Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:12664
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,012 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43304 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet in de zaak tussen
[opposant] , V-nummer: [v-nummer] , opposant
(gemachtigde: mr. K.S. Kort)
en
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde
Inleiding
1. Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft verweerder de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.2
Opposant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 29 november 2024 (de bestreden uitspraak) buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard.
1.3
Opposant heeft tegen de bestreden uitspraak verzet ingediend.
1.4
Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2025. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Opposant stelt de Syrische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1992 te zijn geboren. Hij heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat heeft de rechtbank in bestreden uitspraak geoordeeld?
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft in de bestreden uitspraak - kort samengevat - geoordeeld dat verweerder niet gehouden was om af te wijken van het interstatelijke vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Het persoonlijke relaas van opposant leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvestmet zich meebrengt. Ook heeft opposant niet onderbouwd dat klagen bij de Kroatische autoriteiten of andere instanties bij problemen onmogelijk of zinloos zou zijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet waarom Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder was gehouden gebruik te maken van diens discretionaire bevoegdheid genoemd in artikel 17, eerder lid, van de Dublinverordening.
Wat vindt opposant in verzet?
4. Opposant betoogt – kort samengevat – dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot een vereenvoudigde behandeling op grond van artikel 8 :54 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens opposant houden veel zittingsplaatsen wel een inhoudelijke behandeling in Dublin-Kroatië zaken. Opposant stelt dat er twijfel kon bestaan over de vraag of er ten aanzien van Kroatië (nog steeds) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan. Ondanks de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, blijkt uit recentere uitspraken dat over de veiligheidssituatie in Kroatië kan worden getwijfeld. Eiser beroept zich hierbij onder meer op de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle van 21 oktober 2024.Verder stelt opposant dat zijn broer en moeder na het bestreden besluit asiel hebben aangevraagd. De rechtbank heeft hem ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten. Dit klemt temeer nu hij bij het indienen van de voorlopige voorziening heeft aangegeven bezig te zijn met het verzamelen van bewijsstukken ten aanzien van de afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn moeder en broer. In verzet heeft opposant het GZA-dossier van zijn moeder overgelegd en een uittreksel van het aanmeldgehoor van zijn moeder.
Wat is het toetsingskader bij verzet?
5. Bij verzet oordeelt de rechtbank uitsluitend of het beroep van opposant buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Als opposant kan onderbouwen dat het beroep niet zonder zitting afgedaan mocht worden bij de bestreden uitspraak, kan het verzet gegrond verklaard worden. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan wordt het verzet gegrond verklaard zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het verzet?
6. Naar het oordeel van de rechtbank leidt hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd niet tot twijfel ten aanzien van het oordeel van de rechtbank dat het beroep kennelijk ongegrond is. De verzetsrechter stelt voorop dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter, heeft betrokken dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Naar het oordeel van de verzetsrechter heeft opposant niet aannemelijk gemaakt dat dit vanwege individuele feiten en omstandigheden niet langer kan. Kroatië heeft met het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van opposant zal worden afgehandeld in overeenstemming met de internationale verplichtingen.
7. Het betoog op divergerende jurisprudentie omtrent het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin, nu uit rechtspraak van de Afdeling ondubbelzinnig volgt dat de huidige situatie in Kroatië geen aanleiding geeft om niet langer vast te houden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat zittingsplaats Zwolle daarna anders heeft geoordeeld over het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot Kroatië, maakt niet dat de rechtbank in deze zaak het beroep niet kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren. Het is aan deze rechtbank om een eigen oordeel te vormen over het geschil dat hier aan de orde is en dat heeft de rechtbank gedaan.
8. Verder voert opposant in verzet aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, de asielaanvraag aan zich te trekken. Ook dit betoog slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de broer en moeder van eiser in Nederland asiel hebben aangevraagd is daarvoor onvoldoende. Ook uit de in verzet overgelegde stukken blijkt niet dat er sprake is van een bijzondere afhankelijkheid als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening.
9. Gelet op hetgeen is aangevoerd in beroep en ook in de onderhavige verzetsprocedure heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat - met toepassing van het bepaalde in artikel 8:54 van de Awb - het beroep van eiser buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting.
Conclusie
10. Gelet op het voorgaande is het verzet ongegrond. Dat betekent dat de eerdere uitspraak van 29 november 2024 in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland rechter, in aanwezigheid van K. El Mahsini, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2024:4037
ECLI:NL:RBOVE:2024:5401
Zie de uitspraak van de Afdeling met nummer ECLI:NL:RVS:2023:3411 en zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.