Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:2741
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
980 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7600
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 23 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 21 februari 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 9 januari 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije. De Algerijnse autoriteiten hebben wel toegezegd een lp af te geven, maar deze is nog niet daadwerkelijk afgegeven, ondanks een rappel op 6 februari 2025.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In zijn algemeenheid bestaat er zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt. De Algerijnse autoriteiten hebben toegezegd een lp te verstrekken en er is een vlucht voor eiser gepland op 28 februari 2025. Er is daarbij ook geen concrete aanleiding om te betwijfelen dat de Algerijnse autoriteiten tijdig, vóór de geplande vluchtdatum, een lp zullen verstrekken.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:363.
Laissez-passer.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en 15 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2842 en rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem van 17 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9584.