Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-05-16
ECLI:NL:CRVB:2017:1824
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,402 tokens
Inleiding
15/5836 WWB
Datum uitspraak: 16 mei 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
14 juli 2015, 14/1575 en 14/1576 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.J.G. Pieper, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Mr. Pieper is verschenen en heeft zich onttrokken aan de zaak. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.H.J Weghorst.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 5 augustus 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellant stond tot 24 april 2013 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, basisadministratie persoonsgegevens) ingeschreven op het adres [opgegeven adres 1] te [woonplaats] (opgegeven adres 1). Van 24 april 2013 tot 16 juni 2013 stond appellant ingeschreven op het adres [opgegeven adres 2] te [woonplaats] (opgegeven
adres 2). Naar aanleiding van deze adreswijziging heeft een handhavingsmedewerker van de gemeente [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft deze medewerker onder meer dossieronderzoek gedaan, samen met een collega op 16 mei 2013 huisbezoeken afgelegd aan de opgegeven adressen en appellant en zijn moeder gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage bestandsonderhoud van 16 mei 2013 en een rapportage handhaving van 17 juni 2013.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
21 juni 2013 de bijstand met ingang van 13 april 2012 in te trekken. Bij besluit van 2 augustus 2013 heeft het college voorts de over de periode van 13 april 2012 tot en met 31 december 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.983,30 en over de periode van
1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 tot een bedrag van € 2.908,32, in totaal een bedrag van € 10.891,62 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat hij niet op de opgegeven adressen woonde met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.4.
Bij afzonderlijke besluiten van 21 augustus 2013 heeft het college aan appellant over de periode van 13 april 2012 tot en met 31 december 2012 een boete opgelegd van € 735,28 en over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 een boete opgelegd van
€ 2.908,32. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat geen bijzondere omstandigheden of dringende redenen bestaan op grond waarvan de boetes zouden moeten worden verlaagd.
1.5.
Bij besluit van 20 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 2 augustus 2013 en 21 augustus 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en appellant een boete opgelegd van € 3.634,28. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het college dat appellant opzettelijk heeft gehandeld door bewust niet bij het college te melden dat hij niet woonachtig was op de opgegeven adressen. De rechtbank overweegt dat appellant daarmee het college willens en wetens onjuist heeft geïnformeerd en dat geen aanleiding bestaat deze schending van de inlichtingenverplichting verminderd verwijtbaar te achten. Daarmee is een boete van
€ 3.634,28 in onderhavig geschil evenredig, passend en geboden.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de terugvordering. Hij stelt zich op het standpunt dat hem ten onrechte een boete is opgelegd. Vaststaat dat het besluit tot intrekking in rechte onaantastbaar is geworden. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1370) brengt een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot herziening en terugvordering van de uitkering niet met zich mee dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook onherroepelijk vaststaan. In het kader van de oplegging van de boete kunnen die feiten en de gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting in volle omvang worden beoordeeld.
4.2.
Voor een weergave van de uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf had op de twee opgegeven adressen, zodat hij niet de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
4.5.
Anders dan appellant heeft aangevoerd, bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op de opgegeven adressen. Daarbij komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring van appellant op 6 juni 2013. Appellant heeft over het door hem opgegeven adres 1 verklaard dat hij geen huurcontract met de verhuurder had, dat hij de verhuurder zwart € 25,- per maand betaalde om het adres als postadres te kunnen gebruiken en om daar af en toe eens te slapen, dat hij denkt één keer per maand op het adres te hebben geslapen, dat hij indien hij niet op dit adres was bij zijn vriendin of zijn moeder verbleef, dat zijn auto in de parkeerkelder bij de woning van zijn vriendin staat, dat hij de huur van deze parkeerplaats betaalt, dat hij drie of vier keer per week bij zijn vriendin slaapt en in de vakanties vaker. Daarnaast komt betekenis toe aan de verklaring van de moeder van appellant dat haar zoon nog steeds in [woonplaats] woont en dat zij denkt dat hij aan het [adres 3] woont.
4.6.
Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellant door niet te melden dat hij niet op de opgegeven adressen woonde, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant valt daarvan ook een verwijt te maken. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting vast.
4.7.
Uit de in 4.2 vermelde rechtspraak volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij “gewone” verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2014 gegrond en vernietigt dat
besluit voor zover de hoogte van de boete is vastgesteld op € 3.634,28;
- stelt de boete vast op € 2.189,44 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt
van het besluit van 20 mei 2014;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 495,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en E.C.R. Schut en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2017.
(getekend) M. Hillen
(getekend) C.A.E. Bon
HD