Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-07-24
ECLI:NL:RBMNE:2025:5176
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,621 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4058
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Staatssecretaris van Financiën,
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek dat eiser op gronde van de Wet open overheid (Woo) heeft ingediend bij de staatssecretaris. Hij verzoekt daarin – kort gezegd – om informatie over de reden waarom hij is geselecteerd voor een nadere controle van zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2021.
1.2.
De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen en dat besluit in bezwaar gehandhaafd. Daar is eiser het niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet slaagt, omdat de informatie waar eiser om heeft verzocht valt onder de geheimhoudingsplicht die volgt uit artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (Awr). De staatssecretaris mag deze informatie op grond van de Woo niet verstrekken aan eiser. De staatssecretaris heeft het bezwaar echter in bezwaar niet zorgvuldig voorbereid en daarom is het beroep gegrond. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.4.
Eiser heeft op 21 september 2023 een Woo-verzoek ingediend. Eiser heeft aangifte van zijn inkomsten over het jaar 2021 (IB 2021) bij de Belastingdienst gedaan en is daarbij nader gecontroleerd. Hij wil weten waarom dat precies is gebeurd. Daarom heeft hij op grond van de Woo verzocht om verstrekking van documenten die gaan over:1. de selectie van zijn aangifte IB 2021 voor een controle; 2. het gehele proces tot aan het moment waarop informatie bij hem is opgevraagd en 3. al het overige wat de staatssecretaris tegenkomt tijdens zijn onderzoek naar de bron van de selectie.
1.5.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag in het besluit van 22 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 maart 2024 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
Heeft eiser een Woo-verzoek ingediend?
2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 22 januari 2024 en opnieuw in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het verzoek van eiser geen Woo-verzoek is. Hij heeft, onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), gesteld dat de aard van de zaak erop wijst dat eiser geen Woo-verzoek heeft willen indienen.
2.1.
De rechtbank volgt de staatssecretaris niet in dit standpunt. De rechtspraak waar de staatssecretaris naar verwijst is rechtspraak die gaat over de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), de voorloper van de Woo. Deze wet kende geen bepaling die het mogelijk maakt dat een persoon verzoekt om verstrekking van op hemzelf betrekking hebbende gegevens. De Woo kent zo’n bepaling wel, namelijk artikel 5.5 van de Woo. Wat eiser heeft verzocht valt (deels) onder de reikwijdte van dat artikel. Daarmee heeft hij een Woo-verzoek ingediend.Moest de staatssecretaris documenten aan eiser verstrekken?
3. De staatssecretaris heeft onder verwijzing naar artikel 67, eerste lid, van de Awr geweigerd om aan eiser de gevraagde informatie te verstrekken. Hij heeft toegelicht dat dit artikel voorgaat op de Woo en dus in de weg staat aan verstrekking van de gegevens aan eiser. De staatssecretaris heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024,waarin dit standpunt wordt bevestigd.
3.1.
De rechtbank volgt de staatssecretaris in dit standpunt. Volgens vaste rechtspraak is artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. Dit is onder de Woo niet anders. Dat blijkt uit de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo. Artikel 67, eerste lid, van de Awr beperkt zich bovendien niet tot algemene informatie die bij de Belastingdienst berust, maar geldt ook voor informatie die over de Woo-verzoeker zelf gaat. Eiser kan dus geen algemene informatie verkrijgen over het selectieproces dat de Belastingdienst toepaste en evenmin kan hij op grond van artikel 5.5 van de Woo aanspraak maken op informatie waarom zijn aangifte over 2021 gecontroleerd is. De beroepsgrond slaagt niet.Had de staatssecretaris het Woo-verzoek ambtshalve moeten opvatten als een andere aanvraag?
4. Eiser vindt dat de staatssecretaris zich onnodig formalistisch opstelt. Als de grondslag van zijn verzoek niet de juiste is, dan had het op de weg van de staatssecretaris gelegen om de aanvraag te beoordelen op basis van de juiste grondslag. Het is de staatssecretaris immers duidelijk welke informatie eiser wil hebben en in het kader van de zorgvuldigheid mag van hem verwacht worden de juiste aanvraag daarbij te zoeken.
4.1.
Eiser heeft hierin geen gelijk. Het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb strekt niet zover dat de staatssecretaris dit Woo-verzoek had moeten aanmerken als een verzoek om opheffing van de geheimhouding dan wel als een verzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Er waren geen concrete aanknopingspunten dat eiser in dit geval niet heeft beoogd een Woo-verzoek in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.Had de staatssecretaris eiser in bezwaar moeten horen?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn bezwaar niet kennelijk ongegrond was en dat verweerder hem had moeten horen in bezwaar.
5.1.
Hierin heeft eiser gelijk. De staatssecretaris mag van horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander standpunt dan in het primaire besluit is ingenomen. Het bezwaar is dan kennelijk ongegrond. Gelet op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd, was er echter wel twijfel mogelijk over de vraag of artikel 67 van de Awr in de weg staat aan verstrekking van gegevens op grond van artikel 5.5 van de Awr.
5.2.
Eiser heeft in beroep verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2024 ter onderbouwing van zijn standpunt dat de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr zich niet verzet tegen de individuele verstrekking die in artikel 5.5 van de Woo is geregeld. Weliswaar is deze uitspraak achteraf bezien niet juist gebleken, maar dat laat onverlet dat er op het moment dat de staatssecretaris het bezwaar van eiser in behandeling had, wel twijfel mogelijk was over de reikwijdte van artikel 67 van de Awr. De staatssecretaris heeft dan ook niet van horen mogen afzien. Hij had eiser in de gelegenheid moeten stellen het bezwaar nader toe te lichten en te onderbouwen. De beroepsgrond slaagt. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en daarom is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.
5.3.
De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat inmiddels helderheid bestaat over de voorliggende rechtsvraag. De uitspraak van de Afdeling laat daarover geen twijfel bestaan. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dus dat eiser de gevraagde informatie niet op grond van de Woo kan verkrijgen, omdat artikel 67 van de Awr voorgaat op de Woo.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser de gevraagde informatie niet krijgt.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser het griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 15 maart 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268.
ECLI:NL:RVS:2024:4984.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4984.
Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
ECLI:NL:RBOBR:2024:574