Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:19275
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,036 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.30943
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1987, van Colombiaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1
Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van afgewezen als ongegrond.
1.2
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en I.V.E. Ramirez Ruiz als tolk in de taal Spaans. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft op 10 maart 2023 in Nederland zijn asielaanvraag ingediend en daar het volgende relaas aan ten grondslag gelegd. Eiser is sinds zijn geboorte mindervalide en heeft een beperking aan zijn rechterhand en rechtervoet vanwege de aandoening Cerebrale Parese. Door deze beperking is eiser voor 29 procent arbeidsongeschikt verklaard en kan hij in Colombia geen werk vinden. Eiser wordt vanwege zijn handicap al sinds zijn jeugd gepest en mishandeld, ook door zijn oom die hem het huis uit wil hebben en eiser heeft bedreigd met de dood. Eiser heeft daarom begin 2023 geprobeerd aangifte te doen bij de politie en de Comisaria de Familia, maar de aangifte werd niet in behandeling genomen. De klacht bij de Ombudsman hierover werd ook niet in behandeling genomen.
Besluitvorming
5. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Pesterijen en mishandelingen vanwege lichamelijke beperkingen;
3. Pogingen tot aangifte en klachten bij de Colombiaanse autoriteiten.
5.1
Verweerder acht de eerste twee elementen geloofwaardig. De pogingen tot aangifte en klachten bij de Colombiaanse autoriteiten acht verweerder deels geloofwaardig. Dat eiser pogingen heeft ondernomen om aangifte te doen wordt inmiddels door verweerder geloofwaardig geacht, maar dat geen van deze instanties eisers beklag en/of aangifte in behandeling zouden hebben willen nemen niet. Dit is niet in lijn met informatie uit gezaghebbende openbare bronnen, waaronder het Algemeen Ambtsbericht inzake Colombia d.d. maart 2022. Bovendien blijkt volgens verweerder uit de door eiser overgelegde e-mails dat de autoriteiten juist bereid zijn eiser te helpen.
5.2
Volgens verweerder kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling, omdat de geloofwaardig geachte elementen niet zijn te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Voor zover eiser dit wel meent, overweegt verweerder dat de discriminatie geen dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden heeft
opgeleverd dat het voor eiser onmogelijk is om in Colombia op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.
5.3
Ook bestaat er volgens verweerder bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Dat eisers oom hem bij terugkeer zal vermoorden, acht verweerder niet aannemelijk. Hierbij betrekt verweerder dat eiser reeds vijftien jaar lang bij zijn oom in huis heeft gewoond, hij altijd (financieel) zorg heeft gedragen voor eiser en eiser in deze periode niet het huis uit heeft gezet of eiser zodanig heeft verwond dat hij behandeling nodig had. Tevens geldt volgens verweerder dat eiser de bescherming van de Colombiaanse autoriteiten in zou kunnen roepen.
Standpunt eiser
6. Eiser doet allereerst een beroep op het arrest J.K. t. Zweden van het EHRM en stelt dat hem het voordeel van de twijfel dient te worden verleend wat de betreft de niet geloofwaardig bevonden verklaringen. Eiser zijn relaas kan in grote lijnen geloofwaardig worden beschouwd en is in zijn geheel coherent. Verweerder heeft nagelaten te motiveren en te beoordelen hoe de geloofwaardig bevonden elementen doorwerken in de totale beoordeling. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 11 september 2022 en naar de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023.
6.1
Voorts voert eiser aan dat de beoordeling van het laatste relevante element onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder acht inmiddels de pogingen om aangifte te doen wel geloofwaardig en daarom kan niet worden gesteld dat het laatste element niet geloofwaardig is. Dit maakt het besluit innerlijk tegenstrijdig. Dat verweerder niet gelooft dat de aangiftes niet zijn opgenomen, had als separaat element opgevoerd moeten worden.
6.2
Ook stelt eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser bij het beslissen. Eiser heeft te maken met een lichamelijke én verstandelijke beperking, wat zich uit in een bepaalde traagheid in denken en communiceren. Eiser heeft hiervoor medische verklaringen overgelegd en een MRI-scan van de hersenen. Eiser verwijst in dit verband naar het artikel uit de AM&R 2023-2 ‘Hoe een licht verstandelijke beperking en andere vormen van laaggeletterdheid kunnen leiden tot afwijzing van een asielaanvraag, Begrijpen we elkaar wel?’ van drs. M.E.J. Kollen.
6.3
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij moet worden aangemerkt als vluchteling omdat aannemelijk is dat de autoriteiten zijn aangifte niet in behandeling hebben genomen omdat allereerst eiser te maken heeft gehad met huiselijk geweld. Verweerder neemt dit immers in haar beleid aan voor vrouwen die te vrezen hebben voor huiselijk geweld, en het zou discriminatoir zijn om mannen hier niet onder te laten vallen. Ook nemen de autoriteiten eiser zijn aangifte niet in behandeling vanwege zijn handicap. In de situatie analyse (2022) van de rechten van mensen met een beperking in Colombia van UN Partnership on the Rights of People with Disabilities staat immers dat ondanks dat er een gunstig wettelijk kader in Colombia bestaat, 88 procent van de ondervraagde personen met een handicap meldt dat zij nog steeds te maken hebben met discriminatie in de samenleving. Ook noemt het rapport de houding en onwil van sommige ambtenaren om flexibel te zijn en de steun of redelijke aanpassingen te bieden die nodig zijn om toegang te krijgen tot informatie, een belangrijke belemmering.
6.4
Voorts voert eiser aan dat verweerder ten onrechte aanneemt dat geen sprake is van dusdanige discriminatie dat het onder de reikwijdte van het Vluchtelingenverdrag valt. Eiser moet zijn huis uit vanwege de bedreigingen van zijn oom en het is voor hem onmogelijk om werk te vinden. Dit is ook in lijn met landeninformatie. Uit het meest recente USDOS rapport van 12 april 2022 blijkt dat gehandicapten veel vaker werkloos waren dan de rest van de bevolking. Vorig jaar schatte een hoge regeringsfunctionaris dat 85 procent van de gehandicapten werkloos was.
6.5
Ten aanzien van de zwaarwegendheid voert eiser aan dat verweerder de ernstige schade bij terugkeer onjuist heeft beoordeeld. Dat eiser eerder is mishandeld biedt juist een duidelijke aanwijzing voor toekomstige ernstige schade. De opmerking dat eiser het tot nu toe heeft overleefd vindt eiser onvoldoende. Het huiselijk geweld is juist toegenomen. De aanname van verweerder ‘Het is te begrijpen dat de situatie van het overlijden van uw oma emoties en frustraties met zich mee hebben gebracht bij uw oom.’ in het bestreden besluit is volgens eiser nergens op gebaseerd. Juist door het overlijden van de oma lijkt eisers oom geen rem meer te hebben.
6.6
Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder een BMA onderzoek dient te verrichten naar de medische situatie van eiser in verband met zijn psychische klachten en dat eiser in aanmerking komt voor een vergunning op humanitaire gronden.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij eiser niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de pogingen tot aangifte bij de Colombiaanse autoriteiten.
Conclusie
8. Concluderend oordeelt de rechtbank dat verweerder, gelet op het voorgaande, het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- bij een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.I. Mooij, griffier.
Informatie over het hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD005916612, 23 augustus 2016.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
ECLI:NL:RBDHA:2022:11899.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:1622.
Vreemdelingencirculaire 10.5.1.
Bureau Medisch Advies.
Verslag nader gehoor, pagina 15.
Correcties en aanvullingen nader gehoor, pagina 1.
Verslag nader gehoor, pagina 3 en 4.
Verslag nader gehoor, pagina 11.
Verslag nader gehoor, pagina 10.
Verslag nader gehoor, pagina 4.
Verslag nader gehoor, pagina 11.
Verslag nader gehoor, pagina 12.
Beoordeling
Eiser heeft in het nader gehoor en in de correcties en aanvullingen verklaard dat hij twee keer bij het politiebureau is geweest en twee keer bij de Comisaria de Familia,, maar dat zijn aangifte niet in behandeling werd genomen. De redenen die eiser van de politie en de Comisaria de Familia te horen kreeg waren dat het binnen de familie normaal was dat de één de ander slaat, dat zijn aangifte niet geloofwaardig zou worden bevonden in een procedure vanwege zijn handicap en omdat het ook al maanden geleden gebeurd was. Bij de ombudsman kreeg eiser te horen dat het om een familiezaak ging en daarom niet terecht kon.
7.1.1
De rechtbank overweegt dat deze uitspraken door verweerder niet (kenbaar) zijn betwist en slechts een klein deel vormen van het (verder wel geloofwaardig geachte) relaas van eiser. Ook zijn deze uitspraken in lijn met de door eiser naar voren gebrachte algemene landeninformatie over Columbia, waaruit volgt dat 88 procent van de ondervraagde personen met een handicap meldt dat zij nog steeds te maken hebben met discriminatie in de samenleving. De rechtbank acht het daarom goed mogelijk dat ook binnen de politie sprake is van discriminatie. Verweerder neemt immers in haar eigen beleid aan dat de politie ook niet al te nauw is met de eigen regelgeving als het gaat om vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Al deze punten bij elkaar genomen, oordeelt de rechtbank dat eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund wat betreft het niet in behandeling nemen van zijn aangifte en klacht door de Colombiaanse autoriteiten.
7.1.2
Dat verweerder stelt dat uit de door eiser overgelegde mailcorrespondentie in de zienswijze geen onwilligheid van de autoriteiten blijkt om eiser te hulp te staan, volgt de rechtbank niet. Eiser is naar eigen zeggen na deze e-mails naar de verschillende instanties geweest maar die wilden hem alsnog niet helpen. De rechtbank wijst hierbij ook op de in beroep overgelegde aangifte die is gedaan door eisers moeder tegen de oom op 22 oktober 2023. Eiser heeft op de zitting verklaard dat eiser of zijn moeder nog geen reactie hebben gehad op het onderzoek en dat eisers moeder vaak langs is geweest om te vragen hoe het met het onderzoek staat, maar dat door de politie nog steeds geen actie is ondernomen.
7.1.3
Overigens is de rechtbank het met eiser eens dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het bovenstaande in de besluitvorming niet als separaat relevant element op te nemen (zie r.o. 5), terwijl het niet in behandeling nemen van de aangifte in het bestreden besluit wel als zodanig aan eiser is tegengeworpen.
7.2
De rechtbank buigt zich vervolgens over de vraag of verweerder terecht heeft overwogen dat de discriminatie die eiser ervaart in Colombia geen dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij doordat hij mindervalide is moeilijkheden heeft gehad op de lagere school en op de middelbare school. Toen eiser vijf jaar oud was werd hij zo gepest op school dat hij daar weg moest. De schoolleiding deed niets. Het pesten was zo erg dat eiser fysiek mishandeld werd door zijn klasgenoten. Op een andere school heeft hij zijn schooljaren afgemaakt met gedeeltelijke aanwezigheid. Eiser is hierna een studie begonnen voor sportjournalistiek, maar door het pesten en de mishandelingen kon hij die studie niet afmaken. In 2016 heeft eiser de opleiding voor logistiek medewerker afgerond. In 2020 is eiser weer een logistieke opleiding gaan doen, maar door familieomstandigheden, geweld , mishandelingen, en vanwege pesterijen moest hij daarmee stoppen.
7.3
Eiser heeft verder verklaard dat hij op de arbeidsmarkt en op het werk werd gediscrimineerd door bedrijven. Eiser is sinds zijn achttiende levensjaar al op zoek naar een baan, maar dit is hem niet gelukt. De Colombiaanse overheid heeft een arbeidsdienst met vacatures, maar als eiser belde en zijn medische gegevens doorgaf, dan werd hij gediscrimineerd vanwege zijn handicap. Eiser heeft via deze dienst wel tweehonderd keer gesolliciteerd. Om een baan te kunnen krijgen heb je een medische keurig nodig. Eiser heeft verklaard dat hij dan werd afgewezen op grond van zijn handicap. Als eiser al door al die filters heen kwam, door de medische keuring en door het sollicitatiegesprek, dan werd eiser op de werkvloer alsnog ontslagen als ze zijn handicap zagen. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij in totaal drie werkplekken heeft gehad. Dit betreft allereerst een betaalde stage bij het [bedrijf] , maar toen eiser na de stageperiode bij hetzelfde bedrijf solliciteerde wezen zij eiser af vanwege het medisch rapport. Eiser heeft ook een andere functie gehad in de logistiek, maar werd de volgende dag naar HR geroepen en ontslagen. Ook werd eiser bij zijn derde functie, bij een tassen- en kofferwinkel, na vijf dagen ontslagen in verband met zijn handicap. Eiser heeft op de zitting ook verklaard dat hij als zelfstandige heeft geprobeerd te werken, onder andere door te schilderen of kranten te bezorgen. Hierover vertelde eiser dat de wet voor zelfstandigen een pensioen- en gezondheidsverzekering vereist, maar dat eiser daar geen geld voor heeft. Eiser heeft verklaard dat klanten hem afwezen vanwege zijn handicap, omdat zij niet verantwoordelijk wilden zijn voor een mogelijk ongeluk.
7.4
De rechtbank stelt vast dat bovenstaande verklaringen door verweerder niet zijn betwist, en constateert aldus dat eiser achttien jaar lang actief heeft geprobeerd om werk te vinden en zo ook zijn oom te kunnen ontvluchten, maar dat dit hem vanwege zijn handicap niet is gelukt. De overweging van verweerder dat eiser toegang heeft gehad tot de arbeidsmarkt, volgt de rechtbank niet, nu eiser elke keer binnen enkele dagen werd ontslagen. Het relaas van eiser past ook binnen het beeld van de ingebrachte landeninformatie dat 88 procent van de personen met een handicap in Colombia discriminatie ervaart en 85 procent van de gehandicapten in Colombia werkloos is. De rechtbank acht het daarmee voldoende aannemelijk dat het eiser niet is gelukt zichzelf staande te houden in Colombia vanwege zijn beperking. Eisers oom wil eiser het huis uitzetten en eiser niet langer onderhouden als hij geen werk vindt. Daarbij is gebleken dat eiser nergens anders terecht kan voor hulp. Zijn moeder is financieel afhankelijk van eisers oom, de zussen van eisers moeder hebben allen een eigen gezin en kunnen daarom financieel niet bijdragen, en eisers neef in Nederland is tweedegraads familie waarmee eiser weinig contact heeft. Eiser heeft in Columbia ook geprobeerd om hulp te krijgen van stichtingen, waaronder de stichting [stichting] , maar dat heeft volgens eiser evenmin iets opgeleverd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder nader dient te motiveren, en daarbij de alle hierboven genoemde omstandigheden in samenhang dient te betrekken, of eiser bij terugkeer naar Colombia vanwege de discriminatie die hij ervaart niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
7.5
Het voorgaande betekent eveneens dat eiser geen andere keuze heeft dan in Colombia terug te keren naar zijn oom, waar hij voor vreest juist omdat hij geen werk kan vinden. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat sinds zijn oma is overleden in 2022 de agressie en bedreigingen door zijn oom toenamen. Eiser heeft verklaard in dat jaar drie keer te zijn geslagen door zijn oom en negen keer te zijn bedreigd met de dood. Deze mishandelingen en dreigingen in het verleden worden door verweerder geloofwaardig geacht. De rechtbank overweegt dat verweerder niet zomaar voorbij mocht gaan aan dit verleden, nu dit juist een belangrijke indicatie vormt voor toekomstige mishandeling en bedreiging.