Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:11829
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,110 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15426
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Ten aanzien van eisers identiteit oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser heeft overgelegd een afschrift van zijn paspoort, een afschrift van het Spaanse visum en een verklaring van de Franse politie waaruit blijkt dat hij de houder is van het paspoort en Frankrijk moest verlaten. De informatie die hieruit volgt, komt overeen met wat eiser hier zelf over heeft verklaard bij verweerder. Echter blijkt uit deze stukken niet dat het paspoort in beslag is genomen. Dat berust slechts op een verklaring van eiser. Ter zitting heeft eisers gemachtigde aangegeven dat ze een originele Libische identiteitskaart en rijbewijs heeft ontvangen. Naar verluidt betreffen dit originele documenten, maar dit moet nog onderzocht worden. Een afschrift hiervan heeft zij ter zitting getoond. De foto’s hierop komen overeen met de stukken in het dossier. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat een afschrift niet op echtheid onderzocht kan worden. De identiteitskaart had eiser eerder kunnen inbrengen. Verweerder had dit dan ook van eiser mogen verwachten. Niettemin heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eisers gestelde identiteit ongeloofwaardig is. In zoverre is sprake van een gebrek.
2. Eiser beroept zich verder op een incident met milities op 27 november 2024. Verweerder acht dat incident geloofwaardig, maar niet dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.
3. Ten aanzien van Libië neemt verweerder aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit heeft de Afdeling bij uitspraak van 17 juli 2024 bevestigd. Hierbij neemt verweerder aan dat de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het gebied (in dit geval in en rond Tripoli) op zichzelf onvoldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden moet dat risico alsnog aannemelijk worden gemaakt. Eiser zegt daarover in beroep dat, gelet op de 'algemene oorlogssituatie', sprake is van een toestand van willekeurig geweld die vergelijkbaar is met Syrië. De onderbouwing daarvan ontbreekt echter volledig. De rechtbank volgt daarom niet het standpunt van eiser dat sprake is van een situatie in Libië van willekeurig geweld die ertoe zou leiden dat de loutere aanwezigheid van een vreemdeling al een reëel risico op ernstige schade oplevert.
4. Verder heeft eiser geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat eiser bij terugkeer in Libië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Met eisers inspanningen tijdens de watersnoodramp, scoutingsactiviteiten en verhevigde rekruteringsactiviteiten van milities, welke elementen ter zitting zijn genoemd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van milities is komen te staan. De stellingen van eiser daarover zijn wederom niet onderbouwd.
5. Hoewel verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers identiteit ongeloofwaardig is, leidt dit niet tot gegrondverklaring van het beroep. Dat komt omdat de gronden van beroep tegen verweerders beoordeling van het reële risico op ernstige schade geen doel treffen. Verweerder heeft namelijk terecht bepaald dat eiser zijn vrees bij terugkeer naar het land van herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook als verweerder wel moet uitgaan van de gestelde identiteit, dit dan nog niet kan leiden tot een asielvergunning. Verweerder heeft eisers asielaanvraag dan ook terecht afgewezen als ongegrond. Om die reden zal de rechtbank het geconstateerde gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1)
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en het proces-verbaal hiervan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:11829 text/xml public 2026-01-29T10:07:33 2025-07-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-07-02 NL25.15426 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3926, Niet ontvankelijk Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11829 text/html public 2025-07-04T12:37:14 2025-07-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:11829 Rechtbank Den Haag , 02-07-2025 / NL25.15426 Mondelinge uitspraak. Libische. Asiel. Identiteit ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Relaas niet aannemelijk gemaakt. Gebrek. Gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.15426 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H.E. Visscher), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Ten aanzien van eisers identiteit oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser heeft overgelegd een afschrift van zijn paspoort, een afschrift van het Spaanse visum en een verklaring van de Franse politie waaruit blijkt dat hij de houder is van het paspoort en Frankrijk moest verlaten. De informatie die hieruit volgt, komt overeen met wat eiser hier zelf over heeft verklaard bij verweerder. Echter blijkt uit deze stukken niet dat het paspoort in beslag is genomen. Dat berust slechts op een verklaring van eiser. Ter zitting heeft eisers gemachtigde aangegeven dat ze een originele Libische identiteitskaart en rijbewijs heeft ontvangen. Naar verluidt betreffen dit originele documenten, maar dit moet nog onderzocht worden. Een afschrift hiervan heeft zij ter zitting getoond. De foto’s hierop komen overeen met de stukken in het dossier. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat een afschrift niet op echtheid onderzocht kan worden. De identiteitskaart had eiser eerder kunnen inbrengen. Verweerder had dit dan ook van eiser mogen verwachten. Niettemin heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eisers gestelde identiteit ongeloofwaardig is. In zoverre is sprake van een gebrek. 2. Eiser beroept zich verder op een incident met milities op 27 november 2024. Verweerder acht dat incident geloofwaardig, maar niet dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. 3. Ten aanzien van Libië neemt verweerder aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit heeft de Afdeling bij uitspraak van 17 juli 2024 bevestigd. Hierbij neemt verweerder aan dat de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het gebied (in dit geval in en rond Tripoli) op zichzelf onvoldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden moet dat risico alsnog aannemelijk worden gemaakt. Eiser zegt daarover in beroep dat, gelet op de 'algemene oorlogssituatie', sprake is van een toestand van willekeurig geweld die vergelijkbaar is met Syrië. De onderbouwing daarvan ontbreekt echter volledig. De rechtbank volgt daarom niet het standpunt van eiser dat sprake is van een situatie in Libië van willekeurig geweld die ertoe zou leiden dat de loutere aanwezigheid van een vreemdeling al een reëel risico op ernstige schade oplevert. 4. Verder heeft eiser geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat eiser bij terugkeer in Libië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Met eisers inspanningen tijdens de watersnoodramp, scoutingsactiviteiten en verhevigde rekruteringsactiviteiten van milities, welke elementen ter zitting zijn genoemd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van milities is komen te staan. De stellingen van eiser daarover zijn wederom niet onderbouwd. 5. Hoewel verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers identiteit ongeloofwaardig is, leidt dit niet tot gegrondverklaring van het beroep. Dat komt omdat de gronden van beroep tegen verweerders beoordeling van het reële risico op ernstige schade geen doel treffen. Verweerder heeft namelijk terecht bepaald dat eiser zijn vrees bij terugkeer naar het land van herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook als verweerder wel moet uitgaan van de gestelde identiteit, dit dan nog niet kan leiden tot een asielvergunning. Verweerder heeft eisers asielaanvraag dan ook terecht afgewezen als ongegrond. Om die reden zal de rechtbank het geconstateerde gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. 6. Het beroep is ongegrond. 7. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1) Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en het proces-verbaal hiervan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Algemene wet bestuursrecht. Besluit proceskosten bestuursrecht.