Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:21311
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,994 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32134
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F. Kilic-Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De afwijzing van de aanvraag kan in stand blijven. Eiser krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met het besluit van 3 januari 2024 afgewezen. Hierin is ook bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Met het bestreden besluit van 17 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft deelgenomen via beeldbellen.
2.4.
Het onderzoek ter zitting is geschorst en hervat op 19 augustus 2025.
Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser heeft deelgenomen via beeldbellen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij had van 27 november 2012 tot 5 september 2017 een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als kennismigrant’. Van 5 september 2017 tot 5 september 2022 was eiser in het bezit van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid in loondienst’. Eisers aanvraag tot verlenging van deze verblijfsvergunning is afgewezen omdat hij niet langer voldeed aan de daarin opgenomen beperking. Hij werkte niet langer in loondienst, maar werkte als zelfstandige. Eiser heeft op 13 september 2023 een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’.
Wat heeft de minister besloten?
4. De minister heeft deze aanvraag afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De minister stelt zich over de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij minimaal vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft gewoond op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel. Eiser had ten tijde van de aanvraag geen geldige verblijfsvergunning. Hij had toen een procedure lopen tegen de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid in loondienst’. Hij had dus slechts procedureel rechtmatig verblijf. Ook voldoet eiser niet aan het middelenvereiste. De minister stelt verder dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De aanspraken op artikel 8 van het EVRM zijn in de procedure tegen de verlenging aan de orde gekomen en voldoende gewogen. Het daartegen ingestelde beroep is op 11 juli 2024 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep van eiser tegen deze uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee staat het besluit van de minister over het afwijzen van de verlenging van de verblijfsvergunning onder beperking arbeid in loondienst in rechte vast. Overigens stelt de minister dat hij niet toekomt aan een beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM, gelet op de artikelen 3.6 en 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de uitspraak van 11 juli 2024. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Daarom is eiser in bezwaar niet gehoord.
Wat zijn de regels (wettelijk kader)?
5. Op grond van artikel 45b, tweede en derde lid, van de Vw 2000, wordt de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000 heeft gehad. Dit volgt eveneens uit artikel 4 van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (Richtlijn).
Omvang van het geschil
6. De rechtbank stelt voorop dat eiser de beroepsgrond over de belangafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM op de zitting heeft laten vallen. Eiser heeft daarbij vermeld dat de rechtbank de belangenafweging moet lezen in het kader van de beroepsgrond over de schending van de hoorplicht. De rechtbank zal dit daarom ook zo beoordelen.
Voldoet eiser aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen?
7. Eiser voert aan dat de minister zicht ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen conform artikel 4 van de Richtlijn. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet de gehele periode van verblijf in aanmerking heeft genomen bij het bepalen van de verblijfsduur. De opbouw in de periode van 2012 tot 2022, de periode in Duitsland (voor 2012) en het procedureel verblijf vanaf 2022 heeft de minister ten onrechte niet meegerekend bij de berekening van de vijfjaarstermijn. Eiser betoogt verder dat hij tot aan de datum van de aanvraag, 13 september 2022, een formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad, dat bij de berekening van de vijfjaarstermijn meetelt. Ter verdere onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2010. Eiser voert verder aan dat uit punt 6 van de considerans van de Richtlijn volgt dat het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene de duur van het verblijf op het grondgebied van de lidstaat is. Het moet gaan om een langdurig ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden heeft gekregen met het land. Hoe langer de periode van verblijf, des te nauwer de banden met de staat, des te vollediger de integratie zal zijn en daarmee dus ook de aanspraak op de status van de langdurig ingezetene. In dat kader betoogt eiser dat hij sinds 2012 in Nederland verblijft, is ingeburgerd, altijd in Nederland heeft gewerkt, zijn eigen onderneming heeft en economisch onafhankelijk is geweest. Het verblijf van eiser is altijd rechtmatig en onafgebroken geweest. Dit duidt er volgens hem op dat hij langdurig en onafgebroken verblijf in Nederland en de Europese Unie heeft gehad. Ook betoogt hij dat hij sterke banden met Nederland heeft.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaand aan de aanvraag op 13 september 2023 rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000 heeft gehad. De minister stelt zich daarbij terecht op het standpunt dat de verblijfsvergunning van eiser op 5 september 2022 is ingetrokken en dat hij vanaf dat moment enkel een formeel beperkt verblijfsrecht had. Een formeel beperkt verblijfsrecht is geen verblijfsrecht in de zin van artikel 8 onder a, c, e of l van de Vw 2000. Dat blijkt uit artikel 21 van de Vw 2000. Verder volgt uit rechtsoverweging 2.4.5. van de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2010 dat – anders dan eiser stelt – het formeel beperkt verblijfsrecht niet moet worden meegeteld bij de berekening van de vijfjaarstermijn (maar het onderbreekt het ook niet). De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in haar uitspraak van 23 december 2016. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser onder het Turks Associatierecht rechten verworven die ertoe hadden moeten leiden dat aan hem een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ toekomt?
8. Eiser voert aan het bestreden besluit in strijd is met artikel 13 van Besluit nr. 1/80. Hij is immers een Turkse werknemer, die al 12 jaar rechtmatig in Nederland verblijft. Eiser doet expliciet geen beroep op het verwerven van rechten onder het Turks Associatierecht ex artikel 6 Besluit nr. 1/80; dat heeft hij in een andere procedure aan de orde gesteld. Eiser betoogt in deze procedure dat de door hem opgebouwde rechten (door eerder aaneengesloten verblijf) op grond van het Associatierecht niet verloren zijn gegaan. Eiser leidt dit af uit artikel 13 van Besluit nr. 1/80 op grond waarvan lidstaten het meest gunstige beleid voor Turkse onderdanen moeten toepassen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het, aldus eiser, aan de minister om dat meest gunstige beleid te achterhalen en toe te passen. Eiser verwacht aldus van de minister dat hij achterhaalt welk beleid het effect sorteert dat eiser beoogt.
8.1.
De rechtbank is het met de minister eens dat het aan eiser is om te onderbouwen dat en welk meest gunstige beleid toegepast had moeten worden. Eiser had minstens moeten toelichten welk beleid hij bedoelt en waarom dat in zijn geval gunstiger is, althans leidt tot een voor hem gunstiger uitkomst. Eiser heeft dat niet gedaan. Ook voor zover eiser stelt dat er sprake is van een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van Besluit nr. 1/80, volgt de rechtbank dat niet.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 45b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Zaaknummers: NL23.24721 en NL23.224722.
ABRvS 21 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4788. De Afdeling overweegt, kort samengevat, dat eiser na meerdere sommaties daartoe het griffierecht niet heeft betaald en daarvoor geen goede reden heeft gegeven.
Artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RVS:2010:BL1445.
ECLI:NL:RVS:2016:3447, r.o. 5.1.
ECLI:NL:RVS:2024:4786.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zaaknummers: NL23.24721 en NL23.224722.