Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:20219
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,494 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48690
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Verweerder heeft op 14 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.M. Seth Paul, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 september 2025 (in de zaak NL25.39680) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 3 september 2025.
Voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe stelt hij dat verweerder pas op 3 september 2025 de zaak heeft voorgelegd aan de European Return Liaison Officer (EURLO), terwijl er geen reden was om dit niet eerder te doen. Verder heeft verweerder de kopie van eisers geboorteakte, nadat deze door de EURLO was ontvangen, pas willen overhandigen tijdens een persoonlijke afspraak met het Egyptisch consulaat op 8 oktober 2025, terwijl dit document ook al eerder per e-mail had kunnen worden voorgelegd. Dat dit geen effectieve manier van werken is, is verder geïllustreerd door het feit dat die afspraak moest worden verplaatst naar 22 oktober 2025.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het Egyptisch consulaat de afspraak van 8 oktober 2025, waarin de kopie van eisers geboorteakte zou worden gepresenteerd, heeft afgezegd. Er is meteen een nieuwe afspraak gemaakt op 22 oktober 2025. Verweerder heeft vervolgens op 10 oktober 2025 alsnog de kopie van de geboorteakte naar de Egyptische autoriteiten verzonden. Verder heeft verweerder in de te toetsen periode op 4 september 2025 en 25 september 2025 rappels gestuurd ter bevordering van de laissez-passeraanvraag . Daarnaast heeft op 17 september 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. Dat verweerder niet vóór 3 september 2025 contact heeft opgenomen met de EURLO, doet hieraan niet af. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser voor die tijd zelf enige actie heeft ondernomen om aan documenten te komen, terwijl op hem de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn vertrek. Bovendien valt een beoordeling van het handelen van verweerder in de periode vóór 3 september 2025 buiten de te toetsen periode van het onderhavige beroep. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 3 september 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
6. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.