Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:23395
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,510 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7872
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: O.J.J.C. Koopmans),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2020.
1.1.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 14 juli 2023 de kinderopvangtoeslag over het jaar 2020 definitief berekend op € 6.236 en een bedrag van € 12.697 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 12 oktober 2023 is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser ontvangt sinds 1 oktober 2018 kinderopvangtoeslag voor 143 uur dagopvang per maand tegen een uurtarief van € 8,25. Op 29 november 2019 geeft eiser een wijziging door van de kinderopvanggegevens, namelijk dat hij per 1 januari 2020 per maand 191 uur dagopvang afneemt tegen een uurtarief van € 11,36. Vervolgens wijzigt eiser het uurtarief naar € 9,25.
2.1.
Met dagtekening van 27 december 2019 verleent verweerder voor 2020 een voorschot kinderopvangtoeslag van € 13.459 voor 143 uur per maand tegen een maximaal te vergoeden uurtarief van € 8,17 en een geschat gezamenlijk toetsingsinkomen van € 21.901.
2.2.
Met dagtekening van 21 januari 2020 herziet verweerder voor 2020 het voorschot kinderopvangtoeslag naar € 17.977 voor 191 uur per maand tegen een maximaal te vergoeden uurtarief van € 8,17.
2.3.
Op 29 september 2021 ontvangt verweerder een melding van de Basisregistratie Inkomen (BRI) dat de inspecteur van de inkomstenbelasting het geregistreerde verzamelinkomen van eisers toeslagpartner in 2020 in de voorlopige aanslag inkomstenbelasting heeft vastgesteld op € 38.400. Dit wordt bevestigd in de melding van 8 maart 2023 van de BRI, na de definitieve aanslag.
2.4.
Op 7 juni 2023 ontvangt verweerder een melding van de BRI dat de inspecteur het geregistreerde verzamelinkomen van eiser in 2020 heeft vastgesteld op € 2.652, namelijk het voordeel van sparen en beleggen op een grondslag van € 105.082, en een melding uit het Aanslag Belastingen Systeem (ABS) dat het Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) van eiser is vastgesteld op € 216.938.
2.5.
Met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft verweerder de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2020 vastgesteld op € 6.236 met een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 257.990 en 191 uur per maand tegen een maximaal te vergoeden uurtarief van € 8,17. Er ontstaat een terugvordering van € 12.697 (inclusief € 965 aan wettelijke rente).
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is werkzaam bij het [bedrijsfnaam] ( [bedrijsfnaam] ) en heeft daaruit een inkomen van € 216.938. Dit inkomen dient op grond van artikel 12 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie (Protocol) niet meegenomen te worden bij de berekening van de belasting, omdat dit salaris is vrijgesteld van nationale belastingheffing door Nederland. Zijn niet in Nederland belastbaar inkomen is wel meegenomen in de bepaling van de draagkracht voor de hoogte van de kinderopvangtoeslag. Eiser is van mening dat dit neerkomt op een indirecte heffing van belasting door Nederland over dat vrijgestelde salaris. Dit is in strijd met artikel 12 van het Protocol. Door eiser zijn inkomen mee te nemen wordt zijn partner ook onterecht in de arbeidsparticipatie gehinderd door het korten van haar inkomen.
3.1.
Daarnaast ziet artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (Wko) op de vraag of er een aanspraak is op kinderopvangtoeslag en niet op de berekening van de draagkracht. Draagkracht is geregeld in artikel 1.7 van de Wko. Een koppeling met draagkracht wordt dus expliciet niet gemaakt. Het artikel is bedoeld om ouders met een partner die een vrijgesteld inkomen genieten ook recht te geven op kinderopvangtoeslag. Dit wordt expliciet vermeld in het vierde lid van artikel 1.6 van de Wko. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar verschillende kamerstukken, een uitspraak van de Hoge Raad en een uitspraak van het Hof van Justitie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kinderopvangtoeslag over het jaar 2020 juist heeft berekend en de teveel verstrekte kinderopvangtoeslag terecht heeft teruggevorderd.
4.1.
De draagkracht van een huishouden is het uitgangspunt voor de berekening van het recht op (kinderopvang)toeslag. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen. Het toetsingsinkomen is het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven. Daarnaast wordt onder het toetsingsinkomen het NiNbi in aanmerking genomen. De stelling van eiser met betrekking tot artikel 1.6 van de Wko gaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op.
Het toetsingsinkomen omvat het verzamelinkomen (binnenlands en buitenlands inkomen) en het NiNbi. De inspecteur stelt het verzamelinkomen op aanslag of bij beschikking vast. Ook het NiNbi (vrijgesteld inkomen) wordt bij beschikking door de inspecteur vastgesteld. Verweerder moet het door de inspecteur vastgestelde NiNbi volgen. Eiser dient zich tot de inspecteur te wenden als hij het niet eens is met de hoogte van het in de aanslag opgenomen verzamelinkomen, nu de inspecteur voor de inkomstenbelasting het bevoegde bestuursorgaan is om daarover te oordelen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder van het juiste inkomensgegeven is uitgegaan.
4.2.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van indirect heffen van inkomstenbelasting door het NiNbi mee te nemen bij de bepaling van de draagkracht. De uitspraak van de Hoge Raad ziet op de heffing van belasting en van belastingvoordelen in het licht van artikel 12 van het Protocol. De kinderopvangtoeslag is echter geen belasting, maar een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De uitspraak van de Hoge Raad gaat daarom niet op. Dat het inkomen van belang is voor de hoogte van de kinderopvangtoeslag, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Er is namelijk geen sprake van het direct of indirect heffen van (inkomsten)belasting, maar van het bepalen van de draagkracht om de hoogte van de aanspraak op een inkomensafhankelijke regeling te kunnen bepalen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerder een ander bestuursorgaan is dan de inspecteur van de inkomstenbelasting. De inspecteur is bevoegd om het verzamelinkomen vast te stellen en al dan niet belasting op inkomsten te heffen. Verweerder stelt het recht op toeslag vast op basis van onder meer de inkomensgegevens die de inspecteur heeft vastgesteld.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen omstandigheden heeft aangedragen waarin verweerder aanleiding had moeten zien om de terugvordering geheel of deels te matigen. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Hoge Raad van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1221.
Uitspraak van het Hof van Justitie van 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:338.
Artikel 7, eerste lid, van de Awir.
Artikel 8, eerste lid, van de Awir.
Artikel 8, tweede lid, van de Awir.
Artikel 9.4 van de Wet IB 2001 en artikel 8a, eerste lid, van de Awir.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:455 en 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0491 .