Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:18132
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,838 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL23.39536 en NL23.39539
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en
de minister van Asiel & Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. E.G. Angela).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, om te verblijven bij [persoon] (referente) en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Bij besluit van 23 juni 2023 heeft verweerder de aanvraag afgewezen (het primaire besluit). Hiertegen is eiser in bezwaar gegaan.
1.2.
Vervolgens is verweerder op 13 december 2023 bij deze beslissing gebleven (het bestreden besluit), omdat verweerder uitgaat van een schijnhuwelijk tussen eiser en referente.
1.3.
Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft de zaken op 26 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank is uitgegaan van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.
4.1.
Eiser heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser heeft op 23 juni 2021 een eerste aanvraag tot afgifte van een EU/EER document gedaan. Deze aanvraag is op 26 november 2021 afgewezen, omdat verweerder naar aanleiding van een hoorzitting heeft geconstateerd dat sprake was van een schijnrelatie tussen eiser en referente, die de Hongaarse nationaliteit heeft en daarmee Unieburger is. Het tegen deze afwijzing ingediende bezwaarschrift is op 1 februari 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Nu hiertegen geen beroep is ingesteld staat de afwijzing in rechte vast.
4.2.
Op 4 februari 2022 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan. Deze is op 9 augustus 2022 afgewezen en het door eiser ingediende bezwaarschrift is op 28 oktober 2022 ongegrond verklaard. Ook tegen deze afwijzing staan geen rechtsmiddelen meer open.
4.3.
Op 8 december 2022 heeft eiser wederom een aanvraag gedaan. Om die aanvraag gaat het in deze zaak. Bij deze aanvraag zijn foto’s, kopieën van paspoorten en een huwelijksakte, waaruit blijkt dat eiser inmiddels is getrouwd met referente, ingediend.
4.4.
Na de aanvraag op 23 juni 2023 te hebben afgewezen, heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift met het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij verweerder overweegt dat de door eiser ingebrachte stukken er niet toe leiden dat er getwijfeld moet worden aan de in 2021 getrokken conclusie dat er sprake is van een schijnrelatie.
Simultaan gehoor
5. In het kader van de eerste aanvraag zijn eiser en referent op 10 november 2021
simultaan gehoord. Op 19 juni 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een uitspraak gewezen waarin is geoordeeld dat in het kader van gezinsherenigingsrichtlijnzaken (EU/2003/86) verweerder niet bevoegd is om door
middel van een simultaan gehoor onderzoek te doen naar een schijnhuwelijk. Eiser stelt, verwijzende naar deze uitspraak, dat de informatie uit het gehoor niet als bewijs mag worden gebruikt.
5.1.
Bij uitspraak van 21 september 2023 heeft de Afdeling nadere invulling
gegeven aan de uitspraak van 19 juni 2023. Hieruit volgt dat de resultaten van een simultaan gehoor toch in het nadeel van de vreemdeling mogen worden gebruikt als er individuele indicatoren aanwezig waren die de afname van het simultane gehoor
rechtvaardigen.
5.2.
De indicatoren die in 2021 in de ogen van verweerder een nader onderzoek middels een simultaan gehoor rechtvaardigden zijn de volgende:
– De eerdere aanvraag om te verblijven bij referente is ingediend nadat een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd;
– Er zijn onvoldoende bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van het samenwonen;
– De overlegde foto’s vormen te weinig onderbouwing van een liefdesrelatie;
– Referente stond van 14 maart 2016 tot aan haar inschrijving op het gezamenlijke adres op 20 april 2021 geregistreerd als niet-ingezetene. Dit doet de vraag oproepen waar zij verbleef gedurende deze periode;
– Er is sprake van een opvallend leeftijdsverschil: referente is 14 jaar ouder.
5.3.
In het beroepschrift staat dat alle indicatoren worden betwist. De rechtbank stelt vast dat eiser deze beroepsgrond niet verder heeft toegelicht. Niet is aangegeven waarom deze indicatoren niet gehanteerd mogen worden. Eiser en zijn gemachtigde waren ook niet op zitting om dit verder toe te lichten. Alleen al daarom gaat de rechtbank aan deze beroepsgrond voorbij.
5.4.
Dit betekent dat de resultaten van het simultaan gehoor betrokken mochten worden door verweerder. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe deze resultaten geïnterpreteerd dienen te worden.
Schijnhuwelijk?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom wordt uitgegaan van een schijnhuwelijk omdat de meeste vragen tijdens het simultaan gehoor wel gelijkluidend zijn beantwoord. Daarnaast heeft eiser nog aanvullende bewijsstukken overlegd waaruit blijkt dat er niet kan worden gesproken van een schijnrelatie.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser en referente tijdens het simultaan gehoor uiteenlopende, vage, tegenstrijdige en soms onware verklaringen hebben afgelegd over essentiële aspecten van de relatie, zoals de verhuizing, het samenwonen, het huwelijksaanzoek, en het werk van referente. Deze verklaringen hebben ook ten grondslag gelegen aan de eerdere afwijzing in 2021, waarbij is vastgesteld dat sprake is van een schijnrelatie tussen eiser en referente. Tegen die afwijzing staat geen rechtsmiddel meer open.
6.2.
Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat niet kan worden uitgesloten dat na het aangaan van een schijnrelatie alsnog een oprechte relatie ontstaat. Het is dan echter wel aan de vreemdeling om aan te tonen dat er nu wel een daadwerkelijk relatie tussen hem en referente is.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aan de hand van de overgelegde stukken aan te tonen dat aan het inmiddels voltrokken huwelijk een oprechte huwelijksrelatie ten grondslag ligt. Uit de bewijsstukken volgt weliswaar dat eiser en referente toegang hebben tot dezelfde bankrekening (waarbij opvalt dat slechts geld wordt opgenomen met één pas), samen op foto’s (voornamelijk selfies) staan en op hetzelfde adres staan ingeschreven, hiermee is niet aangetoond dat er feitelijk invulling wordt gegeven aan het huwelijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewijslast
7. Eiser heeft in het beroepschrift aangevoerd dat de verschuiving van de bewijslast ertoe leidt dat het leveren van bewijs onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. Dit is strijdig met jurisprudentie van de Afdeling en het Hof van Justitie van de Europese Unie.
7.1.
Zoals volgt uit de eerder genoemde jurisprudentie van de Afdeling is het in het geval in een eerdere procedure onherroepelijk is vastgesteld dat sprake is van een schijnrelatie, aan de vreemdeling om bewijsstukken aan te dragen waaruit kan blijken dat er inmiddels sprake is van een oprechte relatie. Deze beroepsgrond slaagt evenmin
Inreisverbod
8. In het beroepschrift heeft eiser met betrekking tot het inreisverbod verwezen naar de eerder ingediende zienwijze, waarin wordt gesteld dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, in reactie op de zienswijze, heeft gemotiveerd waarom het opleggen van het inreisverbod geen schending oplevert van artikel 8 van het EVRM. Omdat eiser in beroep verder niet heeft toegelicht wat er schort aan deze motivering, gaat de rechtbank aan deze beroepsgrond voorbij.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Nederland. Het inreisverbod zal niet worden opgeheven.
10. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen
11. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL23.39536:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL23.39539:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
ECLI:NL:RVS:2023:2357
ECLI:NL:RVS:2023:3567
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 7 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3755 en 18 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1279
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden