Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:10645
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,898 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26163
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek van eiser tot opheffing van het terugkeerbesluit en de bijbehorende SIS-signalering.
1.1.
Verweerder heeft het verzoek van eiser met het besluit van 28 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
Verweerder heeft niet op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarbij heeft verweerder zich enkele weken voor de zitting afgemeld te verschijnen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Tegelijkertijd zijn ook de beroepen van [naam 1] (zaaknummer NL24.27331) en [naam 2] (zaaknummer NL24.28266) behandeld, eveneens bijgestaan door dezelfde gemachtigde.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [datum] 1992 en heeft de Bengalese nationaliteit.
2.1.
Eiser heeft bij besluit van 15 juli 2021 een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘studie’ verleend gekregen. Deze verblijfsvergunning is bij besluit van 16 januari 2023 met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 9 november 2021, omdat eiser niet langer ingeschreven stond bij de onderwijsinstelling die de vergunning voor eiser had aangevraagd. Dit besluit gold ook als terugkeerbesluit. Verweerder heeft het bezwaar van eiser hiertegen met het besluit van 9 mei 2023 kennelijk ongegrond verklaard en is bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
2.2.
Per brief van 13 september 2023 heeft eiser verweerder erop gewezen dat het terugkeerbesluit niet rechtmatig is opgelegd en haar verzocht de SIS-signalering te verwijderen, omdat eiser al enige tijd werkt en verblijft in Portugal. Bij besluit van 28 december 2023 heeft verweerder besloten het terugkeerbesluit niet op te heffen waardoor ook de SIS-signalering in stand blijft. Verweerder heeft hierbij overwogen dat niet is gebleken dat eiser een verblijfsvergunning heeft in Portugal, op basis waarvan het terugkeerbesluit opgeheven zou kunnen worden. Verweerder is in het bestreden besluit van 21 juni 2024 bij haar afwijzing van het verzoek van eiser gebleven en heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij heeft aangetoond rechtmatig verblijf in Portugal te hebben in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning in Portugal, waardoor hij rechtmatig verblijf heeft volgens het Terugkeerhandboek. Hij woont, werkt en betaalt belasting in Portugal wat niet kan als er sprake zou zijn van illegaal verblijf. Daarnaast had verweerder moeten beoordelen of er sprake is van een gedoogstatus in de zin van het Terugkeerhandboek, wat aanleiding kan zijn om het terugkeerbesluit op te heffen. De Portugese autoriteiten verstrekken geen andere documenten dan ten bewijze van rechtmatige bewijs dan die eiser heeft ingebracht. Verder overweegt verweerder ten onrechte dat de SIS-signalering een feitelijke handeling is omdat het een zelfstandig onderdeel is van een besluit, dat gericht is op een rechtsgevolg. Want door het niet verwijderen van de SIS-signalering wordt volgens artikel 77, eerste lid, van de Wet nr. 23/2007 in Portugal een aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen. Tot slot stelt eiser dat hij ten onrechte niet gehoord in bezwaar nu dit juist het moment had geweest om eiser op zijn documenten en situatie te bevragen. Hierdoor is er ook geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Oplegging terugkeerbesluit
4. Ter zitting heeft eiser zich, naast zijn andere gronden, op het standpunt gesteld dat hem bij voorbaat geen terugkeerbesluit opgelegd had mogen worden omdat hij niet in Nederland verbleef op dat moment. Nu het terugkeerbesluit reeds in rechte vaststaat, kan deze beroepsgrond niet slagen.
Opheffing terugkeerbesluit en verwijdering SIS-signalering
5. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat in het geval dat verweerder na het nemen van het terugkeerbesluit vaststelt dat de betreffende vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat of een andere toestemming van verblijf, het terugkeerbesluit wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop de vreemdeling dit heeft aangetoond. In geschil is of verweerder reden had moeten zien om dit terugkeerbesluit op te heffen en de SIS-signalering te verwijderen nu eiser verblijf heeft in Portugal.
5.1.
Voor de beoordeling van deze zaak wijst de rechtbank op de recente uitspraak van de Afdeling. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij toestemming tot verblijf heeft in een andere lidstaat. Dit betreft dan een ‘verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf’ in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit punt 5.4 van het Terugkeerhandboek volgt expliciet dat een gedoogsituatie geen wettelijk verblijfsrecht is. De Afdeling heeft dan ook geconcludeerd dat verweerder naar aanleiding van de door de vreemdeling overgelegde documenten, geen nader onderzoek had hoeven doen en had moeten motiveren of de vreemdeling een door Portugal afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf had. Voor wat betreft de SIS-signalering heeft de Afdeling overwogen dat verweerder er op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860 toe verplicht is bij het opleggen van een terugkeerbesluit de vreemdeling in SIS te signaleren. Hiervan kan slechts in specifieke situaties worden afgeweken.
5.2.
Om te onderbouwen dat eiser in Portugal een verblijfsrecht heeft, heeft hij de volgende documenten overgelegd:
een bevestiging van een aanvraag voor verblijf op grond van artikel 88 van de Wet nr. 23/2007 van 4 augustus 2023;
een schriftelijke verklaring dat eiser sinds 1 juli 2023 op het daarin genoemde adres in Portugal woont;
een verlenging van de aanvraagprocedure in afwachting van reactie van de Nederlandse autoriteiten van 4 augustus 2023;
een arbeidscontract met ingang van 1 februari 2023 waarin onder andere de fiscaal en sociaal nummers van eiser staan beschreven;
drie loonstroken van april, mei en juni 2024, en
een zogeheten ‘expression of interest’ van 19 december 2022
5.3.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025 is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf in Portugal heeft. Zo blijkt uit voorgenoemde uitspraak dat het hebben van een arbeidsovereenkomst, een sociaal en fiscaal nummer, en een inschrijving in Portugal, onvoldoende is om rechtmatig verblijf aan te tonen. De rechtbank ziet daarom ook geen bijzondere relevantie in de loonstroken van april, mei en juni 2024, nu dit slechts verder bevestigt dat eiser in Portugal werkt en belasting afdraagt en niet toont dat er sprake is van rechtmatig verblijf. Verder heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat de expression of interest gezien moet worden als een bewijs van rechtmatig verblijf. De enkele stelling ter zitting dat een Portugese advocaat dit heeft bevestigd, is onvoldoende. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de stelling van eiser dat de Portugese autoriteiten geen andere documenten afgeven, er niet toe hoeft te leiden dat verweerder hier genoegen mee moet nemen noch dat het aan verweerder was om nader onderzoek te doen naar de verblijfsstatus van eiser. Verweerder heeft bovendien opgemerkt in het bestreden besluit dat ondanks dat Portugal een raadplegingsverzoek in de zin van paragraaf A2/12.10.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft gedaan, verweerder niet door de Portugese autoriteiten in kennis is gesteld van een voornemen of een besluit om een verblijfsvergunning te verlenen. Daar komt bij dat, zelfs als aangenomen wordt dat aanvragers voor een verblijfsvergunning in staat worden gesteld om zich in Portugal in te schrijven en daar te werken, niet uitgesloten is dat dit slechts een (procedurele) gedoogstatus betreft. En dit is geen wettelijk verblijfsrecht.
Nu niet is gebleken dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om het terugkeerbesluit in te trekken.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7.1.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het Schengen-informatiesysteem (SIS).
(EU) 2017/2338, onder paragraaf 1.2.
Verwezen wordt naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8378.
Verwezen wordt naar de artikelen 6 t/m 12, 15 t/m 17, 19 en punt 18 van de preambule van Verordening (EU) 2018/1860, artikel 54 van de Verordening (EU) 2018/1861 en artikel 21 van de Verordening (EU) 2016/679.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1963.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075.
In de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn.
Zie punt 5.4 Terugkeerhandboek.
Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:2979.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.