Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:16208
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,868 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.7478
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 februari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. Eiseres heeft de Oegandese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1989.
De eerdere asielaanvraag
3. Eiseres heeft eerder, op 31 januari 2019, een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 6 januari 2021 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder vond in deze eerdere procedure de lesbische gerichtheid van eiseres ongeloofwaardig. Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft het beroep van eiseres tegen het besluit van
6 januari 2021 op 5 februari 2021 ongegrond verklaard (NL21.249). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraak op 12 maart 2021 bevestigd. Daarmee staat de afwijzing van de eerdere asielaanvraag van eiseres in rechte vast.
De onderhavige asielaanvraag
4. Eiseres heeft op 22 maart 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend (de onderhavige aanvraag). Zij meent dat zij tijdens de gehoren in het kader van de eerste aanvraag ten gevolge van haar psychische problematiek (concentratiestoornissen en angstklachten) minder adequaat heeft kunnen verklaren en minder adequaat op vragen heeft kunnen antwoorden. Zij heeft in dit kader een IMMO-rapport van 23 februari 2023 overgelegd. Daarnaast stelt zij dat haar bewustzijn van haar identiteit als LHBTI+-persoon door de deelname aan projecten gegroeid is en voelt zij zich nu vrijer om over haar gevoelens te spreken en is zij ook beter in staat om die gevoelens onder woorden te brengen.
4.1.
Eiseres heeft bij haar aanvraag de volgende documenten overgelegd:
Brief van [naam 2] van VWN van 2 december 2024;
Brief van [naam 3] van COC Amsterdam Nieuw-West van 26 november 2024;
Brief van [naam 4] van De Regenboog Groep van 3 januari 2023;
Brief van [naam 5] van Here to support van 12 december 2022;
Brief van [naam 6], Phd Student VU, van 15 augustus 2022;
Brief van [naam 7] van COC Eindhoven van 28 mei 2021;
Foto’s waarop eiseres met een regenboogvlag en met anderen staat tijdens Pride en demonstraties;
IMMO-rapport van 23 februari 2023 (datum IMMO-onderzoek 27 oktober 2022)1;
Brief van [naam 8] van ARQ Centrum ‘45 van 1 februari 2023.
4.2.
Eiseres heeft verder nog de volgende documenten overgelegd:
Brief van [naam 5] van Here to support van 27 januari 2025;
Artikel van [naam 9] ‘Kunt u dat moment eens beschrijven’;
Aantekeningen van eiseres in een oude agenda.
4.3.
In beroep heeft eiseres een brief van [naam 10] van Vrouwen tegen uitzetting van 3 juni 2025 overgelegd.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
de seksuele gerichtheid van eiseres.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De seksuele gerichtheid van eiseres acht verweerder ongeloofwaardig.
5.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
1. Met de factuur van het IMMO van 11 april 2022 en de brief hierover van 6 november 2024 van haar gemachtigde aan verweerder.
Beoordeling
6. Eiseres voert aan dat zij met het IMMO-rapport wil onderbouwen dat zij ten gevolge van psychische problematiek in de eerste procedure beperkingen heeft ondervonden waardoor zij niet goed in staat was haar relaas te doen. Verweerder heeft het rapport te beperkt en in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3615) uitgelegd. Eiseres heeft verzocht het besluit van 6 januari 2021 te heroverwegen. Met de ondersteuningsbrieven en andere documenten met betrekking tot haar activiteiten in de LHBTI+-gemeenschap heeft eiseres duidelijk willen maken hoe zij haar seksuele gerichtheid in de praktijk tot uiting brengt. Ook aan de door haar ingebrachte ondersteuningsbrieven, foto’s en andere documenten met betrekking tot haar activiteiten in de LHBTI+-gemeenschap gaat verweerder ten onrechte voorbij en stelt hij dat de verklaringen van eiseres onvoldoende inzicht bieden in wat de activiteiten voor eiseres persoonlijk betekenen. Eiseres verwijst ook naar het verslag van [naam 11] en de brief van
[naam 2], beiden van Vluchtelingenwerk Nederland, het artikel van [naam 9] en wat eiseres heeft toegelicht in de zienswijze. Verweerder gaat er ten onrechte van uit dat eiseres in staat moet worden geacht een bepaald persoonlijk relaas te doen, houdt onvoldoende rekening met de achtergrond en persoonlijke omstandigheden van eiseres en concludeert dus ten onrechte dat de verklaringen van eiseres over haar seksuele identiteit nog steeds ongeloofwaardig zijn. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, aldus eiseres.
6.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit de relevantie van het IMMO-rapport betwist, nu het rapport dateert van vóór de LHBTI+-activiteiten van eiseres, terwijl zij stelt zich door die activiteiten meer bewust te zijn van haar identiteit en vrijer en beter over haar seksuele gerichtheid te kunnen verklaren. Verweerder is echter ook inhoudelijk ingegaan op het rapport en stelt zich (onder meer) op het standpunt dat uit het rapport niet volgt dat eiseres niet kan verklaren over haar seksuele gerichtheid an sich. Het IMMO-rapport biedt daarom geen verschoning voor de wisselende verklaringen, inconsistenties en oppervlakkige verklaringen van eiseres omtrent haar geaardheid die haar in de voorgaande procedure zijn tegengeworpen. Uit het rapport volgt dat eiseres moeite had met verklaren over haar ervaringen met geweld. Weliswaar zijn die ervaringen gerelateerd aan haar gestelde seksuele gerichtheid, maar dat impliceert niet dat eiseres niet kan vertellen over haar gevoelens en gedachten betreffende haar seksuele gerichtheid. Daarbij is van belang dat eiseres bij haar opvolgende aanvraag zelf heeft aangegeven dat zij nu wel kan verklaren over haar seksuele gerichtheid, mede omdat zij tegenwoordig actief is binnen de LHBTI+-gemeenschap. Verder neemt verweerder in aanmerking dat eiseres in het IMMO-rapport wordt omschreven als een bovengemiddeld intelligente en hoogopgeleide vrouw. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat van eiseres verwacht mag worden dat zij op persoonlijke en authentieke wijze en meer diepgaand en gedetailleerd kan verklaren over haar seksuele gerichtheid, met name over wat het voor haar persoonlijk betekent om deel te nemen aan LHBTI+- activiteiten. Hierin is zij volgens verweerder niet geslaagd. Verweerder heeft zijn beoordeling, gelet op het IMMO-rapport, beperkt tot de gestelde seksuele gerichtheid en niet het hele asielrelaas van eiseres opnieuw beoordeeld maar de gestelde ervaringen met geweld buiten beschouwing gelaten.
6.2.
Verweerder heeft in beroep een aanvullende motivering gegeven ten aanzien van het IMMO-rapport en stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van
2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1472), op het standpunt dat het IMMO-rapport niet deugt, omdat het rapport niet inhoudelijk inzichtelijk en concludent is. Ook om die reden vormt het IMMO-rapport volgens verweerder grond om niet over te gaan tot een totale heroverweging van de vorige procedure.
6.3.
Gelet op de aanvullende motivering van verweerder kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Zij overweegt hiertoe als volgt.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het IMMO-rapport geen afbreuk doet aan de eerdere verklaringen van eiseres, omdat het rapport gelet op de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025 niet voldoet. In het IMMO-rapport is geconcludeerd dat de geconstateerde psychische problematiek van eiseres beperkingen gaf die zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. In het rapport is onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat deze conclusie is gebaseerd op een op eiseres toegespitste beoordeling van haar vermogen om te verklaren. Uit het rapport volgt immers niet waarom en in hoeverre de psychische omstandigheden van eiseres in concreto effect hebben gehad op haar vermogen om te verklaren. Dit betekent dat verweerder aan het antwoord op de vraag in het IMMO-rapport of ten tijde van de eerdere asielgehoren sprake was van medische problematiek die interfereert met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren (de ‘B- vraag’) voorbij mocht gaan en zich bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas mocht baseren op wat eiseres tijdens de gehoren in de vorige asielprocedure heeft verklaard.
6.5.
In de vorige procedure is de gestelde lesbische gerichtheid van eiseres ongeloofwaardig geacht. Dit is in rechte komen vast te staan en vormt, nu verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het IMMO-rapport geen aanleiding geeft om de vorige procedure te heroverwegen, ook in de onderhavige zaak het uitgangspunt. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres met haar verklaringen over haar seksuele gerichtheid in de onderhavige procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van identiteitsgroei. Anders dan eiseres stelt, volgt ook uit het bestreden besluit dat verweerder niet van eiseres verwacht of verlangt dat zij zich volledig moeiteloos kan uiten en dat zij nu over alles even sterk en uitgebreid kan verklaren. Het is verweerder bekend dat de ene persoon zich makkelijker uit dan de andere door allerlei onderliggende oorzaken. Verweerder stelt zich echter terecht op het standpunt dat van iemand die vanwege haar seksuele gerichtheid haar land is ontvlucht en alles heeft moeten achterlaten, wordt verwacht dat er een persoonlijk verhaal bestaat.
Verweerder heeft aangenomen dat eiseres actief is binnen de LHBTI+- gemeenschap. Verweerder stelt zich echter terecht op het standpunt dat dit enkele feit op zich onvoldoende is om te kunnen spreken van een geloofwaardige lesbische gerichtheid. Daarvoor is het onder andere van belang dat eiseres een persoonlijke betekenis over deze activiteiten en gevoelens en gedachten over haar gerichtheid kan duiden.
Verweerder wijst er terecht op dat, nu eiseres zelf heeft aangegeven dat zij nu beter en vrijer kan verklaren dan voorheen, zij de indruk heeft gewekt dat zij nu blijk kan geven van haar persoonlijk verhaal, of in dit geval wat haar deelname aan LHBTI+-activiteiten voor haar
persoonlijk heeft betekend. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat dit tijdens het gehoor niet is gebleken, omdat eiseres er niet in is geslaagd te verklaren over wat haar deelname aan LHBTI+-activiteiten voor invloed heeft op haar persoonlijk en wat voor gevoelens en gedachten het in haar heeft los gemaakt.
Conclusie
7. Het beroep is gelet op wat onder 6.2. en 6.3. is overwogen gegrond wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Mede gelet op de aanvullende motivering van verweerder in beroep ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiseres inhoudelijk geen gelijk krijgt.
8. De rechtbank ziet vanwege de gegrondverklaring van het beroep aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten;
veroordeeld verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.