Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:1832
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,954 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36596
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie
, de minister,
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 20 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 september 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft nooit in Jemen gewoond. Hij vreest in Jemen te worden gerekruteerd door de Houthi’s. Ook vreest hij in Jemen als spion aangewezen te worden vanwege zijn verblijf in Saoedi-Arabië en daardoor vermoord te worden. Daarnaast vreest eiser de slechte situatie in Jemen.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
Rekrutering door de Houthi’s.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Eisers vrees voor rekrutering door de Houthi’s acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e, van de Vw is dat volgens de minister niet het geval. Dit leidt er volgens de minister toe dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling en dat hij ook geen gegronde vrees heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verder heeft de minister overwogen dat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Gelet hierop heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat asielmotief 2 ongeloofwaardig is?
6. Ten eerste vraagt eiser zich af met welke documenten hij zijn vrees voor rekrutering door de Houthi’s zou kunnen onderbouwen. Eiser heeft verwezen naar recente ambtsberichten. De overweging van de minister dat de rekrutering niet hetzelfde is gebleven, is volgens eiser gebaseerd op een kortzichtige lezing van het ambtsbericht. Eiser heeft aangegeven te vrezen voor rekrutering door de Houthi’s en in het ambtsbericht wordt enkel gesproken over een daling in de rekrutering door de strijdkrachten van de erkende regering. Volgens eiser is rekrutering bovendien nog steeds aan de orde van de dag ondanks beloftes en maatregelen. Voor zover de minister eiser heeft tegengeworpen dat hij niet goed duidelijk kan maken waarom hij niet in een ander gebied, waar de Houthi’s niet actief zijn, zou kunnen leven, stelt eiser dat hij geen enkele binding heeft met Aden. Eiser kan ook niet zomaar naar Aden reizen, nu hij risico loopt om onderweg gerekruteerd te worden. Het feit dat zijn moeder nog een broer heeft in Aden is een onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat eiser een netwerk in Jemen heeft.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het verweerschrift heeft overwogen dat niet langer aan eiser wordt tegengeworpen dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en e, van de Vw.
6.2.
Tijdens het nader gehoor van 12 september 2024 heeft eiser -onder andere- het volgende verklaard:
“Allereerst over uw vrees gerekruteerd te worden door de Houthi’s. Dat heb ik goed begrepen toch?
Ja.
Waar bent u precies bang voor?
Ik ben bang dat ze mij zullen rekruteren en bij hen moet vechten. Als ze jou zullen rekruteren ben je niet bij je familie en moet je naar het front gaan.
Wat is de reden dat u niet wil dienen bij de Houthi’s?
Ze horen bij het noorden. Ze zijn bezig mensen van het zuiden te vermoorden. Ze zijn Sjiieten.
(…)
Waar baseert u het op dat u gerekruteerd zal worden?
Ze zijn bezig alle jongeren te rekruteren.
Hoe weet u dat?
Ik hoor het heel veel.
Van wie?
Van gewone mensen.
(…)
Wat hoort u dan precies?
Als Houthi’s naar een dorp of plaats gaan dan nemen ze de jongeren mee om bij hen te vechten.
Bent u ooit benaderd bij de Houthi’s om u aan te sluiten?
Nee.
Kent u zelf persoonlijk mensen die benaderd zijn om zich aan te sluiten?
Nee.
(…)
Zou u niet naar grotere steden kunnen, zoals Aden?
Ik komt uit Aden oorspronkelijk uit Aden. Daar heb je Houthi leden, maar niet veel.
Dan kunt u toch naar Aden zonder te vrezen voor rekrutering?
Ja, maar het leven daar is moeilijk.
Wat bedoelt u met moeilijk?
Er is geen elektriciteit en geen eten en geen werk. Het leven daar is moeilijk.
Als ik het goed begrijp kunt u dus niet terug naar Aden vanwege de algemene situatie, zoals die in Jemen is?
Correct.
(…)
Dus als ik het goed begrijp hebt u in Aden niet zo zeer te vrezen voor de rekrutering van de Houthi’s maar mee de algemene situatie daar?
Klopt.”
7.1.
Eiser voert terecht aan dat in het ambtsbericht alleen melding wordt gemaakt van een daling in de rekrutering door de strijdkrachten van de erkende regering. Niet valt in te zien waarom de minister deze omstandigheid van belang heeft geacht bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser nu deze heeft verklaard dat hij vreest voor rekrutering door de Houthi’s. Eiser voert eveneens terecht aan dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn vrees voor rekrutering door de Houthi’s enkel baseert op eigen veronderstellingen en verhalen van anderen nu niet in geschil is en uit algemene informatie, waaronder het ambtsbericht, ook bekend is dat rekrutering door de Houthi’s in Jemen plaatsvindt. Dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard geen mensen te kennen die door de Houthi’s zijn benaderd is gelet daarop evenmin relevant.
7.2.
De minister heeft echter niet ten onrechte overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Aden, de plek waar eiser oorspronkelijk vandaan komt, te vrezen heeft voor rekrutering door de Houthi’s. Tussen partijen is niet in geschil dat Aden niet tot het controlegebied van de Houthi’s behoort. In Aden is de internationaal erkende regering aan de macht. Eiser heeft zelf ook verklaard dat hij in Aden niet heeft te vrezen voor rekrutering door de Houthi’s. De minister heeft kunnen concluderen dat het voor eiser mogelijk is om in Aden te gaan wonen. Eiser heeft zelf verklaard dat zijn oom woonachtig is in Aden en niet valt in te zien waarom eiser niet op hem zou kunnen terugvallen als netwerk.
7.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat asielmotief 2 niet geloofwaardig is.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade?
8. Eiser voert aan dat hij met zijn verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat zijn individuele omstandigheden in zijn specifieke herkomstgebied maken dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade loopt. Hierbij is het risico op rekrutering een relevant element.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 september 2024;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Vreemdelingenwet 2000
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Algemeen ambtsbericht (AAB) Jemen, september 2023
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:2927.
ECLI:EU:C:2023:843.
Vreemdelingencirculaire 2000.
ECLI:NL:2024:22927.
AAB Jemen, september 2023, pagina 37
AAB Jemen, pagina 38
Algemene wet bestuursrecht