Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:23407
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,920 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/13884
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], van Sierra Leoonse nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar)
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder (hierna: het COA),
(gemachtigde: mr. L. van Els-van den Berg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het besluit van het COA om hem over te plaatsen naar een opvanglocatie voor meerderjarigen.
1.1.
Het COA heeft in het bestreden besluit van 3 september 2024 bepaald dat verzoeker zal worden overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarigen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het COA.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Verzoeker heeft op 20 april 2024 een asielaanvraag in Nederland ingediend bij de minister voor Asiel en Migratie (hierna: de minister). Bij zijn asielaanvraag heeft verzoeker [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum opgegeven. Verzoeker had geen identificerende documenten bij zich. In afwachting van nader onderzoek naar de leeftijd van verzoeker is de door verzoeker gestelde geboortedatum overgenomen. Verzoeker is daarom in een opvanglocatie voor minderjarigen geplaatst.
2.1.
Vervolgens heeft nader onderzoek naar de leeftijd van verzoeker plaatsgevonden. Verzoeker is eerst geschouwd door de AVIM. De AVIM heeft geconcludeerd dat twijfel bestaat over de leeftijd van verzoeker. De minister heeft daarnaast Eurodac geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat verzoeker in Italië, Zwitserland en Duitsland staat geregistreerd. In Duitsland staat verzoeker geregistreerd met [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum. Deze geboortedatum is enkel gebaseerd op de verklaringen van verzoeker. In Zwitserland is verzoeker geregistreerd onder meerdere namen en geboortedata. Na het plaatsvinden van een medisch leeftijdsonderzoek waaruit is gebleken dat verzoeker mogelijk meerderjarig is, is de geboortedatum [geboortedatum 2] 2005 door de Zwitserse autoriteiten aangehouden. In Italië staat verzoeker geregistreerd onder de geboortedatum [geboortedatum 1] 2004. Deze registratie zou enkel berusten op de verklaringen van verzoeker.
2.3.
De minister heeft de geboortedatum van verzoeker op 15 juni 2024 gewijzigd naar [geboortedatum 2] 2005 conform de registratie van verzoeker in Zwitserland en hiervan melding gedaan aan het COA. Omdat verzoeker nog niet was geschouwd door de minister, heeft hierna alsnog een schouwgehoor door de minister plaatsgevonden. De minister heeft hierbij geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de leeftijd van verzoeker.
2.4.
Na de melding door de minister van de wijziging van de geboortedatum van verzoeker, heeft het COA op 3 juli 2024 het voornemen uitgebracht om verzoeker over te plaatsen naar een meerderjarigenopvang. Verzoeker heeft op 4 juli 2024 zijn zienswijze op dit voornemen uitgebracht.
2.5.
In het bestreden besluit van 3 september 2024 heeft het COA bepaald dat verzoeker wordt overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarigen. Het COA heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij mag uitgaan van de informatie die de minister heeft verstrekt. Volgens het COA heeft verzoeker geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat niet van de informatie van de minister kan worden uitgegaan.
Beoordeling
3. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Standpunt verzoeker
4. Het verzoek strekt ertoe het besluit van het COA tot overplaatsing te schorsen totdat op het bezwaar van verzoeker is beslist. Verzoeker legt aan dit verzoek ten grondslag dat er nog redelijke twijfel bestaat over de vaststelling van zijn leeftijd en dat hij – gelet op de presumptie van minderjarigheid – het voordeel van de twijfel moet krijgen. Volgens verzoeker volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 dat de ministerniet langer op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de juistheid van de leeftijdsregistratie van asielzoekers in het buitenland. Niet is gebleken dat de minister navraag heeft gedaan bij Zwitserland over het daar verrichte medische leeftijdsonderzoek. Het COA mag dan ook niet zonder meer uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister .
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak of het bezwaar van verzoeker tegen de beslissing om hem naar een meerderjarigenopvang te plaatsen een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet zich in dit verband voor de vraag gesteld of het COA mocht uitgaan van de leeftijdsbepaling die de minister heeft verricht.
6. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 15 mei 2024 geoordeeld dat het COA in beginsel mag uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister, tenzij de vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd, bijvoorbeeld als de vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij bij de minister is opgekomen tegen de leeftijdsbepaling en op welke gronden hij dat heeft gedaan. In dat geval moet het COA navraag doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de minister zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van de vreemdeling.
7. De rechtbank stelt vast dat verzoeker concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat twijfel bestaat over zijn leeftijd. Verzoeker heeft immers in zijn zienswijze op het voornemen van het COA tot overplaatsing naar een opvanglocatie voor meerderjarigen onder meer naar voren gebracht dat zijn Dublinprocedure nog loopt en zijn leeftijd daarom nog niet in rechte vaststaat, dat zolang dit niet het geval is van zijn gestelde minderjarigheid moet worden uitgegaan en dat Nidos volgens verzoeker ervan uitgaat dat verzoeker minderjarig is. Gelet hierop lag het op de weg van het COA om navraag te doen bij de minister over de leeftijdsbepaling van verzoeker. Dat heeft het COA ook gedaan. De minister heeft op 3 september 2024 een memo inzake leeftijdsbepaling aan het COA overgelegd waarin door de IND uiteen is gezet waarom de geboortedatum van verzoeker naar [geboortedatum 2] 2005 is gewijzigd en verzoeker als meerderjarige is aangemerkt. In het bestreden besluit heeft het COA vervolgens op basis van de inhoud van deze memo geconcludeerd dat er geen reden bestaat om verzoeker niet naar een opvanglocatie voor meerderjarigen over te plaatsen. Het COA heeft verder in de beroepsfase een aanvullende memo van de minister inzake de leeftijdsbepaling van verzoeker overgelegd, waarin staat dat de minister [geboortedatum 2] 2005 als geboortedatum aanhoudt.
8. Uit de memo’s van de minister blijkt dat hij bij de leeftijdsbepaling van verzoeker van belang heeft geacht dat verzoeker in Italië, Duitsland en Zwitserland verschillende geboortedata en namen heeft opgegeven en daarom twijfel heeft veroorzaakt over diens leeftijd. Bovendien heeft verzoeker in Zwitserland een medisch leeftijdsonderzoek gehad en is zijn geboortedatum op basis van dit onderzoek door Zwitserland naar [geboortedatum 2] 2005 gewijzigd. Ook heeft verzoeker zelf geen identificerende documenten overgelegd en is niet gebleken dat hij inspanningen heeft geleverd om aan zulke documenten te komen. De minister heeft daarom de door Zwitserland geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 2] 2005 overgenomen en verzoeker als meerderjarige aangemerkt.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de memo’s van de minister onvoldoende blijkt dat de leeftijdsbepaling van verzoeker door de minister zorgvuldig is verlopen. Uit deze memo’s blijkt dat de minister een belangrijk gewicht heeft toegekend aan de leeftijdsregistratie van verzoeker in Zwitserland en deze registratie heeft overgenomen, nu deze op een medisch leeftijdsonderzoek is gebaseerd. In de door verzoeker aangehaalde uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister zich niet kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel als zij bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat betrekt. Dit neemt niet weg dat de minister bij de leeftijdsbepaling wel gewicht mag toekennen aan de leeftijdsregistratie van een vreemdeling in een andere EU-lidstaat. De minister zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een medisch leeftijdsonderzoek, dan moet de minister hierover navraag doen bij de betreffende lidstaat en nader toelichten waarom hij daaraan al dan niet een bepaalde waarde toekent. Uit de memo’s blijkt echter niet dat de minister in het onderhavige geval navraag heeft gedaan bij de Zwitserse autoriteiten over het daar verrichte medisch leeftijdsonderzoek. Evenmin heeft de minister in de memo’s nader gemotiveerd waarom aan de resultaten van dit onderzoek door de minister een belangrijk gewicht wordt toegekend. Uit de memo’s kan dan ook niet worden afgeleid dat de minister zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de leeftijdsregistratie in Zwitserland. Daar komt bij dat verzoeker onweersproken naar voren heeft gebracht dat uit het Zwitserse leeftijdsonderzoek naar voren komt dat verzoeker een gemiddelde leeftijd heeft van tussen 18 en 21 jaar en een minimumleeftijd van 16,4 jaar. Uit dit onderzoek volgt dan ook niet met zekerheid dat verzoeker daadwerkelijk meerderjarig is. De minister heeft in de memo’s niet gemotiveerd waarom desondanks wordt uitgegaan van de meerderjarige leeftijd. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 9 oktober 2024 heeft geoordeeld dat de minister bij het beoordelen van de leeftijd steeds alle feiten en omstandigheden moet meewegen, zoals verklaringen van voogden van Nidos. Verzoeker heeft in deze procedure naar voren gebracht dat Nidos er van uitgaat dat verzoeker minderjarig is, gelet op zijn gedrag en weinige zelfredzaamheid. Noch uit de memo’s van de minister, noch uit het bestreden besluit blijkt dat de minister en/of het COA deze verklaringen in de beoordeling hebben betrokken.
10. De voorzieningenrechter concludeert gelet op het voorgaande dat onvoldoende is gebleken dat de leeftijdsbepaling door de minister op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dat de minister bij de leeftijdsbepaling niet alleen gewicht heeft toegekend aan de leeftijdsregistratie in Zwitserland, maar ook het feit dat verzoeker in verschillende landen andere geboortedata heeft opgegeven en niet is gebleken dat hij inspanningen heeft geleverd om aan identiteitsdocumenten te komen, doet hier niet aan af. Het COA kon dan ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet uitgaan van de juistheid van de leeftijdsbepaling door de minister. Gelet hierop kan een redelijke kans van slagen niet aan het bezwaar worden ontzegd.
11. Het COA heeft naar voren gebracht dat wegens de capaciteitsproblemen van het COA op dit moment minderjarige vreemdelingen met een leeftijd van 17 jaar en 9 maanden worden doorgeplaatst naar reguliere opvanglocaties voor meerderjarigen. Dit zou betekenen dat ook als het COA zou uitgaan van de door verzoeker gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2007 hij naar een opvanglocatie voor meerderjarigen zal worden verplaatst. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding om het verzoek niet toe te wijzen. Het COA heeft op de zitting toegelicht dat minderjarige vreemdelingen die zich in Ter Apel melden en 17 jaar en 9 maanden of ouder zijn, standaard in reguliere opvanglocaties worden geplaatst. Dat geldt echter niet voor minderjarige vreemdelingen die al in een opvanglocatie voor minderjarigen worden opgevangen op het moment dat zij de leeftijd van 17 jaar en 9 maanden bereiken. Bij hen wordt wegens het tekort aan plekken voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen wel kritisch gekeken of zij in de minderjarigenopvang mogen blijven maar vindt niet standaard overplaatsing naar een reguliere opvanglocatie plaats. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat verzoeker bij de toewijzing van de gevraagde voorziening in een gunstigere positie zou komen te verkeren dan het geval zou zijn geweest als er geen twijfel was ontstaan over de door hem opgegeven geboortedatum van [geboortedatum 1] 2007.
Conclusie
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening gezien het voorgaande toe, in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst en verzoeker niet mag worden overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarigen totdat op het bezwaar is beslist, dan wel – uitgaande van de door verzoeker gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2007 – verzoeker de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
13. De voorzieningenrechter veroordeelt het COA in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 3 september 2024 wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgeplaatst naar een reguliere opvanglocatie voor meerderjarigen totdat op het bezwaar is beslist, dan wel uiterlijk tot [geboortedatum 1] 2025, de datum waarop verzoeker volgens zijn eigen opgave de leeftijd van 18 jaar bereikt.
- veroordeelt het COA in de proceskosten van verzoek(st)er tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Verzoeker verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 juli 2022 in de zaak [naam 1] en [naam 2] tegen Italië, nr. 5791/17, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:3992.
ECLI:NL:RVS:2024:2011.
Zie Kamerstukken II 2023-2024, 27062, nrs. 138 en 139.