Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:3260
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,663 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47132
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
20 november 2024 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1996 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat de gronden genoemd in de zienswijze ten aanzien van onderhavige procedure als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Eiser betoogt tevens dat verweerder niet blind uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verwijst daarbij naar een arrest van het EHRM. Eiser verklaart in Zwitserland mensonterend behandeld te zijn geweest en vreest bij overdracht op dezelfde manier te zullen worden behandeld. Volgens eiser heeft Zwitserland zijn onderzoeksplicht uit artikel 3 van het EVRM geschonden en stelt dat verweerders verwijzing naar het Jawo-arrest hierbij niet van toepassing is. Volgens eiser had onderzoek op de weg van verweerder gelegen, omdat Zwitserland in strijd handelde met het Changu-arrest door eiser op straat te zetten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt allereest dat het uit algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, de rechtbank niet zonder meer kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Mocht verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er in beginsel op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het Jawo-arrest is voor deze beoordeling van belang, omdat hieruit volgt dat een schending van voormelde bepalingen wordt aangenomen indien de tekortkomingen in het Zwitserse asiel- en opvangsysteem structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt hebben.
7.1.
De hoogste bestuursrechter heeft bij uitspraak van 4 november 2020 bevestigd dat ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Zwitserland sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem waardoor eiser bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft geen onderzoek hoeven doen naar de situatie in Zwitserland nu eiser zijn standpunt niet heeft onderbouwd met objectieve informatie. Bovendien heeft eiser de stellingen dat hij op mensonterende wijze behandeld is in Zwitserland en geen aanspraak kon maken op adequate opvang en rechtsbijstand, niet nader geconcretiseerd. De verwijzing naar het Changu-arrest biedt hieraan geen ondersteuning. Daarbij mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Zwitserse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins klaagt bij de betreffende (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid er niet is of dat de Zwitserse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. De rechtbank stelt vast dat verweerder van het juiste beoordelingskader uit is gegaan en terecht heeft overwogen dat Zwitserland met het expliciete claimakkoord de garantie heeft gegeven dat een nieuwe asielaanvraag van eiser met inachtneming van de Europese richtlijnen in behandeling wordt genomen.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:C:EU:2019:218
ECLI:EU:C:2024:748.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2020:2592.