Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-09
ECLI:NL:RBDHA:2025:16728
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,331 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41606
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 4 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Deze maatregel is bij uitspraken van 23 juni 2025, 4 augustus 2025 en 22 augustus 2025 eerder getoetst.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft op 4 september 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 augustus 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
2. Eiser heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn gereageerd op de voortgangsrapportage. Hij heeft echter wel in zijn beroepschrift (korte) gronden ingediend. Daarover zal de rechtbank een oordeel geven.
Zit eiser op de juiste grondslag in bewaring?
3. Eiser voert aan dat hij een asielwens heeft geuit en dat de maatregel tot op heden niet is omgezet.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 8 juli 2025 blijkt weliswaar dat eiser een asielverzoek heeft ingediend, maar zoals blijkt uit de uitspraak van 4 augustus 2025, rechtsoverweging 3.2, is op deze aanvraag beslist en heeft dit asielverzoek niet geleid tot rechtmatig verblijf. Uit het voortgangsrapport blijkt niet dat eiser hierna nog een asielaanvraag heeft ingediend of een asielwens heeft geuit. Eiser heeft ook niet verder toegelicht of onderbouwd waaruit dit zou blijken. Een wijzing van de grondslag van de maatregel van bewaring is daarom ook niet nodig.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Hoewel tussen de uitspraak van 22 augustus 2025 en het voortgangsrapport van 31 augustus 2025 geen uitzettingshandelingen zijn verricht, acht de rechtbank dit, gelet op de zeer korte periode, onvoldoende om te oordelen dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat eiser op 18 augustus 2025 zou worden uitgezet, maar dat hij deze uitzetting actief heeft gefrustreerd door zich hiertegen te verzetten. Dat op het moment van het sluiten van het onderzoek nog geen nieuwe vluchtgegevens bekend zijn, maakt dit niet anders. Uit de uitspraak van 22 augustus 2025 blijkt namelijk dat voor eiser een vlucht met escorts is aangevraagd en voor het organiseren hiervan mag de minister enige tijd gegund worden.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 23 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10742.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 4 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14474
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15782.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.