Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:19075
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,816 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.17712 (moeder), NL25.17713 (vader) en NL25.17714 (dochter).
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[moeder]
, V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres, hierna: moeder;
[vader]
, V-nummer: [v-nummer 2] , eiser, hierna: vader;
[dochter] , V-nummer: [v-nummer 3] , eiseres, hierna: dochter;
gezamenlijk te noemen: eisers;
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen.
1.1
Op 25 november 2023 heeft moeder asiel aangevraagd in Nederland. Op 24 april 2024 hebben vader en dochter asiel aangevraagd in Nederland.
1.2
Bij afzonderlijke besluiten van 19 maart 2025 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.3
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten drie afzonderlijke beroepen ingesteld. De rechtbank heeft met toestemming van partijen deze beroepen gevoegd behandeld.
1.4
De rechtbank heeft deze beroepen op 26 september 2025 gezamenlijk op een zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, K. van Wezel als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Moeder is geboren op [geboortedatum 1] 1982 en is getrouwd met vader, die is geboren op [geboortedatum 2] 1979. Uit de relatie tussen moeder en vader is een dochter geboren op [geboortedatum 3] 2004. Eisers hebben allen de Colombiaanse nationaliteit. Moeder heeft in 2023 asiel aangevraagd op de luchthaven Schiphol en heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer vreest voor problemen met een gewapende paramilitaire groep. Moeder stelt dat deze groepering haar in mei 2023 bedreigd heeft vanwege een procedure tot terugverkrijging (restitutie) van onteigend land dat in het verleden aan haar vader toebehoorde. Na deze eerste bedreiging aan huis hebben nogmaals bedreigingen aan het adres van moeder en haar gezin plaatsgevonden, waarbij moeder op straat en haar dochter bij thuiskomst op dezelfde wijze zijn bedreigd door leden van de gewapende groepering. Moeder is daarom in 2023 al naar Nederland gegaan en vervolgens zijn ook haar gezinsleden (vader en dochter) naar Nederland gereisd. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer vrezen vanwege de problemen van moeder met de paramilitaire groep en de restitutie van de onteigende grond.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Het asielrelaas van moeder bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Onteigening van het land en daaropvolgende problemen.
3.1
Het asielrelaas van vader bevat deze asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de paramilitairen vanwege de aanvraag tot grondrestitutie van zijn partner.
3.2
In het asielrelaas van dochter zijn de volgende asielmotieven geïdentificeerd:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de paramilitairen vanwege de aanvraag tot grondrestitutie van haar moeder;
Persoonlijke bedreiging in augustus 2023.
3.3
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers zijn in alle drie de zaken geloofwaardig geacht, vanwege de echt bevonden paspoorten en identiteitskaarten.
3.4
De onteigening van het land en de daaropvolgende problemen voor moeder zijn gedeeltelijk geloofwaardig geacht. Verweerder acht de landonteigening in 1984/1985 door paramilitairen, de vermissing van de vader van moeder in 1996 en de poging tot ontvoering van moeder zelf in 1996 geloofwaardig. De aanvraag tot restitutie van het stuk grond en de daaruit volgende problemen acht verweerder ongeloofwaardig. Redengevend daarvoor is dat moeder onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft en de verklaringen op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo komen de verklaringen van moeder over deze procedure tot landrestitutie maar gedeeltelijk overeen met de algemene informatie. Verweerder heeft tegengeworpen dat moeder vaag verklaard heeft over de redenen tot landrestitutie en wisselend over wat zij weet van andere aanvragen tot landrestitutie. Ook werpt verweerder tegen dat de verklaringen over de bedreigingen van moeder bij haar thuis en op straat vaag en summier zijn en dat de verklaringen van moeder over de bedreiging van haar dochter tegenstrijdig zijn met de verklaringen die de dochter daar zelf over heeft afgelegd. De verklaringen van moeder over de daders achter de bedreigingen zijn summier en enkel op vermoedens gebaseerd en daarbij werpt verweerder tegen dat de tijdslijn van de gebeurtenissen en de verklaringen over de acties na de bedreigingen wisselend en tegenstrijdig van aard zijn. Nu de geloofwaardig geachte asielmotieven niet hebben geleid tot de vlucht van moeder uit Colombia, heeft verweerder geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Colombia aannemelijk geacht en is de asielaanvraag van moeder afgewezen als ongegrond.
3.5
In de besluitvorming ten aanzien van vader heeft verweerder de problemen met de paramilitairen vanwege de aanvraag tot grondrestitutie ongeloofwaardig geacht. Redengevend daarvoor is dat de verklaringen op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft vader nauwelijks kunnen verklaren over de problemen die hij heeft ervaren, terwijl hij ook stelt dat de problemen die moeder, zijn vrouw, heeft ook hem en zijn gezin raken. Nu verweerder de problemen van moeder vanwege de landrestitutie ongeloofwaardig acht en ook niet anderszins is gebleken van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Colombia, is de asielaanvraag van vader afgewezen als ongegrond.
3.6
Ten aanzien van de dochter heeft verweerder de problemen met de paramilitairen vanwege de grondrestitutie eveneens ongeloofwaardig geacht en voor de motivering daarvan verwezen naar de bestreden beschikking die aan moeder is uitgereikt. De persoonlijke bedreiging van de dochter in augustus 2023 wordt door verweerder wel geloofwaardig geacht, maar niet dat deze voorkomt uit de aanvraag tot landrestitutie. Zo heeft verweerder tegengeworpen dat de dochter verklaard heeft dat zij niet weet wie haar heeft bedreigd en dat de link tussen deze bedreiging en de paramilitairen en het relaas van haar moeder niet aannemelijk is gemaakt. Niet aannemelijk gemaakt is dat de dochter bij terugkeer te vrezen heeft, nu zij na de bedreiging nog enige tijd in dezelfde plaats heeft gewoond, daar naar school en stage is geweest en dat zij legaal is uitgereisd in 2024. Tot slot werpt verweerder tegen dat de dochter zich bij voorkomende problemen ook kan wenden tot de autoriteiten voor bescherming. De asielaanvraag is afgewezen als ongegrond.
3.7
Tezamen met de afwijzing van de asielaanvragen als ongegrond, zijn aan eisers ook individuele terugkeerbesluiten met een vertrektermijn van vier weken en gericht op vertrek naar Colombia uitgereikt.
Wat vinden eisers in beroep?
4. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten en voeren in beroep daartoe de volgende beroepsgronden aan.
4.1
Verweerder heeft moeder en haar gezinsleden ten onrechte niet aangemerkt als personen die tot een bepaalde sociale groep behoren, als bedoeld in artikel 10, lid 1, sub d van de Kwalificatierichtlijn (Kri). Zij behoren namelijk tot de specifieke groep van personen die als gemeenschappelijk, onvervreemdbaar kenmerk hebben dat hun land is ontnomen. Door gedwongen te moeten verhuizen hebben zij discriminatie ervaren in hun nieuwe woonomgeving waar zij niet eerder bekend waren. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend en moeder verwijst in dit verband naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.2
Ook in geschil is de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van Werkinstructie (WI) 2024/6 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Moeder stelt dat deze in strijd is met het Unierecht en verwijst daarvoor naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. Verweerder had deze werkinstructie niet mogen hanteren bij de beoordeling van de asielaanvragen van eisers.
4.3
Verweerder heeft in de gehoren met moeder ook onzorgvuldig gehandeld. De IND heeft het MediFirst advies pas na de zienswijze in het dossier opgenomen en in dat advies is ten onrechte niets vermeld over het beslissen, enkel over het horen. Ook heeft de IND vader en dochter ten onrechte eerst gehoord, voordat ze moeder zijn gaan horen.
Conclusie
9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvragen van eisers op goede gronden heeft afgewezen. Ook de terugkeerbesluiten blijven in stand.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie het arrest Laghman van 27 maart 2025, ECLI:NL:EU:C:2025:218, zaaknummer C-217/23.
Zie de verwijzingsuitspraak van 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2170.
Zie het arrest L.H. tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:748, zaaknummer C-921/19
ECLI:NL:RBDHA:2025:3440
Beoordeling
Gelet op de samenhang tussen de asielrelazen hebben eisers hierin geen eerlijke kans gekregen en kunnen de tegenstrijdigheden niet worden tegengeworpen.
4.4
In het beroep van moeder is aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat moeder wisselend heeft verklaard over de tijdslijn en vaag en summier over andere vergelijkbare procedures tot landrestitutie die lopen. Verweerder heeft hier onvoldoende doorgevraagd, heeft bij de beoordeling onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van moeder, die een eenvoudig opleidingsniveau heeft, en vergt hier teveel kennis op detailniveau. Ook verwezen is naar het arrest L.H.
4.5
In het beroep van vader wordt verwezen naar de beroepsgronden van moeder met specifieke aandacht voor de rechtmatigheid van WI 2024/6 en de tegenwerpingen van verweerder over de documenten en het betrekken daarvan bij de beoordeling.
4.6
In het beroep van de dochter wordt ook verwezen naar de beroepsgronden van moeder en in aanvulling daarop gesteld dat verweerder ten onrechte de bedreiging van de dochter ongeloofwaardig heeft geacht, omdat de problemen van moeder rondom de landonteigingen ook ongeloofwaardig worden geacht.
5. Verweerder heeft op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eisers en heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eisers geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Bepaalde sociale groep
6.1
Voor het oordeel dat eisers ten onrechte niet aangemerkt zijn als een ‘bepaalde sociale groep’ als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn bestaat geen grond. Niet aannemelijk gemaakt hebben eisers namelijk dat zij vanwege de gedwongen landonteigening behoren tot een groep met aangeboren kenmerken of een gemeenschappelijke achtergrond die door de directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd en dat deze eigenschappen dermate fundamenteel zijn voor de identiteit en morele integriteit van de betrokkenen dat niet verwacht mag worden dat zij die opgeven. Verweerder heeft in dit kader aan eisers mogen tegenwerpen dat niet aannemelijk gemaakt is dat het eerder onteigend zijn een onvervreemdbaar kenmerk van die groep betreft, nu juist blijkt, en ook de aanleiding van de asielaanvragen hier is, dat hiervan door de te volgen procedure afstand van gedaan kan worden. Bovendien, wat daar ook van zij, ook niet aannemelijk gemaakt is dat de groep mensen die door vorige regimes aan landonteigening is onderworpen, vanwege deze al dan niet onvervreemdbare gemeenschappelijke achtergrond, door de omgeving zodanig als afwijkend wordt gezien dat zij alleen om die reden al met significante discriminatie en vrees voor vervolging en ernstige schade te maken hebben. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling WI 2024/6
6.2
De rechtbank is van oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling die door verweerder gehanteerd wordt, en zoals vastgelegd in WI 2024/6, niet onrechtmatig is vanwege strijd met het Unierecht. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats van 6 maart 2025. Uit deze uitspraak volgt dat met WI 2024/6 geen verhoogde bewijsmaatstaf is aangelegd, die in strijd is met het Unierecht en dat het geen onredelijk beleid betreft om eerst te beoordelen of er objectieve onderbouwende documenten aanwezig zijn voor het asielrelaas, alvorens een uitgebreide geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Wel moet verweerder alle omstandigheden van het specifieke geval in samenhang met elkaar beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, kunnen dus niet als strikte checklist worden getoetst door verweerder. De beroepsgronden van eiser geven geen aanleiding om van dit oordeel van de meervoudige kamer af te wijken.
6.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met toepassing van WI 2024/6 ook in de specifieke gevallen van eisers niet in strijd met het Unierecht heeft gehandeld. Verweerder heeft alle cumulatieve voorwaarden getoetst en alle kenbare feiten en omstandigheden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook de door eisers overgelegde documenten zijn daarin betrokken. Verweerder heeft kenbaar gemotiveerd welke bewijswaarde aan deze documenten is toegekend en verweerder is, net als bij de voorheen gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling, uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eisers waarbij is uitgelegd waarom bepaalde vaagheden en inconsistenties in zijn verklaringen zijn tegengeworpen.
6.4
Het betoog van eisers dat WI 2024/6, zowel in zijn algemeenheid als in dit specifieke geval, in strijd is met het Unierecht, slaagt niet.
Zorgvuldigheid gehoren
6.5
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat door de handelswijze bij de gehoren en het MediFirst advies sprake is van onzorgvuldige voorbereiding van de bestreden besluitvorming. Uit het MediFirst advies zijn geen belemmeringen ten aanzien van het beslissen gebleken en moeder heeft niet met concrete argumenten aannemelijk gemaakt dat de bevindingen uit dit advies onvoldoende zijn betrokken bij het horen en de besluitvorming. Zo zijn meerdere pauzes geboden tijdens de gehoren, is iets te drinken aangeboden en is er rekening mee gehouden dat vertellen over het relaas lastige emoties bij moeder kan oproepen en is daarvoor extra de tijd genomen. De stelling van moeder in beroep dat niet gebleken is van een zorgvuldige besluitvorming omdat de gevolgen van het MediFirst advies niet apart besproken zijn in de bestreden besluitvorming wordt niet gevolgd. Niet onderbouwd door moeder is op welke wijze het enkele niet benoemen van het MediFirst advies in het bestreden besluit maakt dat de motivering daarvan niet volgen is. De bevindingen uit het MediFirst advies worden inhoudelijk meegenomen bij de beoordeling van het asielrelaas door verweerder en niet gebleken is dat verweerder hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden.
6.6
Ook niet aannemelijk gemaakt door eisers is dat de volgorde van het horen hier maakt dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Zo blijkt uit de gehoren van vader en dochter dat zij voor de inhoud van hun asielrelaas verwijzen naar de inhoud van het gehoor van moeder, dat weliswaar later dan de gehoren van vader en dochter heeft plaatsgevonden, maar dat maakt niet dat daarvan niet kan worden uitgegaan. Eisers hebben alle drie de kans gekregen om hun asielmotieven naar voren te brengen en op individuele basis te vertellen waarvoor zij bij terugkeer vrezen. Verweerder heeft op basis van de verklaringen in die drie aparte gehoren ook drie aparte besluiten genomen. De keuze van vader en dochter om voor hun asielrelaas te verwijzen naar het gehoor van moeder is een eigenstandige keuze, die ook voor eigen rekening en risico dient te komen. Niet met concrete argumenten is aannemelijk gemaakt hoe de volgorde van de gehoren de belangen van eisers bij een juiste beoordeling van het asielrelaas hier heeft geschaad.
Problemen door restitutie van onteigend land
6.7
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eisers door de onteigening van het land en de ingestelde restitutieprocedure niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft in dit kader mogen tegenwerpen dat moeder het instellen van deze restitutieprocedure bij de rechter niet met stukken heeft onderbouwd. Uit het procesdossier blijkt dat de eerste stap van de procedure, het registreren van het stuk land in het register, heeft plaatsgevonden, maar niet dat te nemen vervolgstappen zijn gemaakt.