Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:8217
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,993 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46546
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Vanaf 4 staat het procesverloop in dit geding. Onder 7 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Het bestreden besluit is beschreven onder 8 en de beroepsgronden zijn samengevat onder 9 en 10. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 11. Daarbij gaat de rechtbank onder meer in op de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het besluit. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank.
Procesverloop
4. Eiser stelt dat hij is geboren op [datum] 2007 en dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft. Op 25 augustus 2023 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Het asielrelaas
7. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij door contact met een Nigeriaanse man erachter is gekomen dat hij homoseksueel is en dat zij door de zoon van de beste vriend van zijn vader zijn betrapt op seksuele handelingen. Eiser is op advies van zijn broer gevlucht. Hij vreest dat hij bij terugkeer zal worden mishandeld of vermoord vanwege de betrapping, omdat homoseksualiteit in Gambia niet is toegestaan.
Het bestreden besluit
8. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond omdat hij de gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig acht. Verweerder vindt dat de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens verweerder heeft eiser met zijn summiere en oppervlakkige verklaringen onvoldoende inzicht gegeven in zijn gevoelsleven en de ontwikkeling van zijn seksuele gerichtheid.
De beroepsgronden
9. Eiser heeft aangevoerd dat zijn werkelijke achternaam [achternaam 1] is en dat hij met deze achternaam wenst te worden geregistreerd. Verder voert hij aan dat verweerder in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met eisers jonge leeftijd en zijn moeite om exacte data te benoemen. Verder heeft hij wel degelijk samenhangend en aannemelijk verklaard. Van hem wordt ten onrechte verwacht dat hij een volwassen inzicht kan bieden in zijn gevoelens. Hij is zeer terughoudend en verlegen. Eiser vreest ervoor dat hem bij terugkeer een reële kans wacht op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Europees Handvest, ook omdat er voor hem geen adequate opvang is in Gambia, aangezien zijn ouders zijn overleden.
10. In aanvulling op zijn beroepsgronden heeft eiser op 11 februari 2025 een rapport van LGBT Asylum Support ingebracht. In het rapport worden de verklaringen van eiser beschouwd, die hij bij het nader gehoor tegenover de hoormedewerker van de IND heeft afgelegd. In het rapport wordt het standpunt van eiser bevestigd dat er onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser.
Het beoordelingskader
11. Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert verweerder WI 2019/17. In het kader van het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid worden onder meer vragen gesteld over een aantal vaste thema’s: het privéleven van de vreemdeling, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen in het land van herkomst, contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. In het algemeen ligt het zwaartepunt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen in het algemeen beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een lhbti-geaardheid maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is. De rechtbank acht deze wijze van beoordeling aanvaardbaar.
12. Een uitgangspunt van WI 2019/17 is ook dat de hoormedewerker zich tijdens het gehoor onbevangen opstelt en dat hij zo veel mogelijk voorkomt dat deze (onbewust) redeneert vanuit een persoonlijk, vaak westers, referentiekader. Er dient te worden doorgevraagd op de persoonlijke belevingen van de vreemdeling en de persoonlijke betekenis die de gebeurtenissen voor de vreemdeling hebben gehad. Bij het stellen van vragen dient ook rekening te worden gehouden met de mate waarin mensen hun gerichtheid in woorden kunnen vatten, omdat dit per persoon zal verschillen. Daarbij is opgemerkt dat niet iedere vreemdeling gewend is om over zijn persoonlijke ervaringen en gevoelens te praten. De opdracht aan de hoormedewerker is dan om zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij het niveau en de wijze van vertellen van de vreemdeling en zijn referentiekader.
13. Volgens de rechtspraak van de Afdeling moet de staatssecretaris inzichtelijk maken hoe hij rekening houdt met het referentiekader van de vreemdeling.
Zorgvuldigheid
14. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn jonge leeftijd, zijn verlegenheid en zijn moeite om exacte data te benoemen. Verweerder heeft voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij rekening heeft gehouden met het referentiekader. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser in de periode van de gestelde gebeurtenissen 13 jaar oud was en dat hij daardoor minder over zijn ervaringen en gevoel kan vertellen. Het is echter niet onredelijk dat verweerder desondanks van eiser een zeker inzicht verwacht in zijn persoonlijke beleving en gevoelens met betrekking tot zijn gestelde homoseksuele geaardheid en enige ontwikkeling of reflectie in de jaren daarna. Verweerder heeft expliciet overwogen dat van eiser niet wordt verwacht dat hij op een volwassen of geschoolde manier zijn persoonlijke beleving naar voren brengt, maar dat hij wel verwacht dat eiser kan vertellen wat voor gedachten er door zijn hoofd gingen en waarom hij bepaalde keuzes maakte. Verweerder heeft tegen deze achtergrond voldoende gemotiveerd dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn gevoelens en persoonlijke beleving en dat deze geen blijk geven van enige ontwikkeling. Dat heeft verweerder onlogisch mogen vinden, aangezien eiser zich in de meest vormende jaren van zijn leven bevindt.
15. Uit het medisch advies van MediFirst van 19 maart 2024 blijkt dat eiser heeft aangegeven moeite te hebben met het plaatsen van exacte data bij gebeurtenissen en dat hij beperkt is in lezen en schrijven. Geadviseerd is om eiser geen schriftelijke vragen te stellen of vragen om iets te lezen. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee rekening heeft gehouden. Verweerder heeft het onjuist benoemen van exacte data ook nergens tegengeworpen.
16. Eiser heeft in beroep niet concreet gemaakt in hoeverre zijn referentiekader van invloed is geweest op het afleggen van zijn verklaringen of in hoeverre verweerder nog meer rekening met zijn referentiekader had moeten houden. Voor zover eiser verwijst naar de rapportage van LGBT Asylum Support om de werkwijze van verweerder ter discussie te stellen, geldt dat aan een dergelijk rapport, waarin door een derde een eigen oordeel wordt gegeven over de gestelde seksuele gerichtheid op basis van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen, slechts beperkt gewicht hoeft te worden gegeven. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2024. Ook in dit geval heeft de opsteller van het rapport geen eigen onderzoek uitgevoerd, maar heeft hij zich beperkt tot het geven van een eigen waardering van de verklaringen van eiser. De verslagen van de gehoren zijn door de opsteller van de rapportage in fragmenten weergegeven en deze opsteller verbindt daaraan zijn eigen conclusies, die anders zijn dan die van verweerder. Aan de inhoud van het rapport kan om die reden niet de waarde worden toegekend die eiser daaraan toegekend wenst te zien.
17. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet.
18. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Identiteit
19. Eiser is door verweerder geregistreerd met de achternaam [achternaam 2]. In de asielaanvraag is de achternaam op die manier vermeld. Eiser heeft die aanvraag ondertekend. Deze identiteit is door verweerder (vooralsnog) geloofwaardig bevonden. Eiser heeft geen identificerende documenten kunnen overleggen die onderbouwen dat zijn achternaam [achternaam 1] is.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 12 mei 2025 gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Werkinstructie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld AbRS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622.
ECLI:NL:RVS:2024:4943.
Dat is een van de criteria waaraan een identificerend document moet voldoen, zo volgt uit paragraaf C1/4.2.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Arrest van 14 januari 2021, zaak C-441/19.
ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.
Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530.