Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:15569
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,329 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6418
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.H.W. van der Lee),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas¸ het college
(gemachtigde: mr. A. Boere).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de boete die het college aan eiseres heeft opgelegd op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met de boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 23 februari 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres een boete ter hoogte van € 577,71 opgelegd.
2.1.
Met het besluit van 14 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres, in navolging van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard en de boete in stand gelaten.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren eiseres, de gemachtigde van eiseres, T. Cetinkaya (tolk) en de gemachtigde van het college aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres ontvangt sinds 9 augustus 2022 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Op 20 november 2023 heeft eiseres het echtscheidingsvonnis van 1 juni 2023 en de kennisgeving van inschrijving van 1 november 2023 aan het college overgelegd. Hieruit volgt dat eiseres sinds 1 juni 2023 recht heeft op kinderalimentatie ter hoogte van € 397,- per maand en vanaf 1 november 2023 recht heeft op partneralimentatie ter hoogte van € 440,- per maand.
3.1.
Bij brief van 19 december 2023 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres tijdelijk geblokkeerd. Het college heeft eiseres verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken. Eiseres heeft de gevraagde documenten op 21 december 2023 aangeleverd.
3.2.
Bij besluit van 14 februari 2024 heeft het college het recht op bijstand over de periode van 1 juni 2023 tot en met 1 december 2023 herzien vanwege inkomsten uit kinderalimentatie en een bedrag van € 2.776,66 teruggevorderd. Vanaf 1 december 2023 trekt het college de partneralimentatie en kinderalimentatie die eiseres maandelijks ontvangt van haar bijstandsuitkering af.
3.3.
Bij brief van 16 februari 2024 heeft het college aan eiseres medegedeeld voornemens te zijn een bestuurlijke boete op te leggen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Op 17 februari 2024 heeft eiseres het vragenformulier met een begeleidend schrijven ingediend bij het college.
3.4.
Met het primaire besluit, gehandhaafd na bezwaar met het bestreden besluit, heeft het college aan eiseres een bestuurlijke boete ter hoogte van € 577,71 opgelegd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet direct na de rechterlijke uitspraak bij het college te melden dat zij recht heeft op kinderalimentatie. Ook toen eiseres op 25 augustus 2023 een totaalbedrag van € 1.588,- aan kinderalimentatie over de periode van juni 2023 tot met september 2023 op haar bankrekening ontving, heeft zij dit niet bij het college gemeld. Hoewel het college begrip heeft voor de moeilijke omstandigheden waarin eiseres zich bevond ten tijde van de echtscheiding, heeft zij niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor feitelijk niet in staat was om tijdig aan de inlichtingenverplichting te voldoen. Het college is uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid en heeft het benadelingsbedrag lager vastgesteld dan het netto terugvorderingsbedrag. Eveneens is de boete verlaagd op grond van de financiële draagkracht van eiseres. Er zijn volgens het college geen dringende redenen om van het opleggen van de boete af te zien.
Wat is het beoordelingskader?
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. Eiseres voert aan dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Volgens haar advocaat zou de echtscheidingsbeschikking namelijk rechtstreeks naar de gemeente worden doorgezonden. Ter onderbouwing van dit argument heeft eiseres een verklaring van haar echtscheidingsadvocaat, mr. [naam] , van 24 april 2024 overgelegd, waarin hij verklaart dat met eiseres is besproken dat de gemeente Den Haag de inschrijving van de echtscheiding zou doorgeven aan haar eigen gemeente en dat zij daarom niets hoefde te doen. Als gevolg hiervan verkeerde eiseres in de veronderstelling dat zij – door toezending van de beschikking aan de gemeente – aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan. Zodra eiseres er in november 2023 achter kwam dat het college niet bekend was met de inhoud van de beschikking heeft ze het alsnog bij het college gemeld.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak moet het bestuursorgaan bij het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting feiten stellen en, voor zover betwist, aantonen dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ook als de besluitvorming over de intrekking of herziening en de terugvordering vaststaat, dient in het kader van de boete een zelfstandig oordeel over de schending van de inlichtingenverplichting te worden gegeven. In dit kader geldt een zwaardere bewijslast dan bij de intrekking of herziening van bijstand, nu het opleggen van een boete wordt aangemerkt als het instellen van strafvervolging. Anders dan bij beëindiging, herziening en intrekking is het dus niet voldoende dat het college slechts aannemelijk maakt dat een belanghebbende de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende aangetoond dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Vaststaat dat eiseres niet eerder dan op 20 november 2023 aan het college heeft doorgegeven dat zij sinds 1 juni 2023 recht heeft op kinderalimentatie. Ook heeft eiseres niet gemeld dat zij op 25 augustus 2023 een bedrag van € 1.588,- aan kinderalimentatie heeft ontvangen op haar bankrekening met de omschrijving ‘kinderalimentatie 2023’ afkomstig van haar ex-partner. Niet in geschil is dat dit feiten en omstandigheden zijn waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Derhalve had het op de weg van eiseres gelegen om dit onverwijld bij het college te melden. Verder is van belang dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de inlichtingenverplichting een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. De stelling van eiseres dat zij in de veronderstelling verkeerde dat het college reeds op de hoogte was gesteld van de echtscheiding door het handelen van haar advocaat, kan daarom niet tot een ander oordeel leiden. Uit de brief van haar echtscheidingsadvocaat volgt ook dat deze in zijn contacten met eiseres alleen de inschrijving van de echtscheiding voor ogen had, en dat haar uitkeringssituatie verder niet is besproken. Er lijkt sprake te zijn van miscommunicatie, van onjuiste informatievoorziening is in die zin geen sprake.
5.3.
Indien sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting is het college op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw in beginsel verplicht een boete op te leggen. Bij het opleggen van de boete dient een weging plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden. De hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de belanghebbende. De boete moet evenredig zijn aan de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit over de boete aan deze eisen voldoet en dus leidt tot een evenredige sanctie. Dit is vaste rechtspraak.
5.4.
Eiseres voert aan dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het schenden van de inlichtingenverplichting, en dat het college daarom moet afzien van het opleggen van een boete, dan wel de boete gelet op haar omstandigheden dient te matigen tot nul. Ook voert zij aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Het huwelijk waar zij uit kwam was zeer belastend en er was sprake van huiselijk geweld. Eiseres had tijdens het huwelijk geen toegang tot de post, de administratie en financiën, waarna zij een zeer nare echtscheidingsprocedure heeft moeten doormaken en zij alleen de zorg had voor haar jonge kinderen. Het opleggen van de boete is gelet op deze omstandigheden onevenredig belastend. Ook de toepassing van de recidive factor van 150% is volgens eiseres onevenredig belastend. De eerdere overtreding, waar eiseres geen weet van had, betrof een overtreding van haar toenmalige echtgenoot.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de boete in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet (Pw)
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(…)
Artikel 18
Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand of studietoeslag als bedoeld in artikel 36b is ontvangen.
(…)
Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
(…)
Boetebesluit Socialezekerheidswetten
Artikel 2
Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag.
Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag.
Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
Bij recidive worden de percentages, genoemd in het tweede tot en met het vijfde lid, toegepast op het benadelingsbedrag vermenigvuldigd met 150 procent van dit bedrag.
Indien het benadelingsbedrag, of het benadelingsbedrag bij toepassing van het zesde lid, hoger is dan 100/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt in afwijking van het vierde en vijfde lid, de bestuurlijke boete:
a. indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, vastgesteld op 50/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie;
b. indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, vastgesteld op 25/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie.
8. De percentages, genoemd in het tweede tot en met zesde lid, en de factoren, genoemd in het zevende lid, onderdelen a en b, worden zo nodig verlaagd voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete.
9. Het bestuursorgaan dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen. Het bestuursorgaan kan zich voor het bewijs baseren op door hem gestelde, en door betrokkene niet of niet voldoende weerlegde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
11.