Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:18605
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,463 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.31942
[V-Nummers]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1] geboren op [geboortedatum 1] 1991,
[eiseres 2] geboren op [geboortedatum 2] 1994,
[eiser 1] geboren op [geboortedatum 3] 2003 en
[eiser 2] geboren op [geboortedatum 4] 2005,
allen van de Jemenitische nationaliteit, eisers
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. Van der Lei).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij [referent] (referent), de meerderjarige broer van eisers.
1.1.
Met het besluit van 12 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 12 september 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Eisers hebben onderhavig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Het bestreden besluit
2. De aanvraag van eisers voor de verschaffing van een mvv bij referent op grond van artikel 8 van het EVRM is afgewezen, omdat er – kort gezegd – geen gezinsleven tussen referent en eisers is aangenomen. Ook weegt het belang van de Nederlandse Staat zwaarder dan het belang van eisers.
Standpunt eisers
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – samengevat – aan dat er tussen hen en referent wel degelijk sprake is van een beschermenswaardige gezinsband, zoals volgt uit artikel 8 van het EVRM. Er is daarnaast geen deugdelijke motivering in de belangenafweging. Referent is een vluchteling en dit had kenbaar en inzichtelijk moeten worden meegewogen. Daarnaast zijn de objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Jemen uit te oefenen, de medische problematiek van [eiseres 2] en de bewijsnood daaromtrent onvoldoende meegewogen.
Beoordeling
4. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Zij hoeven dus geen griffierecht te betalen.
5. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van gezinsleven tussen [eiser 1] , [eiser 2] (minderjarige eisers) en referent?
7. De rechtbank overweegt dat voor de vaststelling of er gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat, er tussen minderjarige en meerderjarige bloed- of aanverwanten sprake moet zijn van hechte persoonlijke banden. Een hechte en persoonlijke band is een begrip van feitelijke aard. Omstandigheden die hierop kunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen een hechte band hebben door regelmatig contact, of als betrokkenen hebben samengewoond.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat referent heeft verklaard dat hij tot aan zijn vertrek uit Jemen met de minderjarige eisers heeft samengewoond. De vader van het gezin is in 2015 vermist geraakt (en vermoedelijk overleden). De moeder van het gezin is in 2018 overleden. Eisers verblijven op dit moment illegaal in Egypte in een huurwoning die referent betaalt. Er is sinds enkele jaren geen ander inkomen dan het geld dat zij van referent ontvangen. De minderjarige eisers en referent hebben meerdere malen per week contact.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat, verweerder in het bestreden besluit bij de vaststelling van hechte en persoonlijke banden, toetst aan een relatie die de gebruikelijke omgang overstijgt. De rechtbank ziet, net zoals eisers hebben aangevoerd, die toets niet terug in de jurisprudentie van het Hof. Immers gaat het bij hechte en persoonlijke banden over een feitelijke vaststelling van de relatie, zoals ook volgt uit het beleid van verweerder. De rechtbank stelt vast dat er veel contact is tussen de minderjarige eisers en referent, zij financieel van hem afhankelijkheid zijn en er een hechte relatie bestaat waar referent als oudste broer een belangrijke rol in speelt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten onrechte de hechte en persoonlijke relatie tussen referent en de minderjarige eisers niet is aangenomen. De beroepsgrond slaagt.
De belangenafweging met betrekking tot minderjarige eisers en referent
8. De rechtbank overweegt dat met betrekking tot het maken van een belangenafweging waar minderjarige kinderen bij betrokken zijn, het belang van het kind voorop moet staan. Volgens het beleid van verweerder moet het belang van minderjarige kinderen tot uitdrukking worden gebracht in de beslissing en moet er een aanzienlijk gewicht aan toekomen. Verweerder dient daarnaast in de belangenafweging een “fair balance’ te maken en daarbij kenbaar alle belangen te betrekken.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit het belang van de minderjarige kinderen niet kenbaar is betrokken. Ook in de belangenafweging ziet de rechtbank dit belang in zijn geheel niet terugkomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte het belang van de minderjarige kinderen niet heeft meegewogen en niet voorop heeft gesteld in het bestreden besluit.
8.2.
De rechtbank stelt ook vast dat bij de weging van het economisch belang niet kenbaar de vluchtelingenachtergrond van referent is betrokken. Dat betekent dat verweerder niet alle belangen kenbaar heeft betrokken bij de belangenafweging.
8.3.
Nu het beroep reeds hierom gegrond is, laat de rechtbank de overige beroepsgronden onbesproken.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient te maken.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij het belang van het kind centraal moet staan. Daarbij is het van belang dat verweerder afhankelijk van de uitkomst van de nieuwe belangenafweging, ook het gevolg hiervan voor de aanvraag van de meerderjarige eisers betrekt. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank in de zaak met zaaknummer NL23.31942:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 september 2023;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; en
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zoals volgt uit Werkinstructie 2020/16: Richtlijnen voor toepassing van artikel 8 EVRM (WI 2020/16), paragraaf 3.3.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (Hof) van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.
Op pagina 4 van het rapport hoorzitting nareis.
Zoals op pagina 11 van het bestreden besluit.
Zie de uitspraak van het Hof van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.
WI 2020/16, paragraaf 3.3.2.
Zoals volgt uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
Zoals is opgenomen in paragraaf 8 van WI 2020/16.