Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:9652
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,849 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41094
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 28 september 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft die aanvraag eerst op 29 januari 2024 afgewezen als ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 26 september 2024 opnieuw in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.M. Schaik als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1997. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser en zijn moeder zijn in Colombia bedreigd door een dissidente groepering van de FARC omdat eiser als marinier voor het leger werkte. Leden van de groepering hebben eiser aan huis opgezocht en hem een bevel overhandigd waarin stond dat hij de stad moest verlaten. Eiser heeft daarom ontslag aangevraagd, is kort ondergedoken en is daarna naar Nederland gekomen.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en
de problemen van eiser met de gewapende groepering.
4. Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Die motieven leiden echter niet tot de conclusie dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, omdat zijn problemen niet te herleiden zijn tot een van de vijf asielgronden uit dat verdrag. Ook is eisers asielrelaas onvoldoende om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiser nog te vrezen heeft voor de groepering, omdat hij zich heeft gehouden aan hun vertrekbevel en omdat eiser en zijn moeder sindsdien geen problemen meer hebben gehad. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten eerste is het bestreden besluit in strijd met het beginsel dat iemand door bezwaar of beroep in te stellen niet in een slechtere positie mag komen. De nieuwe werkwijze van verweerder voor de geloofwaardigheidsbeoordeling is namelijk strenger dan voorheen omdat die een hogere bewijslast oplegt. Verweerder heeft die nieuwe werkwijze toegepast in het bestreden besluit, terwijl het eerste besluit van 29 januari 2024 nog was gebaseerd op de oude werkwijze. Eiser is in een slechtere positie gekomen, omdat aannemelijk is dat als het eerste besluit goed zou zijn gemotiveerd, eisers aanvraag zou zijn ingewilligd. Ook loopt eiser bij terugkeer naar Colombia wel degelijk risico op ernstige schade, omdat hij nog altijd een doelwit kan zijn voor de gewapende groepering. Daarnaast moest verweerder meer onderzoeken of de medische situatie van eiser recht geeft op een reguliere verblijfsvergunning op humanitaire gronden en of eiser uitstel van vertrek op medische gronden moet krijgen. Eiser heeft namelijk medische stukken overgelegd die een begin van bewijs vormen dat eiser lijdt aan PTSS. Verweerder is ook voorbijgegaan aan indicaties daarvan in het Medifirst-advies en tijdens de gehoren. Gelet op het voorgaande kon verweerder ook geen terugkeerbesluit uitvaardigen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Is eiser in een slechtere positie gekomen door de nieuwe werkwijze van verweerder?
7. De grond dat eiser in een slechtere positie is gekomen omdat verweerder in de nieuwe besluitvorming nieuw beleid heeft toegepast, slaagt niet. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat hij bij het nemen van een (nieuw) besluit in de regel het beleid moet toepassen zoals het op dat moment geldt. De rechtbank is het met verweerder eens dat er in eisers geval geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken.
7.1.
Hiervoor vindt de rechtbank als eerste van belang dat de meervoudige kamer van deze rechtbank op 6 maart 2025 uitspraak heeft gedaan over de nieuwe werkwijze van verweerder voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit deze uitspraak volgt dat de nieuwe werkwijze geen verhoogde bewijsmaatstaf bevat ten opzichte van de eerdere werkwijze. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat de nieuwe werkwijze van verweerder op zichzelf een hogere bewijslast oplegt aan eiser. Wel is van belang dat verweerder alle omstandigheden in een specifiek geval altijd in samenhang beoordeelt om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. Omdat het asielrelaas van eiser in het bestreden besluit geloofwaardig is gevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat in eisers geval een onredelijk hoge bewijslast is gehanteerd.
7.2.
Daarnaast vindt de rechtbank van belang dat verweerder met zijn nieuwe werkwijze de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft aangepast, maar niet de zwaarwegendheidsbeoordeling. In het bestreden besluit is het asielrelaas van eiser wel geloofwaardig gevonden, maar is zijn aanvraag afgewezen op basis van de zwaarwegendheid. Omdat eisers asielrelaas nu geloofwaardig is gevonden, is eiser op dat punt niet in een slechtere positie gekomen. Voor de zwaarwegendheid geldt dat de beleidsverandering van verweerder daar geen invloed op heeft. Verweerder heeft ter zitting ook aangegeven dat een deugdelijk gemotiveerd besluit onder de oude werkwijze voor eiser tot dezelfde uitkomst zou hebben geleid. Eiser heeft al met al met zijn verwijzing naar de nieuwe werkwijze voor de geloofwaardigheidsbeoordeling niet aannemelijk gemaakt dat zijn asielaanvraag met een deugdelijke motivering onder de oude werkwijze wel zou zijn ingewilligd. De rechtbank zal in de volgende overwegingen ingaan op de gronden van eiser gericht tegen de beoordeling van verweerder van de zwaarwegendheid van eisers asielrelaas.
Gegronde vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade bij terugkeer
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat eiser bij terugkeer naar Colombia geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor de groepering. Verweerder heeft hierbij allereerst mogen betrekken dat eiser heeft voldaan aan het bevel van de groepering om zijn stad te verlaten. Daarbij heeft eiser ook het leger verlaten, zodat hij niet meer te vrezen heeft dat hij als militair een doelwit van de groepering is. Verweerder mocht er daarnaast op wijzen dat eiser sinds zijn vertrek uit zijn stad, bijna twee jaar geleden, geen problemen meer heeft ondervonden. Verweerder mocht de stelling van eiser dat hij nu weer wordt gezocht, ongerijmd vinden omdat eiser al langere tijd het bevel heeft opgevolgd en weg is uit de stad. Eiser heeft betoogd dat verweerder in deze beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de onvoorspelbaarheid en wraakzuchtigheid van gewapende groeperingen die blijkt uit het Algemeen ambtsbericht over Colombia van juni 2024. In dit betoog ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen, omdat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de algemene landeninformatie heeft meegenomen. Zoals verweerder heeft betoogd, is eiser er vervolgens niet in geslaagd die algemene informatie aan zijn individuele situatie te koppelen omdat hij geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij een doelwit voor de groeperingen zou zijn. Ook ziet de rechtbank in de algemene landeninformatie geen aanknopingspunt voor eisers betoog ter zitting dat hij te vrezen heeft vanwege de algemene geweldssituatie omdat gewapende groeperingen ook onderling vechten. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade door gewapende groeperingen, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiser voor zijn problemen een binnenlands beschermingsalternatief heeft.
Moest verweerder eiser ambtshalve een reguliere vergunning verlenen?
9.
Conclusie
12. Verweerder mocht de aanvraag afwijzen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 maart 2024 (NL24.3383).
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Zie Werkinstructie 2014/10 Inhoudelijke beoordeling (asiel) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
Op grond van artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).