Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:18696
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,342 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46911
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft met ingang van 23 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat de grondslag voor de maatregel is gewijzigd en daarmee een nieuwe maatregel is opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een telefonische verbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Lichter middel
2. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een lichter middel. Uit de gehoren blijkt dat de moeder van eiser een dag voor het opleggen van de bewaring was overleden. Eiser heeft ook aangegeven dat hij zich niet goed voelt. Ook had eiser een asielaanvraag ingediend, hetgeen hij in Nederland had kunnen afwachten.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De door eiser genoemde omstandigheden zijn meegewogen. Daarbij heeft te gelden dat de gronden die terecht aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd – en de daarbij gegeven motivering – wijzen op een risico op onttrekking aan het toezicht. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de minister het overlijden van de moeder van eiser in de maatregel heeft meegenomen, maar dat niet is gebleken dat om die reden een lichter middel moet worden toegepast. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen reden om te oordelen dat de maatregel onevenredig bezwarend is voor eiser of dat om andere redenen had moeten worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
3. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering van eiser uit Nederland.
3.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister voorafgaande aan de opheffing van de bewaring onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering uit Nederland. Eiser zit sinds 19 september 2025 in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewaring met ingang van 23 september 2025 is opgeheven vanwege omzetting en dat de minister daarmee spoedig heeft gehandeld. De rechtbank acht het handelen van de minister niet onvoldoende voortvarend nu de minister de maatregel spoedig heeft omgezet. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de vraag of de minister thans voortvarend handelt aan bod kan komen in de procedure met betrekking tot de nieuwe maatregel.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.