Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:4764
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,689 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:4764 text/xml public 2026-03-13T10:45:29 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2085 Rechtbank Den Haag 2026-01-29 NL23.28301 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4764 text/html public 2026-03-11T09:11:32 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4764 Rechtbank Den Haag , 29-01-2026 / NL23.28301 8 EVRM, persoonlijke hechte banden, beroep gegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL23.28301 V-nummers: [v nummer 1] [v nummer 2] [v nummer 3] [v nummer 4] [v nummer 5] [v nummer 6] [v nummer 7] uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1968, [eiser 2] , geboren op [geboortedag 2] 1974, [eiser 3] , geboren op [geboortedag 3] 2004 [eiser 4] , geboren op [geboortedag 4] 2008 [eiser 5] , geboren op [geboortedag 5] 2014 [eiser 6] , geboren op [geboortedag 6] 2015 [eiser 7] , geboren op [geboortedag 7] 2017, allen van Syrische nationaliteit, samen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. M.L. van Leer) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Pourjalili). Procesverloop Op 17 juni 2019 heeft [persoon] (referent) voor eisers een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend om op grond van artikel 8 van het EVRM bij hem te verblijven als familie- of gezinslid. Bij besluit van 18 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 januari 2022 ongegrond verklaard. Daartegen hebben eisers beroep ingesteld. Met een brief van 30 mei 2023 heeft verweerder het besluit van 28 januari 2022 ingetrokken, waarna eisers ook het beroep hebben ingetrokken. Bij besluit van 18 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eisers ingediende bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Op 6 september 2023 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Eisers en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen Achtergrond 1.1. Eisers hebben de Syrische nationaliteit en wonen in [plaats] , Syrië. Referent is geboren op [geboortedag 8] 2000 en is op zijn vijftiende Nederland ingereisd. Sinds 17 februari 2016 is referent in Nederland in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel. 1.2. Referent heeft binnen een termijn van drie maanden nadat aan hem een asielvergunning is verleend voor eisers, bestaande uit zijn ouders, broertjes en zusjes, op 25 maart 2016 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van nareis. Verweerder heeft deze aanvragen op 15 januari 2018 afgewezen omdat de familierechtelijke relatie door eisers niet is aangetoond. Verweerder heeft een DNA-onderzoek aangeboden in Libanon, maar eisers stelden dat het onmogelijk was daar naar toe te gaan. Daarna heeft de voogd van Nidos namens referent de nareisprocedure prijsgegeven, door de afspraak voor het DNA-onderzoek te annuleren. 1.3. Op 17 juni 2019 heeft referent onderhavige aanvraag ingediend voor eisers. Maar dan met als doel verblijf bij referent als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM. Besluitvorming 2.1. Verweerder heeft in het primaire besluit de aanvraag van eisers afgewezen. Verweerder neemt op grond van het jongvolwassenenbeleid wel familieleven aan tussen referent en zijn ouders, echter is verweerder van mening dat het belang van de Nederlandse Staat zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eisers. Tussen referent en zijn broertjes en zusjes wordt geen familieleven aangenomen, omdat volgens verweerder geen sprake is van hechte persoonlijke banden. 2.2. Verweerder heeft op 28 januari 2022 het door eisers ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Nadat eisers daartegen beroep hebben ingesteld heeft verweerder op 30 mei 2023 het besluit van 28 januari 2022 ingetrokken. Referent is op 23 juni 2023 door verweerder gehoord. 2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder opnieuw het door eisers ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder handhaaft de eerder ingenomen standpunten. Verweerder erkent wel dat referent met zijn broertjes en zusjes heeft samengewoond, maar neemt geen hechte persoonlijke banden aan omdat referent niet betrokken is geweest bij hun zorg en opvoeding. Ook als verweerder referent zou volgen in zijn stelling dat hij zijn broertjes en zusjes financieel heeft ondersteund, ziet verweerder geen reden om tot een andere uitkomst te komen. Volgens verweerder kan de gestelde emotionele, maar ook financiële ondersteuning zoals dat al jarenlang gaat ook op afstand plaatsvinden en worden voortgezet. Juridisch kader belangenafweging (referent en ouders) 3. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat gediend is bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. Juridisch kader persoonlijke hechte banden (referent, broertjes en zusjes) 4.1. Voor de vaststelling of er familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat, moet er tussen minderjarige en meerderjarige bloed- of aanverwanten sprake zijn van hechte persoonlijke banden. Een hechte en persoonlijke band is een begrip van feitelijke aard. Omstandigheden die hierop kunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen een hechte band hebben door regelmatig contact, of als betrokkenen hebben samengewoond. 4.2. De vraag of sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven toetst de rechtbank – anders dan de Afdeling – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025 en 23 juli 2025. Familie- of gezinsleven tussen referent, broertjes en zusjes 5. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte geen familie- of gezinsleven tussen referent en zijn broertjes en zusjes heeft aangenomen. Volgens eisers neemt verweerder in strijd met het eigen beleid geen hechte persoonlijke banden aan. Eisers verwijzen naar verweerders Werkinstructie en ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem. 6. De rechtbank is – vol toetsend – van oordeel dat tussen referent en zijn broertjes en zusjes hechte persoonlijke banden bestaan en dat dus sprake is van familie- of gezinsleven. De rechtbank baseert haar oordeel op het volgende. Referent heeft tot aan zijn vertrek uit Syrië altijd met zijn broertjes en zusjes heeft samengewoond. Hij vertrok uit Syrië vanwege een vluchtsituatie en hij was toen pas vijftien jaar oud. Hij heeft altijd zeer regelmatig contact met zijn broertjes en zusjes gehouden. Referent is dus gedwongen gescheiden van zijn broertjes en zusjes, maar hij heeft wel blijvend geïnvesteerd in hun band. Referent heeft zijn familieleden, waaronder zijn broertjes en zusjes, financieel ondersteund voor zover dat mogelijk was. Dit blijkt onder meer uit het screenshot van de betaalrekening van referent van 7 juli 2023. Dat zijn ouders altijd voor zijn jongere broertjes en zusjes hebben gezorgd, staat het aannemen van hechte banden tussen referent en zijn broertjes en zusjes niet in de weg.
Volledig
Het zorgen voor broertjes en zusjes kan duiden op hechte persoonlijke banden, maar dit betekent niet dat in de ouderlijke zorg een contra-indicatie kan worden gezien, zoals verweerder stelt. Referent was bovendien als vijftienjarige zelf nog een kind dat tot die tijd de zorg van zijn ouders kreeg. Tussenconclusie 7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is omdat verweerder geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM heeft aangenomen tussen referent en zijn minderjarige broertjes en zusjes. Verweerder dient alsnog in dit kader een belangenafweging te maken. Belangenafweging referent en ouders 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle in aanmerking komende belangen kenbaar en op een juiste wijze heeft betrokken. Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van familie- of gezinsleven tussen referent en zijn broertjes en zusjes zal verweerder ook dit moeten betrekken in de, in het kader van artikel 8 van het EVRM, gemaakte belangenafweging tussen referent en zijn ouders. Reeds hierom houdt de door verweerder in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging geen stand. Ook op dit onderdeel heeft verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Conclusie 9.1. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. In het bijzonder zal verweerder de volgende omstandigheden in het nieuw te nemen besluit moeten betrekken: Referent was ten tijde van zijn vlucht minderjarig. Dit geldt ook voor zijn broertjes en zusjes ten tijde van de aanvraag; De rechtbank brengt in herinnering dat op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend hoeven zijn, dient dus aanzienlijk gewicht toe te komen. Dat het verloop van de nareisprocedure niet aan referent mag worden tegengeworpen. Referent heeft gelijk toen dat kon een aanvraag voor nareis voor zijn familieleden ingediend. Dat dit op niets is uitgelopen mag door verweerder niet in het nadeel van referent worden meegewogen. Er kan immers niet worden nagegaan of referent, die zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling staande probeerde te houden, het begrip had dat hij, door de nareisprocedure al dan niet via de voogd van het Nidos prijs te geven, in een ander toetsingskader terecht zou komen, en er is ook verder geen concreet aanknopingspunt in de feiten voor de conclusie dat hier sprake was van een keuze van eiser zelf, laat staan van een welbewuste keuze daarvoor. Dat er sprake is van een vluchtsituatie en referent noodgedwongen vanwege de oorlog zijn familie heeft verlaten . Dat dat de situatie is, is niet in geschil. De beoordeling van verweerder mag vervolgens echter niet indruisen tegen de strekking van punt 8 van de Considerans van de Gezinsherenigingsrichtlijn . Dit houdt in dat de situatie van vluchtelingen bijzondere aandacht vereist en gezinshereniging juist voor vluchtelingen onder gunstiger voorwaarden mogelijk moet zijn ; Dat referent werkt en daarmee in zijn eigen onderhoud voorziet en eventueel in de toekomst ook in dat van zijn familieleden. De rechtbank wijst verweerder erop dat hij bij de belangenafweging – en dan met name de weging van het economisch belang van de Nederlandse Staat – de individuele situatie van de jongvolwassene referent in aanmerking moet nemen om te voorkomen dat hij met een belangenafweging de vaststelling van familie- en gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid illusoir maakt. Hierbij dienen de inspanningen die referent verricht om naar vermogen in zijn eigen onderhoud te voorzien en eventueel in de toekomst te voorzien in het onderhoud van zijn familieleden te worden betrokken, waarbij rekening moet worden gehouden met zijn leeftijd en levensfase en wat er aldus van hem mag worden verwacht. 9.2. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zes weken. 10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,--, en een wegingsfactor 1). 11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,-- aan eisers te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,--. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzitter, mr. H.J. Tijselink en mr. A.E.J.M. Gielen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Nidos is de Nederlandse jeugdbeschermingsorganisatie die als wettelijke voogd optreedt voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die zonder hun ouders naar Nederland vluchten om asiel aan te vragen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (Hof) van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013. ECLI:NL:RBDHA:2025:9087. ECLI:NL:RBDHA:2025:14447. WI 2020/16. 16 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3679, r.o. 6.3. Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, rov. 6 en 6.1. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4912, rov. 8. Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4911 en van 15 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3195, rov. 1.2.