Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:10760
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,209 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1922
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling en gedeeltelijke terugvordering van zijn huurtoeslag over 2020.
1.1.
Bij besluit van 10 januari 2024 heeft verweerder de door eiser ontvangen voorschotten van zijn toeslagen definitief berekend. Met het bestreden besluit van 19 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser bijgestaan door zijn moeder en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 27 december 2019 is aan eiser een voorschot huurtoeslag voor 2020 verleend van € 3.500, gebaseerd op een geschat toetsingsinkomen van € 22.582. Dat voorschot is op 23 september 2020 herzien naar € 2.829 nadat verweerder bericht had ontvangen dat de toenmalige toeslagpartner was verhuisd naar België. Op 29 december 2020 is het voorschot nogmaals herzien naar € 2.902 vanwege gewijzigde huurgegevens.
2.1.
Uiteindelijk heeft verweerder op basis van verschillende meldingen van de Basisregistratie inkomen (BRI) over de inkomensgegevens van eiser en zijn toenmalige toeslagenpartner het voorschot herzien en de hoogte van de huurtoeslag definitief vastgesteld op € 849. Het toeslagenjaar is opgesplitst in twee perioden. Het eerste halfjaar had eiser nog een toeslagenpartner en was hun gezamenlijk toetsingsinkomen € 43.703, zodat er geen recht bestond op huurtoeslag. In juni is de relatie tussen eiser en zijn toenmalige toeslagenpartner geëindigd, zodat voor het tweede halfjaar is uitgegaan van een toetsingsinkomen van eiser van € 24.598. Verweerder heeft de huurtoeslag over 2020 dan ook herzien naar € 849 en bepaald dat eiser het te hoge bedrag aan voorschot moet terugbetalen met daarover de wettelijke rente. Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat verweerder van een onjuist toetsingsinkomen uitgaat en de definitieve huurtoeslag als gevolg daarvan te laag is vastgesteld. De relatie tussen eiser en zijn toenmalige toeslagenpartner is beëindigd op 6 juni 2020. Sindsdien geldt zij niet meer als zijn toeslagpartner. Het is dan ook oneerlijk dat haar gehele jaarinkomen over 2020 is meegenomen. Daarnaast is ten onrechte het bedrag dat door zijn toenmalige toeslagpartner is verdiend in België (€ 10.289) meegerekend, en heeft er geen verrekening van haar verliezen met haar inkomsten plaatsgevonden. Volgens eisers’ eigen berekeningen moet hij daarom € 690 minder terugbetalen dan verweerder heeft bepaald. Ook is ten onrechte een wettelijke rente van € 207 berekend. De definitieve vaststelling heeft oneigenlijk lang op zich laten wachten en de gevolgen daarvan moeten niet voor zijn risico komen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De vaststelling van huurtoeslag is onderworpen aan de systematiek van de Awir. Het recht op en de hoogte van huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht van de aanvrager en eventuele toeslagpartner en wordt bepaald aan de hand van het toetsingsinkomen. Het toetsingsinkomen is het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven. In aanvulling daarop wordt ook het Niet in Nederland belastbaar inkomen als toetsingsinkomen meegenomen. De wetgever heeft bewust gekozen voor de systematiek waarbij wordt aangesloten bij het toetsingsinkomen over een kalenderjaar. Dat betekent dat ook als een relatie gedurende het kalenderjaar wordt verbroken, uitgegaan wordt van het gezamenlijke jaarinkomen bij de berekening van de huurtoeslag over de periode dat de relatie intact was. Het betoog van eiser dat ten onrechte naar het jaarinkomen van zijn toenmalige toeslagenpartner is gekeken en haar verdiensten in België niet mochten worden meegenomen, slaagt daarom niet.
4.1.
Verweerder stelt de inkomensgegevens niet zelf vast, maar dient uit te gaan van de gegevens zoals die door de inspecteur van de Belastingdienst zijn vastgelegd in de BRI. Van die inkomensgegevens kan verweerder bij het berekenen van de toeslagen niet afwijken. Verweerder heeft zich dan ook terecht op die gegevens gebaseerd bij de definitieve berekening van eisers’ huurtoeslag. Voor zover eiser meent dat er ten onrechte geen rekenschap is gegeven van de verliezen van zijn ex-toeslagpartner, dient hij zich tot de inspecteur van de Belastingdienst te wenden.
4.2.
Als hoofdregel geldt dat het volledige bedrag aan toeslag, dat te veel is betaald, wordt teruggevorderd. Verweerder moet bij het besluit tot terugvordering de betrokken belangen afwegen. Voor zover de nadelige gevolgen van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, kan verweerder een lager bedrag terugvorderen. In het Verzamelbesluit Toeslagen is beleid over de terugvordering van toeslagen vastgesteld. Daarin staat dat alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als dergelijke omstandigheden zich voordoen en gehele terugvordering onevenredig is, kan worden afgezien van terugvordering of worden besloten tot matiging. De rechtbank acht dit beleid redelijk. De financiële situatie of financiële problemen van iemand die terugbetaling van toeslagen verhinderen, leidt in het algemeen niet tot een matiging van de terugvordering. Daarvoor bestaat namelijk de mogelijkheid om een persoonlijke betalingsregeling te treffen, waarbij het noodzakelijke maatwerk kan worden geboden. Dat eiser als eenverdiener twee kinderen moet onderhouden, heeft voor verweerder geen reden hoeven zijn om een lager bedrag terug te vorderen.
4.3.
Over het terug te vorderen bedrag wordt rente in rekening gebracht. Verweerder is volgens de wet gehouden dit te doen. Dat verweerder hiervan af had moeten zien gelet op het tijdsverloop, of dat er geen wettelijke rente mag worden geheven bij het terugvorderen van huurtoeslag, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft binnen een redelijke termijn, nadat hij op 8 november 2023 van het BRI bericht ontving over de definitieve aanslag van het inkomensgegeven van eisers’ toenmalige toeslagenpartner, zijn huurtoeslag definitief vastgesteld.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder niet hoefde af te zien van een volledige terugvordering.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7, eerste lid, van Awir.
Zie artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 2, onder o, van de Awir, en artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 8, tweede lid, van de Awir. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling), van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:455.
Artikel 26, eerste lid, van de Awir.
Zie ook artikel 13b, van de Awir.
Artikel 26, tweede lid, van de Awir.
Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 20 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10410.
Artikel 27 van de Awir.
Zie de uitspraak van de Afdeling, van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2257.