Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:9966
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,795 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24056
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Verweerder heeft op 29 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld (zaaknummer: NL24.24581). Deze maatregel is op 10 juni 2024 opgeheven.
Bij besluit van 10 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.J. van der Woude, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Na sluiting van het onderzoek ontvangen stukken
2. De gemachtigde van eiser heeft na afloop van de zitting medische stukken toegevoegd aan het digitale dossier. Het onderzoek was op dat moment echter al gesloten. De gemachtigde van eiser heeft daarnaast niet ter zitting meegedeeld dat hij deze stukken nog had willen overleggen. Verweerder heeft dan ook niet de mogelijkheid gehad om te reageren op (de inhoud van) de medische stukken. Nu de stukken door de rechtbank zijn ontvangen na sluiting van het onderzoek en omdat verweerder hier niet op heeft kunnen reageren, zal de rechtbank bij de beoordeling van deze maatregel van bewaring geen rekening houden met de inhoud van deze stukken.
Onrechtmatigheid eerdere maatregel van bewaring
3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring van 29 april 2024 niet tijdig is omgezet naar de huidige maatregel van bewaring. Er is immers op 1 juni 2024 een besluit op zijn asielaanvraag genomen en eiser heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld. Pas op 10 juni 2024 is de grondslag van de maatregel omgezet. In dat verband verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats, Roermond. In die uitspraak heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Hof over opvolgende inbewaringstellingen waarbij een eerdere inbewaringstelling op enig moment onrechtmatig was. Eiser stelt verder dat geen sprake is van een effectief rechtsmiddel indien niet één en dezelfde zittingsplaats het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 29 april 2024 en het onderhavige beroep behandelt. Subsidiair verzoekt eiser de behandeling van het beroep aan te houden totdat het Hof de prejudiciële vragen heeft beantwoord.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij in het onderhavige beroep uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring van 10 juni 2024 zal beoordelen. Een eventuele te late grondslagwijziging is een onrechtmatigheid die kleeft aan de eerdere maatregel van bewaring en deze kan in beginsel niet doorwerken naar de latere maatregel van bewaring. Dit wordt ook wel de schottentheorie genoemd. Ook uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een onrechtmatigheid in de eerdere inbewaringstelling de daarop volgende inbewaringstelling in beginsel niet onrechtmatig maakt. Alleen in het geval van een ernstige schending van een fundamenteel recht of van een opeenstapeling van ernstige gebreken voorafgaand aan de nieuwe maatregel kan van deze hoofdregel worden afgeweken. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat daar in dit geval sprake van is. Ambtshalve toetsend is ook niet gebleken dat van een dergelijke ernstige schending of van een opeenstapeling van ernstige gebreken sprake is. Daarnaast is niet gebleken dat aan eiser een effectief rechtsmiddel is onthouden doordat zijn beroepen niet door één zittingsplaats zijn behandeld, nu de eventuele onrechtmatigheden in de eerdere inbewaringstelling in dit geval niet doorwerken naar de latere inbewaringstelling.
5. De omstandigheid dat zittingsplaats Roermond prejudiciële vragen heeft gesteld over de schottentheorie, vormt geen aanleiding voor een andere conclusie. De rechtbank zoekt aansluiting bij de eerder genoemde jurisprudentie van de Afdeling. Bovendien zag de Afdeling in de uitspraak van 16 juni 2023 geen reden tot het stellen van prejudiciële vragen en heeft zij op basis van eerdere Afdelingsjurisprudentie toegelicht op welke wijze onrechtmatigheden uit eerdere inbewaringstellingen een rol kunnen spelen bij een opvolgende maatregel. Er bestaat daarom geen aanleiding om eisers beroep aan te houden totdat het Hof de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond heeft beantwoord.
Uitreiking conform artikel 5.3 van het Vb
6. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring niet conform artikel 5.3 van het Vb is uitgereikt.
7. De Afdeling heeft bij uitspraak van 15 november 2023 uiteengezet dat uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb volgt dat de informatie genoemd in die bepaling schriftelijk in een taal die de vreemdeling verstaat moet worden gegeven. De rechtbank stelt vast dat verweerder dat in dit geval niet heeft gedaan.
8. Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring echter pas onrechtmatig als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Dat eiser niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte is gesteld van de redenen van bewaring, betekent niet dat hij niet wist waarom hij in bewaring is gesteld. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is met behulp van een tolk met eiser gesproken over de redenen waarom hij mogelijk in bewaring zal worden gesteld. Verder is eiser door middel van (in ieder geval) de informatiefolder, die is opgesteld in een taal die hij verstaat, op de hoogte gesteld van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel en het verkrijgen van kosteloze rechtsbijstand. Eiser heeft ook kort na de oplegging van de maatregel, met behulp van een rechtsbijstandverlener, beroep ingesteld tegen de maatregel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. Het gebrek leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Grondslag en gronden maatregel van bewaring
9. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
10. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij/zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn/haar identiteit en nationaliteit;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 Vw heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
11. Ter zitting heeft verweerder lichte grond 4f laten vallen.
12. Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i. Hij stelt dat de motivering in de maatregel van bewaring is gebaseerd op oude gedragingen van eiser. Hij is op 29 april 2024 overgedragen door de Franse autoriteiten aan Nederland en heeft zich dan ook op die manier terstond gemeld bij de relevante autoriteiten. Hij heeft niet eerder de mogelijkheid gehad om zelfstandig uit Nederland te vertrekken. Verder volgt uit het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring van 10 juni 2024 dat hij wel wil terugkeren naar Algerije.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht zware grond 3a aan de maatregel ten grondslag gelegd.
Conclusie
19. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
20. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:NL:RBDHA:2024:8499.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2096.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:885.
ECLI:NL:RBDHA:2023:13656.
Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RVS:2023:4180.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Laissez-passer.
ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9584.