het voorgaande ontbreekt ook het zicht op uitzetting op korte termijn.
4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De reden hiervoor is dat de minister op basis van het vertrekgesprek op 5 maart 2025 niet ten onrechte op voorhand heeft ingeschat dat eiser zonder escorts zou kunnen vliegen. Ook wat de psycholoog over eiser heeft gezegd, namelijk dat hij wel warrig was maar dat er geen psychologisch ziektebeeld bestaat, had voor de minister geen aanleiding hoeven zijn om aan te nemen dat eiser niet zonder escorts kon vliegen. Hier komt bij dat de minister, nadat eiser niet op het vliegtuig is gestapt, op dezelfde dag een nieuwe vlucht heeft geregeld, waarbij wel gebruik gemaakt zal worden van medische escorts en escorts van de Koninklijke Marechaussee. Daarnaast heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser op de dag van de vlucht zelf heeft verklaard niet mee te willen werken, omdat hij naar Londen wil. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Dat er geen zicht op uitzetting op korte termijn bestaat heeft eiser niet nader onderbouwd. Bovendien heeft de minister op zitting aangegeven dat er op 8 april 2025 een nieuwe vlucht gepland staat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er wel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19097.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 23 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2025:1014.
Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Zie het vertrekgesprek d.d. en d.d.
ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.