Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:19085
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,706 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.25744
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , van Somalische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en
de minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de door eiser gevraagde proceskostenvergoeding na intrekking van zijn beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers verzoek om een proceskostenvergoeding moet worden toegewezen. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 27 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft hierbij als geboortedatum [geboortedatum] 2007 opgegeven. Op grond van deze geboortedatum was eiser op het moment van zijn aanvraag minderjarig.
2.1.
Er bestond bij de minister twijfel over de minderjarigheid van eiser. De minister heeft daarom een nader onderzoek ingesteld naar de leeftijd van eiser. In het kader van dit onderzoek heeft de minister op 29 december 2023 bij de Griekse autoriteiten informatie opgevraagd over eisers Eurodac-registratie daar. De Griekse autoriteiten hebben de minister op 11 januari 2024 laten weten dat eiser bij hen geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum] 2005. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 1 februari 2024 eiser laten weten dat zijn geregistreerde geboortedatum was gewijzigd naar [geboortedatum] 2005. Op grond van deze geboortedatum was eiser ten tijde van zijn aanvraag meerderjarig.
2.2.
Tegen deze (kennisgeving van) leeftijdswijziging heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 21 juni 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens de minister het wijzigen van de leeftijdsregistratie een handeling is waartegen geen bezwaar mogelijk is. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Jama als tolk in de taal Somalisch, mevrouw [naam] namens Stichting [naam stichting] en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
2.5.
Op 11 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb. De rechtbank wilde namelijk een uitspraak van de Afdeling afwachten over de vraag of een (kennisgeving van) leeftijdswijziging een besluit is waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.
2.6.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 december 2024 geoordeeld dat er in die zaak geen bezwaar en beroep open stond tegen een kennisgeving tot leeftijdswijziging. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op deze uitspraak. Eiser heeft op 5 februari 2025 gebruik gemaakt van deze gelegenheid. De minister heeft op 10 februari 2025 gebruik gemaakt van deze gelegenheid.
2.7.
Partijen hebben de rechtbank op 13 februari 2025 laten weten geen bezwaar te hebben tegen de verdere afhandeling van de zaak door een andere rechter.
2.8.
Op 26 februari 2025 heeft de minister aan eiser laten weten dat vooralsnog wordt vastgehouden aan de door eiser opgegeven geboortedatum van [geboortedatum] 2007.
2.9.
Op 18 maart 2025 heeft eiser zijn beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
2.10.
De minister heeft op 21 maart 2025 een verweerschrift ingediend tegen dit verzoek om een proceskostenveroordeling. Eiser heeft op 20 mei 2025 op dit verweerschrift gereageerd.
Beoordeling
Juridisch kader proceskostenvergoeding
3. In geval van intrekking van een beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van dat beroepschrift is tegemoetgekomen, kan die indiener op grond van artikel 8:75a van de Awb de rechtbank verzoeken om het bestuursorgaan in de kosten te veroordelen bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.
3.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb sprake is indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen, op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren.
De Afdelingsuitspraak van 18 december 2024
4. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 december 2024 – voor zover relevant – als volgt overwogen:
“5. In artikel 6:3 van de Awb staat dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.
5.1.
De Afdeling is van oordeel dat de kennisgeving een niet appellabele beslissing is in de zin van artikel 6:3 van de Awb. Hoewel de minister met de kennisgeving beoogt rechtsgevolgen te sorteren die losstaan van de beoordeling van de asielaanvraag, wordt de vreemdeling er niet rechtstreeks in zijn belangen door getroffen. De Afdeling licht dat hieronder toe.
5.2.
De minister beoordeelt op grond van artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw 2000 in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen van de aanvraag, waaronder de identiteit van de vreemdeling. Op grond van artikel 31, vierde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 houdt de minister daarbij rekening met de leeftijd van een vreemdeling. De beoordeling van dit relevante element wordt opgenomen in het besluit op de asielaanvraag op grond van artikel 42 van de Vw 2000. De Afdeling is daarom van oordeel dat de kennisgeving is aan te merken als een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit, namelijk het besluit op de asielaanvraag. Tegen dit besluit kan een vreemdeling in beroep en hoger beroep opkomen, ook in het geval dat de asielaanvraag is ingewilligd en de vreemdeling alleen wenst op te komen tegen de vastgestelde leeftijd. (…). In zoverre geldt de kennisgeving als voorbereidingsbeslissing waartegen geen afzonderlijk bezwaar of beroep openstaat. Een andersluidende conclusie zou bovendien, zoals de minister terecht betoogt, het door de wetgever voorziene bijzondere stelsel van rechtsbescherming in de asielprocedure onnodig doorkruisen.
5.3.
Voor zover met de kennisgeving rechtsgevolgen worden beoogd die intreden voorafgaand aan het moment van het besluit op de asielaanvraag en dus hiervan losstaan, wordt de vreemdeling door de kennisgeving in beginsel niet rechtstreeks in zijn belang getroffen. Anders dan de vreemdeling betoogt, treden er namelijk geen directe feitelijke gevolgen op, omdat daarvoor besluiten of handelingen van de minister of andere instanties nodig zijn. De minister betoogt daarom terecht dat de kennisgeving niet rechtstreeks zorgt voor een verandering van de juridische of feitelijke situatie van een vreemdeling. Als een derde instantie feitelijk handelt of een besluit neemt naar aanleiding van de kennisgeving, kan een vreemdeling daartegen opkomen. Hierna bespreekt de Afdeling de in deze procedure aan de orde gestelde gevolgen en legt zij uit waarom deze de vreemdeling niet rechtstreeks in zijn belang treffen in de zin van artikel 6:3 van de Awb, zodat tegen de kennisgeving geen bezwaar of beroep openstaat.
5.4.
Zoals de minister terecht betoogt, beslist het COa om een vreemdeling van een minderjarigen- naar een meerderjarigenopvang te verplaatsen. De minister heeft onder verwijzing naar de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011, onder 5.2, er terecht op gewezen dat de overplaatsing vatbaar is voor bezwaar en beroep. In die procedure kan aan de orde worden gesteld of het COa uit mocht gaan van de door de minister vastgestelde leeftijd. Op verzoek van het COa geeft de minister nadere toelichting over de wijziging van de leeftijdsregistratie. In tegenstelling tot wat de vreemdeling betoogt, is de overplaatsing dus geen rechtstreeks gevolg van de kennisgeving.
5.5.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, verliest de vreemdeling door de kennisgeving ook niet meteen zijn voogd van stichting [naam stichting] . Een voogd wordt door de civiele rechter bij beschikking aangewezen op grond van artikel 1:295 van het Burgerlijk Wetboek. Zoals de minister onbestreden heeft toegelicht, vervalt de voogdijmaatregel niet van rechtswege door de kennisgeving van de wijziging van de leeftijdsregistratie, maar pas wanneer de vreemdeling volgens de beschikking van de civiele rechter de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Stichting [naam stichting] kan de voogdij pas beëindigen als een besluit op een asielaanvraag, waarin ervan wordt uitgegaan dat de vreemdeling meerderjarig is, in rechte vaststaat. (…).
5.6.
Andere belangen die de vreemdeling heeft aangevoerd, waaronder dat hij als meerderjarige een zorgverzekering moet afsluiten of dat hij geen onderwijs zou kunnen volgen, heeft hij, ook desgevraagd op de zitting, niet concreet gemaakt en niet op zijn persoonlijke situatie betrokken. Daarom gaat de Afdeling hier niet inhoudelijk op in. (…).”
Standpunt van de minister
5. De minister stelt zich op het standpunt dat hij weliswaar (voorlopig) tegemoet is gekomen aan eiser door de door hem opgegeven geboortedatum aan te houden, maar dat uit de Afdelingsuitspraak van 18 december 2024 volgt dat de kennisgeving tot leeftijdswijziging geen appellabel besluit is. Nu de kennisgeving tot leeftijdswijziging geen appellabel besluit is, bestaat er geen recht op een proceskostenveroordeling. De minister wijst in dit kader op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 31 januari 2025.
Standpunt van eiser
6. Eiser voert aan dat de minister de inhoud van de Afdelingsuitspraak van 18 december 2024 en daarmee ook de inhoud van artikel 6:3 van de Awb miskent. Uit artikel 6:3 van de Awb volgt dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Volgens eiser is de tenzij-clausule op hem van toepassing. Hij dreigde namelijk door de kennisgeving geen gebruik te kunnen maken van de procedurele waarborgen voor onbegeleide minderjarige asielzoekers tijdens zijn asielprocedure. Op het moment van de kennisgeving had eiser namelijk zijn nader gehoor nog niet gehad, terwijl hij juist tijdens dit nader gehoor op grond van artikel 25 van de Procedurerichtlijn als minderjarige het recht heeft om gehoord te worden door een persoon die de nodige kennis heeft van de bijzondere behoeften van minderjarigen en bijwoning van dat gehoor door een voogd. Eiser legt in dit kader een uitspraak over van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 13 maart 2025.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser de kennisgeving tot leeftijdswijziging hem rechtstreeks in zijn belang dreigde te treffen, los van het voor te bereiden besluit op zijn asielaanvraag. Ten tijde van de kennisgeving tot leeftijdswijziging op 1 februari 2024 had eiser zijn nader gehoor nog niet gehad.
Conclusie
10. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt toegewezen. De rechtbank stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, 0,5 punt voor het indienen van een reactie op de Afdelingsuitspraak van 18 maart 2024 en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het verweerschrift over de proceskostenvergoeding, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als ‘de minister’.
European Asylum Dactyloscopy Database.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:5256.
Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487, onder 1.1.
Vreemdelingenwet 2000.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
ECLI:NL:RBDHA:2025:2764.
Richtlijn 2013/32/EU.
ECLI:NL:RBDHA:2025:4546.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Dienst Terugkeer & Vertrek.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Basisregistratie personen.