Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:5939
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,028 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41041
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: P.M.W. Jans).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Hij heeft op 9 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 oktober 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.J. Hoppenbrouwer als waarnemer van de gemachtigde van eiser, J.A. Matti als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kan niet terugkeren naar Jemen vanwege de algemene humanitaire omstandigheden en oorlogssituatie in het land. Daarnaast ligt het dorp waar eiser vandaan komt in de frontlinie tussen de strijdende partijen, waardoor eiser een groter risico loopt om slachtoffer te worden van het geweld. Ook vreest eiser gedwongen te worden gerekruteerd door de strijdende partijen.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende geloofwaardig geachte relevante asielmotief:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.
7. De minister wijst de aanvraag van eiser af, omdat eiser volgens de minister geen gegronde vrees heeft voor vervolging en hij bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade loopt. In het voornemen heeft de minister overwogen dat eiser zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft tevens overwogen dat voor Jemen een hoge mate van willekeurig geweld wordt aangenomen (een minder uitzonderlijke situatie). Volgens de minister heeft eiser op basis van zijn individuele omstandigheden niet aannemelijk gemaakt waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Aangezien volgens de minister de slechte humanitaire situatie in Jemen niet enkel en in overwegende mate wordt toegeschreven aan het conflict, kan dit niet worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een situatie zoals in artikel 15, onderdeel c, van de Kwalificatierichtlijn (Kri).
De veiligheidssituatie in Jemen
8. Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar Jemen gelet op de veiligheidssituatie daar. Eiser stelt dat in Jemen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, onderdeel c, van de Kri. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 25 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:17489). Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van Jemen gesproken kan worden van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser gelet op de algemene situatie in Jemen, al dan niet in combinatie met de individuele omstandigheden van eiser, niet in aanmerking komt voor bescherming. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de overwegingen in de uitspraak van deze rechtbank van 28 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:19859). De rechtbank maakt die overwegingen tot de hare. De minister dient uit te leggen waarom de humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate kan worden geweten aan het directe handelen van de strijdende partijen. Dit is relevant voor de vraag of de beleidswijziging van april 2024, over het betrekken van persoonlijke en individuele omstandigheden bij Jemenitische asielaanvragen, rechtmatig is. Verder dient de minister inzichtelijk te maken hoe hij de informatie uit het ambtsbericht van 2023, de invloed van de strijdende partijen en informatie over het actuele geweldsniveau in Jemen weegt in beoordeling in het kader van artikel 15c van de Kri. De algemene veiligheidssituatie en de individuele omstandigheden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld. De minister moet beoordelen of eiser door de humanitaire omstandigheden in Jemen een reëel risico loopt op een behandeling of situatie in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als hij terugkeert. De minister heeft nagelaten om inzichtelijk te maken hoe de persoonlijke en individuele omstandigheden van eiser in de beoordeling zijn betrokken. De minister zal dit in een nieuw besluit moeten beoordelen en motiveren. Dit moet hij doen in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar eiser vandaan komt.1
Conclusie
10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit omdat het in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 18 oktober 2024;
draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 april 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1 Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, rechtsoverweging 6.4.