Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:17675
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,547 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.40411
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ en de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
1.1.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen maar is vertegenwoordigd door mr. S.N. Arikan, als waarneemster van mr. Aydin. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1987 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 29 april 2023 heeft eiseres aanvragen voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ en voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingediend, alsmede een aanvraag om verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
4.1.
Verweerder heeft bij het primaire besluit van 17 augustus 2023 de aanvragen van eiseres afgewezen, omdat zij nog geen vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Volgens verweerder had eiseres namelijk in de periode tussen 1 juli 2019 en 1 december 2021 geen rechtmatig verblijf in Nederland. Tussen 1 mei 2018 en 1 juli 2019 had eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [familielid] ’ en vanaf 1 december 2021 had eiseres wederom rechtmatig verblijf, onder dezelfde beperking. Volgens verweerder voldoet eiseres daarom niet aan de voorwaarde dat zij op het moment van de aanvraag, dan wel op het moment van de beslissing, minimaal vijf jaar zonder onderbreking in Nederland woont op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel. Eiseres beschikt volgens verweerder namelijk pas sinds 1 december 2021 over aaneengesloten rechtmatig verblijf van niet-tijdelijke aard. De verlengingsaanvraag van eiseres is ook afgewezen, omdat de huidige verblijfsvergunning van eiseres bij de beoordeling van de aanvraag nog langer dan drie maanden geldig was.
4.2.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 27 november 2023 het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat de wettelijke voorwaarde van vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland, zonder onderbreking, geen ‘nieuwe beperking’ vormt zoals is bedoeld in artikel 13 van Besluit nr. 1/80, oftewel de standstill-bepaling.
4.3.
Verweerder heeft in het besluit van 25 oktober 2021 de verblijfsvergunningen van eiseres en haar partner ingetrokken met terugwerkende kracht per 1 juli 2019, omdat de partner van eiseres niet langer voldeed aan de beperking waaronder zijn vergunning was verleend, namelijk ‘arbeid als kennismigrant’ en eiseres een afhankelijk verblijfsrecht had van haar partner. Dit besluit staat in rechte vast, wat betekent dat het verblijfsgat van eiseres tussen 1 juli 2019 en 1 december 2021 ook in rechte vaststaat.
Beoordeling
Nieuwe beperking standstill-bepaling
5. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte haar aanvragen heeft afgewezen, omdat zij niet zonder onderbreking vijf jaar rechtmatig verblijf zou hebben gehad in Nederland. Eiseres is het niet eens met het standpunt van verweerder dat zij pas vanaf 1 december 2021 rechtmatig verblijf heeft. Eiseres stelt dat zij rechten ontleent aan Besluit nr. 1/80 omdat zij de Turkse nationaliteit heeft en ten tijde van haar aanvraag rechtmatig verblijf had, waardoor zij onder de werkingssfeer van de standstill-bepaling valt. Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 december 2023. Daaruit volgt volgens haar dat de gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van vijf jaar rechtmatig verblijf voorafgaand aan de aanvraag voor de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, een ‘nieuwe beperking’ vormt ten opzichte van de standstill-bepaling. Uit deze uitspraak volgt volgens eiseres verder dat vanwege de standstill-bepaling, de periode dat zij onrechtmatig heeft verbleven in Nederland moet worden meegeteld. Zodoende moet worden gekeken naar hoelang zij haar hoofdverblijf heeft gehad in Nederland, zoals is gesteld in artikel 13, derde lid, van de Vw 1965. Uit de uitspraak volgt daarnaast dat het begrip ‘hoofdverblijf’ een strikt feitelijke betekenis heeft en daaronder niet kan worden verstaan ‘legaal hoofdverblijf’. Eiseres stelt langer dan vijf jaar hoofdverblijf te hebben in Nederland.
5.1.
Eiseres heeft verder op de zitting aangevoerd dat de voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf een strijdigheid oplevert met artikel 6 van Besluit nr. 1/80, nu uit dit artikel volgt dat Turkse werknemers al na vier jaar legale arbeid vrije toegang hebben tot ieder arbeid in loondienst van hun keuze in de betreffende lidstaat.
5.2.
Verweerder verwijst in zijn verweerschrift naar het arrest Meislev van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 4 juli 2024, waarin het Hof tot de conclusie is gekomen dat het stellen van strengere voorwaarden voor het verkrijgen van een permanente verblijfsvergunning geen ‘nieuwe beperking’ oplevert in de zin van de standstill-bepaling. Verweerder verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2024.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres al minimaal vijf jaar in Nederland verblijft en dat eiseres valt onder de werkingssfeer van Besluit nr. 1/80. Verder is niet in geschil dat eiseres nog geen vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
5.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het Hof heeft in het arrest Meislev in rechtsoverweging 40 uitleg gegeven over de standstill-bepaling. Volgens het Hof is een regeling van een lidstaat die strengere voorwaarden stelt voor de verkrijging van een permanente verblijfsvergunning voor een Turkse werknemer geen ‘nieuwe beperking’ in de zin van de standstill-bepaling. Dit geldt als de werknemer onder de werkingssfeer van Besluit nr. 1/80 valt en in de betreffende lidstaat verblijft. Deze regeling vormt volgens het Hof geen ‘nieuwe beperking’ omdat de strengere voorwaarden geen afbreuk doen aan het recht van de Turkse werknemer om zijn recht op vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaat uit te oefenen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 november 2024, in het kader van het arrest Meislev, in rechtsoverweging 2.2 tot en met 2.4 ook geoordeeld dat de voorwaarde van vijf jaar rechtmatig en ononderbroken verblijf voor de verkrijging van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd geen strijd oplevert met de standstill-bepaling.
5.5.
Op basis van het bovengenoemde arrest van het Hof en de uitspraak van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde van vijf jaar rechtmatig en ononderbroken verblijf in Nederland voor de verkrijging van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of de ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’.
5.6.
Hetgeen eiseres heeft aangevoerd op de zitting wat betreft artikel 6 van Besluit nr. 1/80 gaat niet op, nu dit niet relevant is voor de vraag of verweerder gezien de standstill-bepaling mag uitgaan van de voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf, in het kader van de verkrijging van een permanente verblijfsvergunning. Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat de huidige verblijfsvergunning van eiseres de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan’ bevat. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel en ‘oud recht’
6. Eiseres doet vervolgens een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar meerdere zaken, waarin verweerder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ heeft verleend ondanks het feit dat de vreemdelingen in kwestie niet ononderbroken vijf jaar een rechtmatig verblijfsrecht hebben gehad.
6.1.
Eiseres heeft in dit kader op de zitting verder aangevoerd dat het primaire besluit en het bestreden besluit dateren van voor het arrest Meislev en de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2024. Dit betekent volgens eiseres dat, omdat zij valt onder de werkingssfeer van Besluit nr. 1/80, ten tijde van deze besluiten de voorwaarde van vijf jaar hoofdverblijf in Nederland gold om een permanente verblijfsvergunning te verkrijgen. Dit volgt volgens eiseres uit de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 1979. Volgens eiseres was dit dan ook het beleid dat verweerder voerde vóór het arrest Meislev en de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2024, en zijn de beschikkingen waar eiseres naar verwijst om deze reden ingewilligd.
6.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het Hof heeft in het arrest Meislev een nadere duiding gegeven van artikel 13 van Besluit nr. 1/80, waarmee het recht dus niet is veranderd maar enkel is verduidelijkt. Dit betekent dat deze nadere uitleg van de standstill-bepaling kan worden toegepast op de zaak van eiseres, evenals op het primaire besluit en het bestreden besluit.
6.3.
Verweerder heeft op de zitting verder aangevoerd dat de voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf, ter verkrijging van een permanente verblijfsvergunning, altijd heeft gegolden en dat hij nooit beleid heeft gevoerd waarin de voorwaarde van vijf jaar hoofdverblijf heeft gegolden, ook niet voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Vw 2000. De rechtbank volgt dit standpunt. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit namelijk onder andere op het standpunt gesteld dat hoewel uit de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 1979 volgt dat aan het begrip hoofdverblijf een strikt feitelijke betekenis moet worden toegekend, de Afdeling niet heeft geoordeeld dat uit het stelsel van de Vw 1965 voortvloeit dat ook verblijf waarvoor geen verblijfsvergunning is verleend, van belang was voor het verkrijgen van een vergunning tot vestiging (de huidige verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd) als bedoeld in artikel 13 van de Vw 1965.
6.4.
De rechtbank overweegt verder dat ook uit de overgelegde beschikkingen niet volgt dat verweerder beleid heeft gevoerd waarin de voorwaarde van vijf jaar hoofdverblijf heeft gegolden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat eveneens niet op, nu uit de beschikkingen niet blijkt dat het gaat om een situatie die vergelijkbaar is met de zaak van eiseres. Verweerder heeft namelijk onbetwist inhoudelijk aangetoond dat de beschikkingen behorende bij productie 1 en productie 4 ambtelijke misslagen waren. Verweerder heeft daarbij terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2024, waaruit volgt dat het gelijkheidsbeginsel in dit kader niet zover strekt dat een bestuursorgaan een ambtelijke misslag moet herhalen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Eiseres krijgt ook het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Europese Unie.
Zoals is vastgesteld in artikel 45b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in het kader van de ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ en artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, in het kader van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.
Zaaknummers NL23.3520 en NL23.3522 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Vreemdelingenwet 1965.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2024:572.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:4786.
Nr. A-2.0028 (1978) (RV 1979, 62).
Zie pagina 3 van het bestreden besluit.
ECLI:NL:RVS:2024:4786, rechtsoverweging 6.1.