Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:14839
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,080 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7239
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres]
, uit [woonplaats] ( [land] ), eiseres
en
de staatssecretaris van Financiën, verweerder
(gemachtigden: mr. I. Talhaoui en [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres wegens het uitblijven van een tijdige beslissing op haar verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordeelt de rechtbank ook het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek op grond van de Woo.
1.1. Verweerder heeft het verzoek met het besluit van 21 november 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft deelgenomen via een beeldverbinding. Verder waren de gemachtigden van verweerder aanwezig, vergezeld door N.J.P. Brinkman en [naam 3] (beiden namens de minister van Financiën).
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Met de brief van 2 juli 2023 heeft eiseres een verzoek ingediend bij verweerder om alle kopieën te sturen van alle correspondentie waarvan de Belastingdienst beweert dat deze gestuurd zou zijn aan eiseres over de jaren 2012, 2019 en 2020 voor zowel haar partner als haarzelf. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een Woo-verzoek.
2.1. Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat eiseres via de procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant de op de zaak betrekking hebbende stukken kan ontvangen. Daarnaast valt eiseres’ verzoek niet onder de reikwijdte van de Woo. Er geldt namelijk een speciale openbaarheidsregeling, die voorrang heeft op de Woo.
2.2. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder het Woo-verzoek van eiseres mocht afwijzen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres heeft meerdere brieven naar de Belastingdienst gestuurd met het verzoek om inzage/kopieën van alle correspondentie over de jaren 2012, 2019 en 2020. De Belastingdienst beweert dat deze correspondentie is verstuurd, maar eiseres heeft het vermoeden dat dit niet is gedaan. Het is voor eiseres en haar partner onbegrijpelijk dat de Belastingdienst willens en wetens weigert de gevraagde onbekende correspondentie te versturen. Dit is extra onbegrijpelijk, omdat eiseres bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant een inhoudelijke procedure voert. Zonder een volledig dossier kan er geen sprake zijn van een eerlijke procedure en wordt zij ernstig in haar belangen en rechten geschaad. Eiseres stelt dat zij recht heeft op inzage in deze correspondentie en al haar persoonsgegevens. Het gaat eiseres niet om de geheime dan wel interne stukken, maar de stukken die daadwerkelijk naar haar zijn verstuurd. De Belastingdienst stelt zich onterecht op het standpunt dat de gegevens niet mogen worden geopenbaard. Ten eerste zijn het eiseres’ gegevens en bepaalt zij daarmee zelf of deze worden geopenbaard. Ten tweede heeft zij gevraagd om deze gegevens omdat zij de correspondentie nooit heeft ontvangen. De gegevens zijn niet gevraagd om te openbaren. De uitspraak van de Afdeling die verweerder aanhaalt, is niet van toepassing op deze zaak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
I. Beroep niet tijdig beslissen
4. Eiseres heeft beroep ingesteld, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op het Woo-verzoek. Omdat verweerder met het bestreden besluit alsnog op het verzoek heeft beslist, is het procesbelang van eiseres komen te vervallen. De rechtbank zal dit deel van het beroep dan ook niet inhoudelijk behandelen.
II. Beroep tegen afwijzing Woo-verzoek
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het Woo-verzoek van eiseres heeft mogen afwijzen. De rechtbank legt hierna uit hoe ze tot dit oordeel komt.
5.1.
Op een verzoek om verstrekking van informatie is de Woo van toepassing, tenzij een bij bijzondere wet vastgesteld apart regime geldt. De bijlage bij de Woo somt de bijzondere wetten op waarvoor de Woo niet geldt. In deze bijlage is onder andere artikel 67 van de Awr opgenomen.
5.2.
Uit artikel 67 van de Awr volgt dat het verboden is, voor iedereen die de belastingwet uitvoert en daardoor informatie ontvangt of meegedeeld krijgt over een persoon of zaken van die persoon, om deze informatie verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting.
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres verzoekt om verstrekking van informatie in de zin van artikel 67 van de Awr. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor het verzoek van eiseres het bijzondere regime van artikel 67 van de Awr geldt en dat het algemene regime van de Woo niet geldt.
5.4.
De rechtbank overweegt tot slot dat eiseres op de zitting heeft gesteld dat zij niet alle stukken heeft gekregen in haar lopende beroepsprocedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De wet geeft eiseres in de procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant het recht op een afschrift van de op die zaak betrekking hebbende stukken.
Conclusie
6. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van eiseres is niet-ontvankelijk, omdat eiseres geen procesbelang meer heeft bij dit beroep.
7. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.
8. Omdat eiseres terecht een beroep wegens niet tijdig beslissen heeft ingesteld, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 184 moet vergoeden. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, is het beroep met zaaknummer SGR 24/3084 ten onrechte ingeschreven. In die zaak had geen griffierecht moeten worden geheven. De rechtbank heeft dat niet onderkend en zal het in de zaak SGR 24/3084 geheven griffierecht van € 187 terugstorten aan eiseres.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 26 januari 2024 ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8:39 in samenhang met 8:42 van de Awb.
Artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelasting (Awr).
Op grond van artikel 41, tweede lid van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
ECLI:NL:RVS:2024:4984.
Artikel 8.8 van de Woo.
Als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).
Artikel 8:39 in samenhang met artikel 8:42 van de Awb.