Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:17734
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,950 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.38526 (beroep) en NL23.38527 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. E.G. Angela).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 februari 2023 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 10 augustus 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 17 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 26 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [referent] als referent van eiser, L. Visser en A.P. de Jong als tolken.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Albanese nationaliteit. Hij is
in oktober 2012 Nederland binnengekomen. Eiser heeft eerder, op 22 oktober 2019, een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij een relatie heeft met [referent] (referent), van Bulgaarse nationaliteit en dus EU-onderdaan. Op 19 augustus 2020 hebben eiser en referent een simultaan gehoor gehad. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens afgewezen, omdat, kort gezegd, sprake was van een schijnrelatie. In de beslissing op bezwaar van 27 januari 2021 is verweerder bij die beslissing gebleven. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser tegen dit besluit bij uitspraak van 16 augustus 2021 ongegrond verklaard. Het besluit van 27 januari 2021 staat daarmee in rechte vast.
2.2.
Op 13 april 2021 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot afgifte van
een verblijfsdocument EU/EER. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat het een herhaalde aanvraag is waarbij geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden. Bij besluit van 3 december 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser tegen dit besluit bij uitspraak van 17 augustus 2022 ongegrond verklaard. Het besluit van
3 december 2021 staat dus ook in rechte vast.
2.3.
Op 22 november 2022 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend tot afgifte
van een verblijfsdocument EU/EER. Dat is de aanvraag waar het in deze zaak om gaat. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 februari 2023 (het primaire besluit) afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat aan het inmiddels op [huwelijksdatum] 2022 voltrokken huwelijk met referent een oprechte (huwelijks)relatie ten grondslag ligt, dat feitelijke invulling wordt gegeven aan dit huwelijk en dat het huwelijk geen schijnconstructie betreft. Eiser heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Beoordeling
3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank ziet in het geval van eiser aanleiding om dat verzoek toe te wijzen, zodat hij in beide procedures (NL23.38526 (beroep) en NL23.38527 (voorlopige voorziening)) is vrijgesteld van deze verplichting.
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Simultaan gehoor
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de resultaten van het op 19 augustus 2020 gehouden simultaan gehoor gezien de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2023 buiten beschouwing moeten worden gelaten.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de besluitvorming in de vorige procedure mede is gebaseerd op het simultaan gehoor van 19 augustus 2020, en dat het daarvoor verkregen bewijsmateriaal gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2023 niet zonder meer gebruikt mag worden. Hoewel de vraag naar de juistheid van die eerdere besluitvorming op zichzelf niet voorligt in deze procedure, ziet de rechtbank zich toch voor de vraag gesteld of de eerder verkregen informatie gebruikt mag worden.
6.2.
In een uitspraak van 21 september 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat als er individuele indicatoren waren om onderzoek te doen bij gegronde vermoedens van een schijnhuwelijk, het verkregen bewijs uit een simultaan gehoor wel mag worden gebruikt.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser de individuele indicatoren op zichzelf niet heeft betwist. De rechtbank oordeelt daarom dat gelet op de individuele indicatoren de resultaten van het simultaan gehoor in de vorige procedure gebruikt mochten worden. Het gevolg daarvan is dat verweerder de bewijslast met betrekking tot de laatste aanvraag terecht heeft omgedraaid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat aan het inmiddels voltrokken huwelijk een oprechte huwelijksrelatie ten grondslag ligt en feitelijk invulling wordt gegeven aan dit huwelijk.
Oprechtheid huwelijksrelatie
7. In de vorige procedures is in rechte vast komen te staan dat tussen eiser en
referent sprake was van een schijnrelatie. De stukken die eiser in de vorige procedures heeft overgelegd, zijn in die procedures al beoordeeld en worden in deze procedure niet nogmaals beoordeeld.
7.1 .
Het kan zijn dat het in rechte vast staat dat tussen partijen geen sprake is van een duurzame (en exclusieve) relatie. De hoogste rechter heeft echter gezegd dat nadien alsnog een relatie tussen hen kan ontstaan. Het is aan eiser om aan te tonen dat het op [huwelijksdatum] 2022 voltrokken huwelijk van eiser en referent een oprechte en exclusieve (huwelijks)relatie ten grondslag ligt, dat feitelijke invulling wordt gegeven aan dit huwelijk en dat dit huwelijk geen schijnconstructie betreft. Het ligt dus op de weg van eiser om met recente stukken, die iets zeggen over de relatie tussen eiser en referent op dit moment, aan te tonen dat sprake is van oprechte (huwelijks)relatie.
7.2.
Eiser voert kort gezegd aan dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor de stukken die hij heeft ingediend. Hij tast in het duister wat hij nog meer aan bewijs moet overleggen.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit op zichzelf aandacht heeft besteed aan de door eiser overgelegde stukken. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze stukken, in onderlinge samenhang bezien, niet maken dat de beslissing voor eiser anders uitvalt.
7.4.
Met betrekking tot de overgelegde foto’s van eiser en referent heeft verweerder niet gekeken naar de inhoud ervan. Verweerder heeft alleen opgemerkt dat het een momentopname betreft en dat de data bij de foto’s met de hand erbij is geschreven. Op zichzelf kan de rechtbank volgen dat foto’s momentopnames zijn. Tegelijkertijd; dat zijn foto’s altijd. Het betekent daarom niet dat daaraan geen enkele betekenis toekomt, wanneer deze, zoals hier het geval is, het beeld dat uit de overige overgelegde stukken naar voren komt, ondersteunen. Verder heeft eiser zoals gezegd de data met de hand erbij geschreven. In andere zaken over een schijnrelatie of -huwelijk werpt verweerder regelmatig tegen dat bij de overgelegde foto’s geen datum of andere toelichting staat. In eisers geval werpt verweerder tegen dat die data met de hand geschreven zijn, waardoor volgens verweerder niet is vast te stellen of de foto’s daadwerkelijk zijn genomen die dag. De rechtbank vindt dat wat ver gaan, zeker als vervolgens in het bestreden besluit niet wordt toegelicht waarom de onderlinge samenhang van de door eiser overgelegde stukken niet tot een ander oordeel kan leiden.
7.5.
Verder is het zo dat de overgelegde getuigenverklaringen van vrienden en familie weliswaar niet van een objectieve bron en niet allemaal even gedetailleerd zijn, maar het is niet zo dat hieraan om die reden geen enkele betekenis toekomst. Naar de inhoud van deze verklaringen heeft verweerder niet gekeken. Dit geldt ook met betrekking tot de correspondentie van de gemeente Rotterdam. Er is een adresonderzoek gestart en daar is uitgekomen dat eiser daar woont en dit wordt niet betwist. Dit betekent volgens de rechtbank dus niet dat de correspondentie geen enkele betekenis heeft. Verweerder moet die correspondentie kenbaar betrekken bij haar beoordeling. Verder betreffen de Whatsapp-berichten berichten over een langere periode, dus dat daar in onderlinge samenhang geen waarde aan gehecht kan worden gaat ook niet op. Op zitting is aan verweerder gevraagd wat zij aan bewijs mist, daar is geen antwoord op gekomen. Verweerder heeft verder nog aangevoerd dat de kamer verhuurd kan worden aan eiser, maar het betreft een eenkamerbewoning, waar eiser en referente al jaren wonen.
7.6.
De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een oprechte huwelijksrelatie. Eiser heeft veel stukken overgelegd en verweerder heeft deze stukken niet voldoende in hun onderlinge samenhang bezien. Onduidelijk is wat verweerder nog van eiser verwacht.
Hoorplicht
8. De minister mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen wordt genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd en de overwegingen in het primaire besluit.
8.1.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat in deze zaak, ook gelet op wat hiervoor is geoordeeld, geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar op grond waarvan verweerder van het horen van eiser heeft kunnen afzien. Eiser is immers in de bezwaargronden gemotiveerd ingegaan op het primaire besluit.
Conclusie
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en er ook sprake is van schending van de hoorplicht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank ziet evenmin, anders dan door eiser is gevraagd, om zelf in de zaak te voorzien. Dit omdat het in de eerste plaats aan verweerder en niet aan de rechtbank is om te beoordelen of de uitspraak van de rechtbank leidt tot verlening van een vergunning. Bovendien is het aan verweerder om het motiveringsgebrek te repareren en eiser voorafgaand aan het nemen van het nieuwe besluit te horen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening
9. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- (1 punt voor het indienen van beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL23.38526,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL23.38527,
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken,
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.
NL23.6565, niet gepubliceerd.
ECLI:NL:RBAMS:2022:5809.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:2357.
ECLI:NL:RVS:2023:3567.
ECLI:NL:RVS:2012:366.
Zie onder meer de uitspraak van 30 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3569.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4.