Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:16957
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,409 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.11991
V-nummers: [V-nummer 1]
[V-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1945, eiser en verzoeker, hierna: eiser,
en
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum 2] 1952, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,
beiden van Syrische nationaliteit,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),
en
de minister van Asiel en Migratie
, de minister
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eisers hebben op 1 juli 2019 een opvolgende aanvraag voor asiel ingediend.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met afzonderlijke besluiten van 2 maart 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat er volgens de minister geen sprake is van nieuwe elementen.
1.2.
Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Op 3 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken toegewezen. De beroepen zijn op 15 februari 2021, door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, gegrond verklaard.
1.3.
De minister heeft op 13 april 2023 met het bestreden besluit de aanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.4.
Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld en wederom verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.5.
De minister heeft op 21 februari 2024 op dit beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft op 5 juni 2024 enkele inhoudelijk vragen aan partijen gesteld waarin onder andere om een uiteenzetting van de gedragslijn van de minister is gevraagd.
1.6.
Na een verzoek van eisers om toewijzing van de voorlopige voorziening, heeft de minister op 13 juni 2024 laten weten zich daar niet tegen te verzetten. De voorzieningenrechter heeft op 18 juni 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
1.7.
De minister heeft op 12 juli 2024 met een aanvullend verweerschrift op de inhoudelijke vragen gereageerd. Eisers hebben vervolgens op 20 november 2024 gereageerd op dit verweerschrift. Op verzoek van de rechtbank heeft de minister op 10 december 2024 met een aanvullend verweerschrift op deze reactie heeft gereageerd.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, N.M. Maj Doubi als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de minister op goede gronden de aanvraag van eisers heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4.1.
De rechtbank is uitgegaan van het volgende. Eisers hebben op 11 april 2013 een aanvraag ingediend om verlening van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vw. Bij besluiten van 16 april 2013 zijn de aanvragen ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw, met ingang van 11 april 2013, geldig tot 11 april 2018.
4.2.
Op 13 juni 2016 heeft de minister voornemens uitgebracht tot intrekking van de verblijfsvergunningen van eisers omdat uit ambtshalve verkregen informatie van de Italiaanse autoriteiten is gebleken dat eisers naast de Syrische ook de Armeense nationaliteit hebben. Uit informatie van een visum-registratiesysteem genaamd Vision (voorloper van het latere EU-VIS) volgt namelijk dat de Italiaanse autoriteiten op 5 maart 2013 een visum aan eisers hebben verstrekt in een Armeens paspoort. Na een verzoek daartoe hebben de Italiaanse autoriteiten een afschrift van de visumaanvragen en kopieën van de paspoorten aan de minister verstrekt. Eisers hebben op 17 november 2016 afstand gedaan van hun Armeense nationaliteit. Bij besluit van 28 november 2016 zijn de verblijfsvergunningen van eisers ingetrokken met terugwerkende kracht tot 11 april 2013. Dit omdat eisers hun Armeense nationaliteit hebben verzwegen en omdat Armenië als veilig derde land voor eisers kan worden aangemerkt. Na een tussenuitspraak van 28 maart 2017 waarin de minister is opgedragen een gebrek te herstellen, zijn de beroepen van eisers tegen de intrekkingen op 19 februari 2018 ongegrond verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem. De intrekkingen zijn bij uitspraak van 27 november 2018 van de Afdeling onherroepelijk geworden.
4.3.
Eisers hebben op 1 juli 2019 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Op 4 juli 2019 heeft de minister het voornemen uitgebracht de aanvraag buiten behandeling te stellen. Op 11 juli 2019 hebben eisers een zienswijze uitgebracht met nadere informatie. De minister heeft daarop het voornemen de aanvraag buiten behandeling te stellen laten vallen.
4.4.
Op 26 februari 2020 hebben eisers een aanvullende zienswijze ingediend waarbij beroep is gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eisers is de minister in tientallen vergelijkbare gevallen uiteindelijk niet overgegaan tot intrekking. Ook is aangevoerd dat Armenië voor eisers niet kan gelden als veilig derde land en dat zij geen toegang krijgen tot Armenië. Eisers zijn op 27 februari 2020 in de gelegenheid gesteld de aanvraag toe te lichten tijdens een gehoor opvolgende aanvraag. De minister heeft op diezelfde dag een nieuw voornemen uitgebracht. Bij brief van 28 februari 2020 hebben eisers een zienswijze ingediend waarin onder andere is verzocht de intrekkingsbesluiten te heroverwegen op grond van het gelijkheidsbeginsel. Op 2 maart 2020 heeft de minister de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, omdat sprake is van opvolgende aanvragen waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Zo hebben eisers volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij niet terug kunnen keren naar Armenië. Ook heeft de minister met verwijzing naar de intrekkingsbesluiten van 28 november 2016 overwogen dat Armenië voor eisers wel als veilig derde land kan worden beschouwd. Het verzoek tot heroverweging van de intrekkingsbesluiten is in dit besluit door de minister afgewezen. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Ter onderbouwing van het beroep op het gelijkheidsbeginsel hebben eisers in beroep 25 andere zaken ingebracht.
4.5.
Het beroep tegen het besluit van 2 maart 2020 is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op 15 februari 2021 gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers toegang zullen krijgen tot Armenië, of dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen toegang zullen krijgen tot Armenië. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat Armenië voor eisers een veilig derde land is. Echter, de rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard omdat de minister onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op het verzoek tot heroverweging van de intrekkingsbesluiten op grond van het gelijkheidsbeginsel. Ten aanzien van de door eisers overgelegde dossiers heeft de rechtbank geoordeeld dat in het bijzonder in vier dossiers, B, F, G en I, is afgezien van intrekking terwijl sprake is van nagenoeg dezelfde feiten en omstandigheden. Nu de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waar de verschillen in zitten en dus niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het geen gelijke gevallen betreft, is het verzoek tot heroverweging van eisers volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Het bestreden besluit is daarom vernietigd en de minister moest opnieuw beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Onderhavige procedure gaat over deze nieuwe beslissing.
Besluitvorming
5. De minister heeft naar aanleiding van bovengenoemde uitspraak de aanvragen met het bestreden besluit van 13 april 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister wijst ten aanzien van de toegang tot Armenië dan wel het oordeel over het veilig derde land, naar de uitspraak van 15 februari 2021. De minister stelt vervolgens dat niet wordt voldaan aan de vergelijkbaarheidstoets en daarom kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. De minister gebruikt hiervoor de volgende argumenten.
5.1.
De minister stelt dat de zaak van eisers verschilt van de zaken waarin alsnog is afgezien van de intrekking (A t/m M). Enerzijds is in een aantal van die zaken afgezien van intrekking omdat door de minister niet aan de bewijslast was voldaan om aan te tonen dat de vreemdelingen (en alle gezinsleden) naast de Syrische ook de Armeense nationaliteit hadden (A t/m E, G en I t/m M). Anderzijds is bij eisers tijdens de intrekkingsprocedure (ook) niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat op die grond voortgezet verblijf had moeten worden toegestaan (A, B, F, H, I, J en L).
5.2.
Daarnaast stelt de minister dat er ook geen sprake is van opgewekt vertrouwen bij eisers dat zij in het bezit zouden blijven van de aan hen verleende verblijfsvergunning. Op het moment dat de minister concludeert dat sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens in de zin van artikel 32 van de Vw is sprake van een imperatieve intrekkingsgrond en zal de vergunning moeten worden ingetrokken. In enkele zaken heeft de minister dit niet gedaan, gelet op de dusdanige bijzondere omstandigheden in die specifieke zaken. Door het tijdsverloop en de beperkte capaciteit heeft de unit herbeoordelingen ervoor gekozen om in Vision zaken waarbij de intrekking nog steeds niet had plaatsgevonden maar de vijf jaren termijn naderde of was verstreken, het onderzoek af te breken als de vreemdeling naar verwachting in aanmerking zou komen voor een ander (regulier) verblijfsrecht. In die gevallen is afgezien van intrekking, maar dit betekent niet dat de minister gehouden is om – in strijd met de Kwalificatierichtlijn – in andere zaken eveneens personen in het bezit te laten van de aan hen verleende verblijfsvergunning als zij niet aan de voorwaarden voldoen.
Conclusie
8. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Vreemdelingenwet 2000.
NL20.6148 en NL20.6150.
NL20.6147 en NL20.6149.
NL23.11992.
Europese Unie-Visum Informatie Systeem.
NL16.4023 en NL16.4024, ECLI:NL:RBNHO:2017:2620.
NL16.4023 en NL16.4024, ECLI:NL:RBNHO:2018:1529.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Kenmerk 201802304/1/V1.
NL20.6147 en NL20.6149.
Richtlijn 2011/95/EU.
Immigratie en Naturalisatiedienst.
Dienst Terugkeer en Vertrek.
ECLI:NL:RVS:2017:2693.
Uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1782 en 26 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4830.
In het geval van de kinderen van eisers.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2693.
NL21.18930, NL21.18932 en NL21.18934
ECLI:NL:RVS:2024:85.
Beoordeling
De minister is namelijk gehouden tot intrekking over te gaan als het verkeerd weergeven of achterhouden van feiten, of het verstrekken van valse documenten doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingen – of subsidiaire beschermingsstatus – en dat staat in het geval van eisers in rechte vast.
5.3.
Ook stelt de minister zich op het standpunt dat ten aanzien van bijzondere omstandigheden de zaak van eisers niet tot een ander oordeel leidt. De minister stelt namelijk dat de intrekking voortvarend is behandeld. Zo zijn het voornemen en de beschikking vijf maanden na elkaar verzonden in 2016. Eisers waren toen drie jaar in Nederland en ook de vergunningen van familieleden zijn ingetrokken. Dat deze situatie in de loop van de jaren is veranderd waardoor er nu wel familieleden zijn met rechtmatig verblijf in Nederland maakt dat niet anders, omdat eisers ervoor hebben gekozen niet naar Armenië terug te keren, maar in Nederland te blijven en in 2019 opnieuw een asielaanvraag te doen.
Gedragslijn
6. In het verweerschrift van 12 juli 2024 heeft de minister, na vragen van de rechtbank, de gehanteerde gedragslijn uiteengezet. Deze gedragslijn is gebaseerd op het volgende.
6.1.
In 2013/2014 kwamen er aanwijzingen dat in een aantal zaken van etnische Armenen uit Syrië (en Irak) was verzwegen dat zij ook de Armeense nationaliteit hadden. Naar aanleiding daarvan is door de minister onderzoek ingesteld. Dat is aanvankelijk gebeurd door het Belgische Vision systeem te raadplegen waaruit treffers kwamen op basis van persoonsgegevens. In de periode 2015-2016 is door de IND besloten om deze zaken, waar sprake was van een Visiontreffer, op projectmatige wijze op te pakken door in al deze zaken een standaard voornemen tot intrekking uit te brengen. Bij het uitbrengen van deze voornemens is niet van tevoren (uitvoerig) gekeken naar de individuele dossiers. In de besluitvormingsfase werd, rekening houdend met de zienswijzen, nader onderzocht of de minister daadwerkelijk kon overgaan tot intrekking, omdat voldoende aantoonbaar was dat de betreffende vreemdeling onjuiste gegevens had verstrekt dan wel gegevens had achtergehouden.
6.2.
Een onderzoek uitzetten in het land waar het visum was afgegeven was volgens de minister een logische stap na een Visiontreffer. Als er naar aanleiding
daarvan een visumdossier werd ontvangen waarin een kopie aanwezig was van het Armeense paspoort waar de Armeense nationaliteit uit bleek, bestond er in beginsel geen aanleiding voor nader onderzoek door de minister en ging zij, bijzondere omstandigheden daargelaten, over tot intrekking van de verleende asielvergunning. Verder kon er aanvankelijk via DT&V een onderzoek worden uitgezet bij de Armeense autoriteiten om te verifiëren of de vreemdeling die nationaliteit daadwerkelijk had. Nadat de diplomatieke betrekkingen tussen de minister en de Armeense autoriteiten hierdoor op gespannen voet kwamen te staan, is DT&V gestopt met het toepassen van deze onderzoeksmethode. In enkele zaken is een individueel ambtsbericht uitgezet. Om dat onderzoek op te kunnen starten is toestemming van de vreemdeling vereist. Niet elke vreemdeling gaf deze toestemming en het waren langdurige en kostbare onderzoeken waardoor ook dit instrument niet altijd even geschikt bleek. Naast deze ervaringen met verschillende onderzoeksmodaliteiten, is het streven volgens de minister telkens geweest om proceseconomisch en zo efficiënt mogelijk te voldoen aan de bewijslast. Door tijdsverloop tussen het moment van afgifte van het visum, de Visiontreffer en het moment van nader onderzoek, was hetzelfde onderzoek ook niet altijd mogelijk. Zo waren visumdossiers daardoor soms niet meer beschikbaar (de bewaartermijn is vijf jaar, maar sommige diplomatieke posten hanteren een termijn van twee jaar). Het was bij een Visiontreffer bovendien niet van meet af aan helder wanneer aan de bewijslast voor intrekking was voldaan. Zo oordeelde de rechtbank in de tussenuitspraak in de zaak van eisers dat de Visiontreffer in samenhang met de complete visumdossiers, inclusief kopieën van de Armeense paspoorten die waren gebruikt bij de visumaanvraag, onvoldoende waren en dat de minister gehouden was nader onderzoek te (laten) verrichten bij de Armeense autoriteiten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2017, volgde dat aan de bewijslast is voldaan als naast de Visiontreffer extra informatie beschikbaar was, zoals bijvoorbeeld het visumdossier met daarin een kopie van het bij de visumaanvraag door de autoriteiten onderzochte en echt bevonden paspoort waarin het visum is aangebracht.
6.3.
Op het moment dat de minister concludeert dat sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens in de zin van artikel 32 van de Vw zal de vergunning moeten worden ingetrokken. Desondanks heeft de minister dit in enkele zaken niet gedaan, gelet op de bijzondere omstandigheden in die zaken. Zo was er in die gevallen sprake van het overlijden van een gezinslid in Nederland dan wel van familie- of gezinsleden met de Nederlandse nationaliteit. Door het tijdsverloop en de beperkte capaciteit heeft de minister in Vision zaken waarbij de intrekking nog niet had plaatsgevonden maar de vijf jaren termijn naderde of was verstreken en de vreemdeling naar verwachting in aanmerking zou komen voor een ander (regulier) verblijfsrecht, ervoor gekozen het onderzoek af te breken en in die gevallen af te zien van intrekking.
6.4.
Verder is in dit kader van belang dat de minister rekening hield met de gezinseenheid. Als bij een gezin niet van alle gezinsleden een compleet visumdossier of een op andere wijze aan ieder gezinslid te koppelen Visiontreffer voorhanden was, had dit tot gevolg dat ten aanzien van alle gezinsleden niet tot intrekking werd overgegaan. In dat geval was immers niet aangetoond dat alle gezinsleden de bescherming van de Armeense autoriteiten zouden kunnen krijgen.
6.5.
Volgens de minister slaagt het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel niet omdat in hun geval conform bovengenoemde gedragslijn is gehandeld. Er was namelijk sprake van Visiontreffers van alle gezinsleden. De minister heeft ook kopieën gekregen van de bij de visumaanvragen gebruikte en door de desbetreffende autoriteiten onderzochte en echt bevonden Armeense paspoorten waarin de visa zijn aangebracht. Ook was er in het geval van eisers geen sprake van een in Nederland overleden gezinslid dan wel familie- of gezinsleden met de Nederlandse nationaliteit.
Gelijkheidsbeginsel – gronden
7. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 15 februari 2021, en dat de minister dus onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Eisers stellen dat de minister de intrekkingsprocedures pas in gang had moeten zetten nadat er voldoende informatie was vergaard om de intrekking te rechtvaardigen en niet na een enkele Visiontreffer. Ook was er ten tijde van het starten van de projectgroep geen sprake van een consistent en doordacht bestuursbeleid. De gang van zaken geeft geen blijk van behoorlijk bestuur. Eisers voelen zich verder gesterkt in hun stelling dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden nu blijkt dat het al dan niet intrekken van de verblijfsvergunningen inderdaad met name afhing van het antwoord op de vragen of en wanneer er informatie is opgevraagd bij de visumverstrekkende lidstaat; of die lidstaat genegen was te antwoorden; of die lidstaat nog documenten beschikbaar had of deze (in strijd met de bewaarplicht) geheel of deels had vernietigd. Ook omdat nu blijkt dat de minister in verschillende zaken verschillende onderzoeksmethodes hanteerde, is sprake geweest van willekeur.
Beoordeling
Eisers hadden daarbij “de pech” dat er in hun zaak al bij het voornemen van 13 juni 2016 sprake was van een kopie van het Armeense paspoort en de visumaanvraag, en dat dit ook gold voor hun gezinsleden. Daarnaast zijn hun zaken om onduidelijke reden sneller afgehandeld dan de andere zaken. Er is sprake van ongelijke behandeling als in de kern dezelfde zaken op verschillende manieren worden behandeld. Daarvan is hier sprake geweest. Tot slot stellen eisers dat artikel 19, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn weliswaar imperatief dwingt tot intrekking, maar dat het zo niet is toegepast en dus dat er een schending is van het gelijkheidsbeginsel.
Gelijkheidsbeginsel – beoordelingskader
7.1.
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat vergelijkbare gevallen gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate waarin zij verschillen. Uit vaste rechtspraak volgt dat het gelijkheidsbeginsel een consistent en dus doordacht bestuursbeleid vergt. Het
veronderstelt dat het bestuursorgaan welbewust richting geeft en derhalve een algemene
gedragslijn volgt bij zijn optreden in individuele vergelijkbare gevallen. Wanneer de
vreemdeling zich op het gelijkheidsbeginsel beroept en daartoe een volgens hem gelijk,
althans vergelijkbaar geval noemt, ligt het op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat deze gevallen rechtens niet gelijk, althans vergelijkbaar zijn. De rechtbank zal hierbij de gedragslijn beoordelen zoals de minister uiteen heeft gezet in het verweerschrift van 12 juli 2024. Kort samengevat, luidt deze gedragslijn als volgt.
7.1.1.
In de zaken waarin sprake was van een Visiontreffer waaruit volgt dat er naast de Syrische nationaliteit ook sprake was van de Armeense nationaliteit, is een standaard voornemen tot intrekking uitgebracht. Nadat dit voornemen is uitgebracht heeft de minister nader onderzoek gedaan, in de vorm van het opvragen van een visumdossier bij het desbetreffende land dat het visum heeft verleend. Als er naar aanleiding daarvan een visumdossier van alle gezinsleden werd ontvangen waarin een kopie aanwezig was van het Armeense paspoort waar de Armeense nationaliteit uit bleek, bestond er in beginsel geen aanleiding voor nader onderzoek door de minister en ging zij, bijzondere omstandigheden daargelaten, over tot intrekking van de verleende asielvergunning. In enkele zaken is een individueel ambtsbericht uitgezet. Desondanks is de minister in sommige zaken niet overgegaan tot intrekking vanwege bijzondere omstandigheden. Hierbij was bijvoorbeeld sprake als gezinsleden de Nederlandse nationaliteit hadden verkregen of als een gezinslid begraven was in Nederland.
Gelijkheidsbeginsel - Gehandeld volgens de gedragslijn
7.2.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel in de zaak van eisers. In het geval van eisers is namelijk in lijn met de geschetste gedragslijn gehandeld. Zo was sprake van een Visiontreffer van het gehele gezin van eisers van de Italiaanse dan wel de Tsjechische autoriteiten. Vervolgens zijn visumdossiers opgevraagd van alle gezinsleden. De minister heeft van de desbetreffende autoriteiten kopieën ontvangen van de bij de visumaanvragen gebruikte, en door de desbetreffende autoriteiten onderzochte en echt bevonden, Armeense paspoorten waarin de visa zijn aangebracht. Hierdoor konden de Visiontreffers aan de gezinsleden worden gekoppeld en heeft de minister ook mogen stellen dat aan de bewijslast zoals uiteengezet in jurisprudentie is voldaan. Daarnaast hebben eisers niet voldoende kunnen toelichten waarom er in hun zaak niet conform de gedragslijn is gehandeld. Eisers hebben op de zitting ook onderkend, dat ondanks wat slordigheden, uit de 25 overgelegde zaken blijkt dat de minister zaken niet heeft ingetrokken als geen sprake was van wat de minister als een volledig visumdossier heeft aangemerkt en er geen sprake was van bijzondere omstandigheden. Eisers hebben daar een kanttekening bijgeplaatst en er nog op gewezen dat het lijkt alsof in enkele andere zaken niet conform de gedragslijn gehandeld is, maar dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat in andere zaken niet conform de gedragslijn zou zijn gehandeld en toch is overgegaan tot intrekking, zorgt er namelijk niet voor dat in de zaak van eisers niet conform de gedragslijn is gehandeld. Daarnaast is ook niet gebleken van vergelijkbare bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Voor het slagen van het beroep op het gelijkheidsbeginsel in het kader van bijzondere omstandigheden, moet er namelijk sprake zijn van bijzondere omstandigheden in de zin van de gedragslijn. Hiervan is niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de overige gevallen waarin de minister niet over is gegaan tot intrekking niet rechtens gelijk, althans vergelijkbaar zijn.
Gelijkheidsbeginsel - Wijze van onderzoek
7.3.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister het verschil in onderzoeksmethoden heeft voorzien van een voldoende motivering. De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat de door de minister geschetste werkwijze niet zou kloppen. Ook de door eisers aangevoerde gronden zien daar niet op. Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat ten tijde van het starten van de projectgroep de gehele gedragslijn voor de minister al duidelijk had moeten zijn en er anders niet gesproken kan worden van een consistent en dus doordacht bestuursbeleid, volgt de rechtbank dit standpunt niet. De rechtbank acht het niet realistisch dat ten tijde van het opstarten van een projectgroep alle praktische zaken tot in de details uitgedacht zijn. Daarnaast betreft het geen beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht, maar enkel een modus operandi, een gedragslijn. De rechtbank acht het daarom begrijpelijk dat ten tijde van het project volgende stappen zijn uitgedacht en dat is gehandeld naar de opgedane kennis ten tijde van het project en dat niet de gehele gedragslijn bij de start van het project al bekend had kunnen zijn. Het eerder aan eisers duidelijk maken van de gedragslijn, had het beroep op het gelijkheidsbeginsel bovendien niet anders gemaakt. In de overweging hierboven heeft de rechtbank namelijk geoordeeld dat in het geval van eisers wel in overeenstemming met de gedragslijn gehandeld is. De stelling van eisers op zitting dat als de gedragslijn eerder bekend was, zij konden opkomen tegen de gedragslijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Gelijkheidsbeginsel - Imperatieve voorwaarde
7.4.
Ook het betoog dat de minister in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door in sommige zaken van intrekking af te zien op grond van bijzondere omstandigheden, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Deze grond is al eerder besproken in uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 mei 2023 en is vervolgens bevestigd met de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2024. Hoewel eisers gelijk hebben dat het verstrekken van onjuiste gegevens een imperatieve intrekkingsgrond betreft, betekent dit niet dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel daarom slaagt. Dat de minister op grond van bijzondere omstandigheden ten gunste van de vreemdeling niet tot intrekking van de verblijfsvergunning is overgegaan, is op zichzelf niet een relevante omstandigheid op grond waarvan een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen. Daarbij is van belang dat in het geval van eisers niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan sprake is van een vergelijkbaar geval.