Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:12937
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,893 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.20441
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Recht op rechtsbijstand
2. Eiser voert onder meer aan dat de minister zijn recht op rechtsbijstand heeft geschonden. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaring nadrukkelijk aangegeven een voorkeursadvocaat te hebben. Deze is niet benaderd. De advocaat die eiser eerder bijstond in de voorafgaande bewaringsprocedure is ingeschakeld en heeft namens eiser een zienswijze gegeven, maar eiser heeft meerdere keren nadrukkelijk aangegeven dat hij een andere voorkeursadvocaat heeft.
3. De minister stelt zich op het standpunt dat contact is opgenomen met de piketcentrale en dat mr. [naam] bekend was als de gemachtigde van eiser. Mr. [naam] heeft de piketmelding ook geaccepteerd en kon niet aanwezig zijn tijdens het gehoor. Nadat eiser tijdens het gehoor had aangegeven een andere voorkeursadvocaat te hebben is er opnieuw
contact geweest met Mr. [naam] en heeft deze advocaat de zaak wel aangenomen om daarna eventueel over te dragen aan de voorkeursadvocaat. Volgens de minister is eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring niet verstoken geweest van rechtsbijstand. Een eventuele belangenafweging zou daarom in het nadeel van eiser moeten uitvallen en het komt voor rekening en risico van eiser dat hij is weggelopen tijdens het gehoor.
4. De rechtbank stelt het volgende vast. In het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de bewaring is vermeld dat voorafgaand aan het gehoor om 12.30 uur is gebeld met mr. [naam] en dat het gehoor plaatsvond zonder aanwezigheid van Mr. [naam] omdat zij verklaarde niet bij het gehoor aanwezig te willen/kunnen zijn. Ten aanzien van de afwezigheid van de advocaat en de vraag of eiser het goed vond dat zonder zijn advocaat verder werd gegaan met het gehoor heeft eiser verklaard dat mr. [naam] niet zijn advocaat is, dat hij haar niet wil spreken, dat eiser haar duidelijk heeft gemaakt dat hij haar niet wil als advocaat en dat zij alles moest overdragen aan mr. Seth Paul. Volgens het proces-verbaal heeft eiser vervolgens verklaard niet in gesprek te willen gaan zolang hij door mr. [naam] wordt bijgestaan en is hij uit het gehoor weggelopen. Rond 14.35 uur is volgens het proces- verbaal wederom gebeld met mr. [naam] , is de situatie uitgelegd en heeft zij een zienswijze namens eiser gegeven.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is deze gang van zaken een schending van het recht van eiser op rechtsbijstand. Eiser heeft tijdens het gehoor te kennen gegeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft. Hiermee heeft eiser kenbaar gemaakt dat hij rechtsbijstand wenst door zijn voorkeursadvocaat. Na het verzoek van een vreemdeling om rechtsbijstand is de minister gehouden de nodige inspanningen te verrichten om de vreemdeling van de gevraagde rechtsbijstand te voorzien (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2483). Door alleen contact op te nemen met de eerder bij de minister bekende advocaat heeft de minister niet voldaan aan deze inspanningsverplichting. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt op geen enkele wijze dat de minister inspanningen heeft geleverd om de door eiser genoemde voorkeursadvocaat, mr. Seth Paul, op de hoogte te brengen.
6. De omstandigheid dat eiser voorafgaand aan de bewaring de rechtsbijstand van zijn keuze is onthouden, is een ernstig gebrek. Dat een andere advocaat, van wie eiser heeft gezegd dat dit zijn advocaat niet meer is en met wie hij voorafgaand aan het gehoor ook niet heeft gesproken, buiten aanwezigheid van eiser (telefonisch) een zienswijze namens eiser heeft kunnen indienen, maakt niet dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de voorkeursadvocaat is benaderd, hetgeen volgens paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire wel is voorgeschreven. Dit komt voor rekening en risico van de minister. Door deze handelwijze is eiser onvoldoende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze en eventuele persoonlijke belangen in relatie tot de voorgenomen inbewaringstelling naar voren te brengen. De belangenafweging valt daarom in het voordeel van eiser uit. Het beroep is reeds hierom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Wat overigens is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 14 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.400,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.400,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 mei 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.