Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:17607
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,957 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43841
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).
Inleiding
1. De minister heeft op 9 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Daar is ook een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 12 augustus 2025. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 8 augustus 2025 is gebeurd.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar zowel Marokko als Algerije, ontbreekt. Met verwijzing naar het recente arrest Adrar van het Hof stelt eiser dat het terugkeerbesluit van 1 april 2025 niet voldoet aan de in dit arrest genoemde vereisten. Er is namelijk een standaard motivering gebruikt in het besluit en het is daardoor onvoldoende op de situatie van eiser toegespitst. Er kan dus niet worden vastgesteld of de minister het refoulementrisico dan wel het recht op familie- of gezinsleven van eiser heeft beoordeeld. Ook sindsdien is een dergelijke beoordeling niet gedaan en er kan dan ook niet worden vastgesteld of het beginsel van non-refoulement dan wel het recht op familie- of gezinsleven zich verzetten tegen de uitzetting van eiser. Het voorgaande, in samenhang bezien met het feit dat zowel Marokko als Algerije in het geheel niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag voor eiser, maakt dat zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft daarbij op de zitting aangegeven direct Nederland te willen verlaten en naar zijn op sterven liggende vader in Frankrijk te willen vertrekken.
4.1.
Eiser stelt daarnaast dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 5 september 2025. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard omdat, kort gezegd, de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting gedurende strafrechtelijke detentie voorafgaand aan het opleggen van een bewaringsmaatregel. Ook eiser zat voorafgaand aan het opleggen van deze bewaringsmaatregel in strafrechtelijke detentie en de minister heeft zich onvoldoende ingespannen om de bewaring te voorkomen. De tijd die eiser in strafrechtelijke detentie heeft doorgebracht, dient daarnaast te worden meegenomen in de totale duur van de bewaring, waarmee deze inmiddels te lang duurt. Dit temeer nu zowel Marokko als Algerije zoals gezegd geen enkele reactie hebben gegeven op de lp-aanvraag en rappels.
Oordeel van de rechtbank
5. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak op het eerste beroep van eiser van 27 juni 2025, waarin al is geoordeeld dat de minister de inspanningsverplichting niet heeft geschonden, dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije en Marokko niet ontbreekt en dat ook voor eiser concreet zicht op uitzetting aanwezig is. Het voorgaande is herhaald in de uitspraak met betrekking tot het voortduren van de bewaring van 12 augustus 2025. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan nu tot een ander oordeel moet worden gekomen. In de omstandigheid dat zowel Marokko als Algerije nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvragen, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt. De minister heeft op de zitting terecht aangegeven afhankelijk te zijn van de werkwijze van de beide landen en dat niet is gebleken dat de Marokkaanse dan wel Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Ook de verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 5 september 2025 leidt niet tot een ander oordeel. Zoals gezegd heeft deze zittingsplaats al geoordeeld over de inspanningsverplichting in de uitspraak van 27 juni 2025.
5.1.
Ook het beroep op het arrest Adrar kan eiser niet baten. Zoals de minister op de zitting heeft aangegeven is eiser zowel voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit als het opleggen van deze maatregel van bewaring gevraagd naar zijn familieomstandigheden en of hij te vrezen heeft voor vervolging in het land van bestemming. Uit de antwoorden van eiser blijkt geen risico op refoulement of dat zijn familie- of gezinsleven zich tegen zijn verwijdering verzet. Ook in het laatste vertrekgesprek van 26 augustus 2025 geeft eiser geen blijk van dergelijke belangen door aan te geven niet terug te willen naar Marokko omdat hij daar niks heeft. De omstandigheid dat de vader van eiser ernstig ziek is, is al meegewogen in de beoordeling van het eerste beroep van eiser. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend in zowel wat eiser op de zitting heeft aangevoerd als in het dossier geen grond voor het oordeel dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL25.34882
Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Laissez-passer.
ECLI:NL:RBDHA:2025:16556.
ECLI:NL:RBDHA:2025:11465.
Zie voor Algerije ECLI:NL:RVS:2024:5027, en voor Marokko ECLI:NL:RVS:2025:219.
ECLI:NL:RBDHA:2025:14950.